Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5150

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
200.186.102/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over rekening van aanneemster ter zake van verbouwing. Incidentele vordering van de opdrachtgevers, tot verschaffen van afschrift van facturen die de aanneemster van haar leveranciers c.a. heeft ontvangen. Voldoende rechtmatig belang en ook aan de verdere vereisten van art. 843a Rv is voldaan. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:3369.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2017/43 met annotatie van M.G. Nielen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.102/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 3143559/ CV EXPL 14-16553

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 november 2016

inzake

1 [appellant sub 1] ,

2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. F.G. Horsting te Amsterdam,

tegen:

[X] BOUW B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. R.A. Kaatee te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 1 maart 2016 een tussenarrest gewezen. Bij dat arrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op 19 april 2016 plaatsgevonden ten overstaan van de daartoe benoemde raadsheer-commissaris. Een proces-verbaal van de zitting bevindt zich bij de stukken.

[appellanten] hebben vervolgens bij memorie een incidentele vordering ingesteld tot afgifte van, althans inzage in de hierna te noemen bescheiden op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Vervolgens hebben [appellanten] een memorie van grieven genomen.

[geïntimeerde] heeft daarop bij memorie van antwoord onder meer verweer gevoerd in het incident en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten daarvan.

Ten slotte is arrest gevraagd in het incident.

2 Beoordeling

In het incident

2.1.

Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. [geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellanten] verbouwingswerkzaam-heden verricht aan het pand van [appellanten] aan de [adres] te Amsterdam. [geïntimeerde] heeft hiervoor in totaal € 204.428,12 in rekening gebracht bij elf verschillende facturen over de periode vanaf 31 maart 2012 tot 28 oktober 2012. Volgens een door [geïntimeerde] opgesteld overzicht (bijlage bij productie 2 bij de inleidende dagvaarding) hebben [appellanten] de facturen van [geïntimeerde] met nummers 71, 94 en 95 slechts gedeeltelijk betaald. Volgens [geïntimeerde] dient nog een bedrag van € 17.256,50 door [appellanten] te worden voldaan. [appellanten] hebben aangevoerd dat de hun door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen buitensporig hoog zijn en hebben in voorwaardelijke reconventie onder meer terugbetaling gevorderd van het bedrag dat de redelijke prijs in de zin van art. 7:752 BW overstijgt en door hen onverschuldigd is betaald aan [geïntimeerde] . Bij het bestreden (eind)vonnis van 31 augustus 2015 heeft de kantonrechter - onder meer - geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde] van € 17.256,50 als betaling van (het restant van) de voornoemde facturen (in het vonnis abusievelijk genummerd 71, 95 en 96) volledig toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van verzuim, te weten 12 oktober 2013, de datum waartegen [geïntimeerde] [appellanten] heeft gesommeerd tot betaling. De kantonrechter heeft [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun voorwaardelijke reconventionele vorderingen omdat de door hen gestelde voorwaarde waaronder die vorderingen waren ingesteld, niet was vervuld. [appellanten] hebben tegen dit vonnis en het door de rechtbank daaraan voorafgaand gewezen tussenvonnis hoger beroep ingesteld bij dagvaarding van 23 november 2015.

2.2.

[appellanten] vorderen in het incident dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om op grond van artikel 843a Rv een afschrift te verstrekken van de facturen die (onder)aannemers, dienstverleners en leveranciers bij [geïntimeerde] in rekening hebben gebracht in het kader van de door [geïntimeerde] ten behoeve van [appellanten] uitgevoerde (verbouwings)werkzaamheden in de periode 1 juni 2011 tot 1 november 2012, zulks onder verbeurte van een dwangsom.

2.3.

Ter onderbouwing van hun incidentele vordering hebben [appellanten] onder meer het volgende aangevoerd. [appellanten] hebben een rechtmatig belang bij de afschriften van de onderliggende facturen tussen [geïntimeerde] en haar onderaannemers. Immers, zonder de beschikking te hebben over alle onderliggende facturen kunnen [appellanten] niet bepalen of [geïntimeerde] zich aan de tussen partijen gemaakte afspraak heeft gehouden dat [geïntimeerde] de facturen van onderaannemers en materiaal zou doorberekenen aan [appellanten] , vermeerderd met een opslag van 10%. De incidentele vordering van [appellanten] wordt derhalve ingesteld met het oog op bewijslevering door middel van de opgevraagde bescheiden, waarmee [appellanten] in voorkomend geval zullen proberen aan te tonen dat [geïntimeerde] zich niet aan de voormelde afspraak heeft gehouden als gevolg waarvan [geïntimeerde] bedragen aan [appellanten] moet terugbetalen. Mede gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat [appellanten] niet bekend kan zijn met de vorm, data en/of tijdstippen van de desbetreffende onderliggende facturen, hebben zij voldoende duidelijk gemaakt om welke bescheiden het gaat en om welke reden die bescheiden voor hen van belang zijn. Volgens [appellanten] kan van hen niet worden gevergd de bescheiden nog specifieker te omschrijven dan zij hebben gedaan aangezien door [geïntimeerde] eenvoudig kan worden vastgesteld op welke bescheiden de vordering van [appellanten] betrekking heeft. Dat tenslotte aan het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking tussen [appellanten] en [geïntimeerde] is voldaan, is zonneklaar, aldus (nog) steeds [appellanten]

2.4.

[geïntimeerde] heeft tegen de incidentele vordering verweer gevoerd. Hiertoe heeft zij - kort samengevat - aangevoerd dat de incidentele vordering door [appellanten] is ingesteld in de hoop iets te kunnen vinden waarop zij enige vordering kunnen baseren. Volgens [geïntimeerde] is dit niet waarvoor artikel 843a Rv bedoeld is maar betreft het een zogenoemde ‘fishing expedition’. [appellanten] hebben geen rechtmatig belang bij hun vordering tot afschrift. Zij stellen geen feiten of omstandigheden die [geïntimeerde] betwist en van enige bewijsnood aan de zijde van [appellanten] is geen sprake. Uit hetgeen [appellanten] (overigens voor het eerst) in hoger beroep naar voren hebben gebracht, blijkt dat zij slechts rekening houden met de theoretische mogelijkheid dat [geïntimeerde] te veel in rekening heeft gebracht en dat dit in theorie zou kunnen blijken uit de onderliggende inkoopfacturen. Er is echter geen grond om dit laatste te veronderstellen. [geïntimeerde] meent dat ook een belangenafweging tot afwijzing van de incidentele vordering van [appellanten] dient te leiden. In dit kader voert zij aan dat het ronduit bezwaarlijk voor haar is om aan die vordering te voldoen, voor zover zij daartoe al in staat is. Zoals blijkt uit de door [geïntimeerde] in eerste aanleg in opdracht van de rechtbank gegeven toelichting op factuur met nummer 94, dienen diverse posten op de inkoopfacturen te worden uitgesplitst, omdat [geïntimeerde] bij haar inkoop van dezelfde leveranciers ten behoeve van verschillende projecten materialen en diensten afnam. Het verschaffen van inzicht in de verhouding inkoop/verkoop (vermeerderd met 10%) is dus, aldus [geïntimeerde] , bewerkelijk en [geïntimeerde] heeft er belang bij om geen informatie te hoeven te verstrekken over haar andere projecten, waar [appellanten] buiten staan. [geïntimeerde] was bereid om mee te werken aan een door [appellanten] te bepalen streekproef van bijvoorbeeld tien facturen, op welk redelijk voorstel van [geïntimeerde] niet is ingegaan. Ook aan de overige vereisten van artikel 843a Rv wordt volgens [geïntimeerde] niet voldaan. De vordering is niet toegespitst op relevante delen van de facturen van (onder)aannemers van [geïntimeerde] en daarmee te onbepaald. Daarnaast is aan het vereiste van een ‘rechtsbetrekking’ niet voldaan. Ten slotte acht [geïntimeerde] [appellanten] in staat om ook zonder te beschikken over alle onderliggende facturen met voldoende zekerheid te bepalen of [geïntimeerde] zich “aan de afspraken heeft gehouden”. Er heeft reeds een steekproef ten aanzien van een deelfactuur plaatsgevonden, waaruit niet naar voren is gekomen dat [geïntimeerde] te veel in rekening heeft gebracht en ook een nieuwe (grotere) steekproef kan vrijwel volledig uitsluiten dat [appellanten] nog een bedrag van [geïntimeerde] te vorderen zouden hebben.

2.5.

Het hof overweegt als volgt.

2.6.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een vordering op de voet van artikel 843a lid 1 Rv is dat voor toewijzing daarvan slechts plaats is, indien degene die een dergelijke vordering instelt daarbij een rechtmatig belang heeft, de bescheiden voldoende bepaald zijn en het bescheiden betreft aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. [appellanten] wensen aan te tonen dat [geïntimeerde] zich niet gehouden heeft aan de tussen partijen gemaakte (regie)afspraak dat [geïntimeerde] haar kosten van onderaannemers en voor materiaal, vermeerderd met 10% opslag, aan [appellanten] in rekening zou brengen. [geïntimeerde] heeft het bestaan van die afspraak niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. [geïntimeerde] meent dat zij [appellanten] voldoende inzicht heeft gegeven in haar kosten door niet alleen tussentijds maar ook bij de eindafrekening daarvan een overzicht te verstrekken (voor het bij de eindafrekening verstrekte overzicht verwijst [geïntimeerde] naar productie 6 bij de conclusie van antwoord van [appellanten] ). Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] echter voldoende rechtmatig belang bij het verstrekken van afschriften van de facturen die ten grondslag liggen aan de door [geïntimeerde] verstrekte overzichten. Alleen op die wijze zijn zij immers in staat vast te stellen of [geïntimeerde] niet meer in rekening heeft gebracht dan met hen was overeengekomen (kosten vermeerderd met 10% opslag). Van een ‘fishing expedition’ is geen sprake, aangezien de incidentele vordering van [appellanten] specifiek betrekking heeft op de aan [geïntimeerde] in het kader van de uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden verstrekte facturen van onderaannemers en leveranciers die aan de eindafrekening, zoals deze ook grotendeels specifiek worden aangeduid in het als productie 6 bij conclusie van antwoord van [appellanten] overgelegde overzicht, ten grondslag liggen. Ook aan de overige voorwaarden van artikel 843a lid 1 Rv wordt voldaan. De bescheiden waarvan door [appellanten] afgifte wordt gevorderd hebben, zoals ook uit het voorgaande volgt, betrekking op de rechtsbetrekking tussen partijen en zijn zodanig duidelijk door [appellanten] geduid dat duidelijk is waarop zij aanspraak maken. In haar verweer dat het voor haar bezwaarlijk dan wel bewerkelijk is de afschriften van de onderliggende facturen te verstrekken, wordt [geïntimeerde] niet gevolgd. Nog daargelaten dat niet valt in te zien dat [geïntimeerde] de onderliggende facturen dient uit te splitsen, moet de omstandigheid dat haar onderaannemers en leveranciers niet in alle gevallen op de verbouwingswerkzaamheden ten behoeve van [appellanten] toegespitste facturen hebben verzonden voor rekening van [geïntimeerde] blijven, nu zij immers ermee heeft ingestemd slechts haar kosten te vermeerderen met 10% opslag aan [appellanten] in rekening te brengen. Het belang van [geïntimeerde] om geen informatie te hoeven te verstrekken over andere projecten waar [appellanten] buiten staan, weegt naar het oordeel van het hof onvoldoende zwaar. Uit het voorgaande volgt dat de door [geïntimeerde] gevoerde verweren geen doel treffen. De incidentele vordering van [appellanten] zal derhalve worden toegewezen, met dien verstande dat het hof de termijn waarbinnen [geïntimeerde] afschrift dient te verstrekken zal bepalen op vier weken, te rekenen vanaf de betekening van dit arrest. Tot het opleggen van een dwangsom ziet het hof vooralsnog geen aanleiding.

2.7.

De beslissing ten aanzien van de proceskosten van dit incident zal worden aangehouden tot het eindarrest.

2.8.

De hoofdzaak zal - in verband met de toewijzing van de incidentele vordering: op een ruime termijn - naar de rol worden verwezen voor een akte aan de zijde van [appellanten] waarbij dezen op de door [geïntimeerde] ingevolge dit arrest overgelegde stukken zullen kunnen ingaan. [geïntimeerde] zal daarop vervolgens mogen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen vier twee weken na betekening van dit arrest aan [appellanten] afschrift te verschaffen van de facturen die [geïntimeerde] van haar (onder)aannemers, dienstverleners en leveranciers heeft ontvangen in het kader van de voor [appellanten] verrichte verbouwingswerkzaamheden aan de [adres] te Amsterdam in de periode 1 juni 2011 tot 1 november 2012, een en ander door toezending van die bescheiden aan de advocaat van [appellanten] ;

wijst het meer of anders gevorderde af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 24 januari 2017 voor een akte aan de zijde van [appellanten] met het doel als hiervoor onder 2.8 aangegeven, waarop [geïntimeerde] vervolgens bij antwoordakte zal mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.E. Molenaar en H.M.M. Steenberghe en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016.