Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5114

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
200.186.863/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORDHA:2016:9
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. Klager verwijt de notaris (samengevat) dat hij het verzetvonnis van 2 februari 2011 heeft laten inschrijven, dat hij pas na uitdrukkelijk verzoek van klager informatie heeft gegeven over het verloop van het depot op zijn derdenrekening en dat die informatie bovendien summier, onbegrijpelijk en niet controleerbaar was, dat hij het bedrag van € 60.106,63 niet had mogen uitbetalen en dat hij een verklaring met betrekking tot het verstekvonnis van 11 augustus 2010 heeft laten inschrijven. De kamer heeft klager deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht, de klacht deels ongegrond en voor het overige gegrond verklaard en de notaris de maatregel van berisping opgelegd. Het hof vernietigt om wille van de duidelijkheid de bestreden beslissing, verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 1, verklaart de klachtonderdelen 2 en 3(a) gegrond, verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond en legt de notaris de maatregel van berisping op.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.186.863/01 NOT

nummer eerste aanleg : 15-84

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 29 november 2016

inzake

[klager] ,

wonend te [plaatsnaam] ,

appellant,

tegen

[notaris] ,

oud-notaris te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 7 maart 2016 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 17 februari 2016 (ECLI:NL:TNORDHA:2016:9). De kamer heeft in de bestreden beslissing klager in één klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard, de klacht tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) op twee onderdelen ongegrond verklaard en op één onderdeel gegrond verklaard. De kamer heeft de notaris de maatregel van berisping opgelegd.

1.2.

De notaris heeft op 8 april 2016 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

Bij brief van 29 juli 2016 heeft klager zich nader uitgelaten onder overlegging van diverse bijlagen.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 15 september 2016. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Waar nodig zal het hof de feiten op een of meer onderdelen aanvullen of corrigeren.

3.2.

Samengevat weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

Klager heeft een geschil gehad met [X] over de verkoop en levering van het pand aan de [adres] te [plaatsnaam] door klager aan [X] .

3.2.2.

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2010 is klager op vordering van [X] bij verstek veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd, om zijn medewerking te verlenen aan de levering van het pand, met bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte indien klager zijn medewerking weigert.

3.2.3.

Klager heeft tegen het verstekvonnis verzet ingesteld. Bij vonnis van 2 februari 2011 heeft de rechtbank Den Haag het verstekvonnis (‘om praktische redenen’) vernietigd, met veroordeling van klager, uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd, om zijn medewerking te verlenen aan de levering van het pand, ten overstaan van een door klager aan te wijzen notaris, onder de opschortende voorwaarde dat [X] de koopprijs van € 550.000,- vóór het passeren van de leveringsakte heeft gestort, met bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte indien klager zijn medewerking weigert. Bij beslissing van 16 februari 2011 heeft de rechtbank het vonnis verbeterd.

3.2.4.

De notaris heeft op 25 februari 2011 de koopprijs van € 550.000,- in depot ontvangen. Klager heeft geen medewerking verleend aan de levering van het pand. De notaris heeft het verzetvonnis van 2 februari 2011 op 25 februari 2011 laten inschrijven in de openbare registers bij het kadaster.

3.2.5.

[X] heeft jegens klager aanspraak gemaakt op een contractuele boete van

€ 55.000,- en hij heeft op 25 februari 2011 ten laste van klager conservatoir derdenbeslag gelegd onder de notaris. Bij vonnis van 24 mei 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op vordering van [X] klager in kort geding veroordeeld tot betaling van € 55.000,- met rente en kosten. [X] heeft op 9 juni 2011 ten laste van klager executoriaal derdenbeslag gelegd onder de notaris. De notaris heeft op 14 juli 2011 uit het depot een bedrag van € 60.106,63 aan de deurwaarder uitgekeerd.

3.2.6.

Bij beslissing van 16 november 2011 heeft de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’s-Gravenhage een klacht van klager tegen de notaris ongegrond verklaard. De klacht had betrekking op gedragingen van de notaris in het geschil tussen klager en [X] , waaronder de inschrijving van het verzetvonnis van 2 februari 2011. Bij beslissing van 3 juli 2012 heeft dit hof de beslissing van de kamer bekrachtigd.

3.2.7.

Bij arrest van 15 januari 2013 heeft het gerechtshof Den Haag het verzetvonnis van 2 februari 2011, zoals verbeterd op 16 februari 2011, vernietigd en klager alsnog niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen het verstekvonnis van 11 augustus 2010.

3.2.8.

Bij arrest van 15 januari 2013 heeft het gerechtshof Den Haag het onder 3.2.5. genoemde kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag vernietigd en de vordering van [X] alsnog afgewezen bij gebreke van spoedeisend belang.

3.2.9.

De notaris heeft een verklaring opgesteld waarin onder meer is vermeld dat klager geen medewerking heeft verleend aan de levering van het pand conform het verstekvonnis van 11 augustus 2010 en dat geen cassatie is ingesteld tegen het onder 3.2.7. genoemde arrest van 15 januari 2013. Deze verklaring is op 19 april 2013 ingeschreven in het kadaster.

3.2.10.

Bij vonnis van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank Den Haag klager veroordeeld tot, kort gezegd, betaling van de contractuele boete van € 55.000,- met rente en kosten.

3.2.11.

Klager en [X] hebben op 3 november 2014 ten overstaan van het gerechtshof Den Haag een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij zij onder meer zijn overeengekomen dat zij alle onderlinge procedures beëindigen en dat [X] de notaris bericht dat het op 25 februari 2011 gelegde beslag als opgeheven kan worden beschouwd, dat het volledige bedrag dat op de derdenrekening van de notaris staat, met rente, aan klager moet worden vrijgegeven en dat [X] € 16.000,- aan klager zal betalen. De notaris heeft vervolgens op of rond 5 november 2014 een bedrag van € 501.290,20 aan klager uitbetaald.

3.2.12.

Bij brief van 1 juli 2015 heeft klager de notaris verzocht om een gespecificeerde opgave van ontvangen en betaalde bedragen. De notaris heeft bij brief van 31 juli 2015 informatie verstrekt, met opgave van ontvangen rente. In die brief heeft de notaris onder meer meegedeeld dat de rente over het jaar 2014 (tot 5 november 2014) € 4.066,80 moest zijn in plaats van het eerder berekende bedrag van € 406,24. De notaris heeft daarbij aanspraak gemaakt op verrekening van het nog aan klager te betalen bedrag met de kosten (€ 4.728,91) die hij heeft gemaakt voor verweer in een procedure waarin klager hem had betrokken.

3.2.13.

Aan de notaris is met ingang van 1 december 2015 ontslag als notaris verleend.

4 Standpunt van klager

Klager verwijt in zijn klacht de notaris kort gezegd het volgende:

  • -

    De notaris heeft verwezen naar het verzetvonnis van 2 februari 2011, hoewel dit later is vernietigd.

  • -

    De notaris heeft pas na uitdrukkelijk verzoek informatie gegeven over het verloop van het depot op zijn derdenrekening. Die informatie was bovendien summier, onbegrijpelijk en niet controleerbaar.

  • -

    a) De notaris heeft misleidende informatie verstrekt over het depot. Pas in de brief van 31 juli 2015 heeft de notaris meegedeeld welk bedrag hij in depot had en dat op 14 juli 2011 een bedrag van € 60.106,63 is uitbetaald aan de deurwaarder. (b) Het bedrag is ten onrechte uitbetaald. Het kortgedingvonnis van 24 mei 2011 is vernietigd.

  • -

    De notaris heeft op 19 april 2013 een verstekvonnis laten inschrijven in het kadaster, hoewel dit was vernietigd en hoewel er geen schriftelijke koopovereenkomst was. De notaris heeft klager belast met kosten tot ruim € 20.000,-.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

6.1.

Het hof zal de verschillende klachtonderdelen afzonderlijk bespreken.

Onderdeel 1: inschrijving verzetvonnis van 2 februari 2011

6.2.1.

De kamer heeft klager in dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaard omdat over dit onderdeel al eerder is beslist (zie hiervoor onder 3.2.6.).

6.2.2.

Klager heeft in hoger beroep aangevoerd dat eerder verzwegen of ontkende feiten pas in januari 2014, november 2014 en juli 2015 zijn toegegeven en komen vast te staan. Bij brief van 29 juli 2016 heeft hij nader toegelicht dat het gaat om de betaling van het bedrag van € 60.106,63 die de notaris op 14 juli 2011 uit het depot heeft gedaan aan de deurwaarder van [X] . Volgens klager heeft de notaris de betaling verzwegen en is die pas in 2014 aan het licht gekomen. Klager heeft daarbij tevens verwezen naar het onder 3.2.10. genoemde vonnis van 7 augustus 2013.

6.2.3.

In de oorspronkelijke klacht valt niet te lezen dat klachtonderdeel 1 (ook) betrekking heeft op het verzwijgen en aan het licht komen van de betaling van € 60.106,63. Dit punt komt wel aan de orde bij klachtonderdeel 2 en het hof zal het punt daar behandelen.

6.2.4.

Uit de toelichting die klager verder heeft gegeven, wordt niet (voldoende) duidelijk welke andere concrete, nieuwe feiten klager in verband met klachtonderdeel 1 op het oog heeft. Dergelijke feiten blijken ook niet uit het vonnis van 7 augustus 2013. Voor zover klager heeft willen betogen dat een nieuw feit is dat het verzetvonnis van 2 februari 2011 later is vernietigd, overweegt het hof dat de vernietiging niet meebrengt dat de oud-notaris het verzetvonnis niet heeft mogen laten inschrijven. Het verzetvonnis was immers uitvoerbaar bij voorraad verklaard en klager had aan dat vonnis niet tijdig uitvoering gegeven. De vernietiging van het verzetvonnis werpt dus geen nieuw licht op het handelen van de notaris.

6.2.5.

Het hoger beroep kan gelet op het voorgaande niet leiden tot een andere beslissing dan de kamer op dit onderdeel heeft gegeven.

Onderdeel 2: informatie over verloop depot

6.3.1.

De kamer heeft de klacht op dit onderdeel ongegrond verklaard omdat niet is komen vast te staan wat het klachtonderdeel precies inhoudt.

6.3.2.

Het hof begrijpt uit de oorspronkelijke klacht, het verweer van de notaris en de in hoger beroep gegeven toelichting dat dit klachtonderdeel met name betrekking heeft op informatie zoals bedoeld in het verzoek van klager van 1 juli 2015 en de brief van de notaris van 31 juli 2015 (zie hiervoor onder 3.2.12.). Het betreft informatie over het verloop van het depot.

6.3.3.

De notaris heeft op 25 februari 2011 een bedrag van € 550.000,- in depot ontvangen. Op 14 juli 2011 heeft hij uit het depot een bedrag van € 60.106,63 uitbetaald aan de door [X] ingeschakelde deurwaarder, in het kader van de executie van het kortgedingvonnis van 24 mei 2011. Nadat klager en [X] op 3 november 2014 waren overeengekomen dat het nog in depot staande bedrag aan klager toekwam, heeft de notaris op 5 november 2014 een bedrag van € 501.290,20 aan klager uitbetaald, zijnde het saldo van de hoofdsom inclusief rente. Volgens de brief van de notaris van 31 juli 2015 was dat € 3.660,56 te weinig. Op de zitting bij de kamer is, aan de hand van een herberekening door de notaris, uiteindelijk gebleken dat het aan klager toekomende bedrag € 510.955,87 had moeten zijn.

6.3.4.

Naar het oordeel van het hof had de notaris klager onverwijld in kennis behoren te stellen van de uitkeringen die hij deed uit het depot. De notaris heeft niet weersproken dat hij heeft nagelaten klager onverwijld ervan in kennis te stellen dat hij overging tot de betaling van het bedrag van € 60.106,63. De notaris heeft in eerste aanleg erop gewezen dat klager bekend was met het kortgedingvonnis waarbij klager tot betaling was veroordeeld en de betekening daarvan aan klager. Die bekendheid betekent echter niet dat de notaris was ontheven van zijn verplichting om klager van de betaling in kennis te stellen. Evenmin betekent die bekendheid dat klager geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van de daadwerkelijke betaling uit het depot. Niet weersproken is dat klager van de daadwerkelijke betaling voor het eerst in 2014 op de hoogte is geraakt. Klager heeft dus op dit punt tijdig geklaagd en het klachtonderdeel is in zoverre gegrond.

6.3.5.

Het heeft verder op de weg van de notaris gelegen om klager bij het einde van het depot, toen het saldo met rente aan klager moest worden uitgekeerd, uit eigen beweging inzicht te verschaffen in het verloop van het depot en de over het depot ontvangen rente. De notaris heeft dat kennelijk nagelaten en geen deugdelijke verklaring voor dat nalaten gegeven. Het klachtonderdeel is ook in zoverre gegrond.

6.3.6.

De notaris heeft na verzoek van klager bij brief van 31 juli 2015 informatie gegeven over het verloop van het depot en de daarover ontvangen rente. Naar het oordeel van het hof geeft de brief onvoldoende inzicht in het precieze verloop van het depot en is de opgaaf van rente en kosten onvoldoende gespecificeerd en daarmee onvoldoende controleerbaar. Ook op dit punt is het klachtonderdeel gegrond.

Onderdeel 3a: informatie over depot

6.4.1.

De notaris heeft in eerste aanleg toegegeven dat hij een onjuiste berekening had gemaakt van de over het depot ontvangen rente, waardoor klager een aanzienlijk bedrag aan rente

(€ 9.665,67) te weinig heeft ontvangen. Bovendien heeft de notaris tot de zitting volhard in zijn onjuiste berekening. De kamer heeft het klachtonderdeel op dit punt terecht gegrond verklaard.

6.4.2.

Het hof kan in dit hoger beroep geen oordeel geven over de verrekening die de notaris wenst toe te passen van het bedrag van € 9.665,67 met de kosten die de notaris zegt te hebben gemaakt om zich te verweren in een civiele procedure tussen klager en [X] , waarin klager de notaris naar diens mening ten onrechte heeft betrokken. De voorgenomen verrekening maakt immers geen onderdeel uit van de oorspronkelijke klacht en het hof beschikt ook niet over voldoende gegevens om te beoordelen of de aanspraak van de notaris op verrekening klachtwaardig is.

Onderdeel 3b: uitbetaling € 60.106,63 uit depot

6.4.3.

Volgens klager had de notaris het bedrag van € 60.106,63 niet mogen uitbetalen, in aanmerking genomen dat het kortgedingvonnis van 24 mei 2011 is vernietigd bij arrest van 15 januari 2013.

6.4.4.

Uit hetgeen onder 6.3.4. is overwogen, volgt dat klager tijdig over de uitbetaling heeft geklaagd omdat hij niet eerder dan in 2014 van de uitbetaling op de hoogte is geraakt.

6.4.5.

Het klachtonderdeel is op dit punt echter ongegrond. Het kortgedingvonnis van 24 mei 2011 was uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [X] mocht daarom (op eigen risico) tot tenuitvoerlegging van het vonnis overgaan en de notaris was op grond van het gelegde beslag gehouden tot betaling. Het behoorde overigens niet tot de taak van de notaris om [X] om terugbetaling te vragen toen hij ermee bekend werd dat het kortgedingvonnis was vernietigd, daargelaten op welk moment hem dat bekend werd. Tot slot merkt het hof op dat klager niet is veroordeeld tot betaling van tweemaal € 55.000,- (met rente en kosten). De veroordeling in het kortgedingvonnis van 24 mei 2011 betrof een zogenoemde voorlopige voorziening, terwijl de veroordeling in het vonnis van 7 augustus 2013 de zogenoemde bodemprocedure betrof, nog daargelaten dat het kortgedingvonnis toen al was vernietigd.

Onderdeel 4: inschrijving verklaring met betrekking tot verstekvonnis 11 augustus 2010

6.5.1.

Klager is van mening dat het verstekvonnis van 11 augustus 2010 niet is herleefd nadat het verzetvonnis van 2 februari 2012 in hoger beroep was vernietigd.

6.5.2.

Het verzetvonnis waarmee het verstekvonnis werd vernietigd, is in hoger beroep vernietigd, omdat klager niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in het verzet tegen het verstekvonnis. Daarmee bleef het verstekvonnis van kracht. Het verstekvonnis werd onherroepelijk toen tegen het arrest van 15 januari 2013 niet tijdig beroep in cassatie was ingesteld. De verklaring die de notaris heeft opgesteld en op 19 april 2013 heeft laten inschrijven, is dus juist. Het was bovendien zorgvuldig dat de notaris deze verklaring heeft opgesteld en heeft laten inschrijven, omdat het verzetvonnis dat eerder was ingeschreven, was vernietigd.

6.5.3.

Bij klachtonderdeel 4 heeft klager de notaris verder nog verweten dat deze wist dat er geen schriftelijke koopovereenkomst bestond en dat klager en [X] daarover een geschil hadden. Deze wetenschap, wat daar verder ook van zij, maakt echter geen verschil. De civiele rechter had in het geschil tussen klager en [X] uitspraak gedaan en het was niet aan de notaris om bij de vraag of hij zijn dienst moest weigeren, zijn eigen oordeel te volgen in de plaats van de uitspraak van de rechter.

6.5.4.

Ter zitting in hoger beroep heeft klager nog enkele nieuwe bezwaren tegen de inschrijving van de verklaring ingebracht. Het hof kan die bezwaren echter niet behandelen omdat de klacht in hoger beroep niet mag worden uitgebreid.

6.5.5.

Op welke wijze de notaris klager heeft belast met ‘onbekende, willekeurige en oncontroleerbare kosten tot ruim € 20.000,-‘ is uit de stellingen van klager niet duidelijk geworden. Voor zover klager proceskosten bedoelt, vloeien die voort uit zijn geschil met [X] en niet uit het handelen van de notaris. Er kan dus niet worden aangenomen dat de notaris op dit punt klachtwaardig heeft gehandeld.

6.5.6.

De conclusie is dat klachtonderdeel 4 ongegrond is.

Maatregel

6.6.1.

De klachtonderdelen 2 en 3 (a) zijn gegrond bevonden. De gegrond verklaarde klachtonderdelen laten zien dat de notaris met betrekking tot het depot niet zorgvuldig jegens klager heeft gehandeld en daarbij klager financieel tekort heeft gedaan. Met name dat laatste rechtvaardigt het opleggen van de maatregel van berisping.

6.6.2.

Blijkens het beroepschrift verkeert klager in de veronderstelling dat de notaris de maatregel kan ontlopen doordat hem ontslag als notaris is verleend. Die veronderstelling is onjuist. Ingevolge het bepaalde in artikel 93 lid 2 Wna blijven oud-notarissen onderworpen aan het tuchtrecht voor zover het gaat om het handelen vóór hun defungeren. De opvatting van klager dat de kamer hem wezenlijke informatie heeft onthouden door hem niet van het ontslag in kennis te stellen, deelt het hof reeds daarom niet.

Slotsom

6.7.

De beslissing van de kamer kan niet in stand blijven voor zover klachtonderdeel 2 ongegrond is verklaard en klachtonderdeel 3 in zijn geheel gegrond is verklaard. Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beslissing in haar geheel vernietigen en een nieuwe beslissing geven.

6.8.

Hetgeen partijen verder nog naar voren gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.9.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 1;

- verklaart de klachtonderdelen 2 en 3(a) gegrond;

- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;

- legt de notaris de maatregel van berisping op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.J. Los, J.H. Lieber en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2016 door de rolraadsheer.