Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5099

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-10-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
23-005208-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepteelt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005208-15

datum uitspraak: 21 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 december 2015 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-706102-13 tegen de veroordeelde

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 119.586,38.

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 23 december 2015
- kort gezegd - veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 23 december 2015 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 49.553,24 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 oktober 2016 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 49.553,24 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof overweegt als volgt.

Aantal oogsten

Op grond van de bewezen verklaarde periode, te weten 7 oktober 2010 tot en met 09 september 2011 en de verklaring van de verdachte dat hij denkt dat er gedurende ongeveer een jaar is geteeld, gaat het hof ervan uit dat er (minstgenomen) 3 geslaagde oogsten hebben plaats gevonden, nu op het moment dat de hennepkwekerij werd aangetroffen de meeste planten volgroeid waren zodat de laatste cyclus geen voordeel heeft opgeleverd.

Aantal planten per vierkante meter

Het hof gaat in tegenstelling tot het rapport ‘Financieel onderzoek contra [verdachte]’ d.d. 25 februari 2013 uit van de standaardopbrengst per plant bij een oppervlakte van 18 vierkante meter, nu de ruimte waarin de hennepkwekerij zich bevond 18 vierkante meter bedroeg en er geen aanwijzingen zijn die erop wijzen dat de planten meer hebben opgebracht dan gemiddeld het geval is.

Energie

Nu met betrekking tot deze kosten door de raadsman een brief d.d. 31.03.2015 is overgelegd van [naam], gerechtsdeurwaarder, in welke brief onder meer melding wordt gemaakt van een afbetalingsregeling met betrekking tot de energiekosten die [bedrijf] de veroordeelde in rekening brengt vermeerderd met bijkomende kosten en de raadsman in zijn begeleidend schrijven d.d. 07.10.2016 onder punt 7 spreekt van een in rechte vastgestelde schuld aan [bedrijf], komt het hof tot de conclusie dat thans nog geen enkele (geheel of gedeeltelijke) betaling heeft plaatsgevonden en zal hij deze kostenpost buiten beschouwing laten. De veroordeelde kan zich t.z.t. op grond van de in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering voorzien procedure tot het hof wenden zodra de veroordeelde kan aantonen dat onderhavige vordering daadwerkelijk is voldaan.

Het voorgaande in acht genomen komt het hof komt op basis van het voornoemd rapport tot de volgende berekening:

Opbrengst

624 planten x 17,3 gram = 10.795,2 gram

10.795,2 gram x 3 oogsten = 32.385,60 gram

32.385,60 gram x € 3.28 = € 106.224,77

Kosten (3 oogsten)

Afschrijvingskosten (€ 400,- x 3) € 1.200,00

624 hennepstekken x € 2,85 (vaste kosten) x 3 € 5.335,20

624 planten x € 3,33 (variabele kosten) x 3 € 6.233,76

huur ruimte (€ 1.429,82 x 3) € 4.289,46

totaal € 17.058,42

Nu niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde de hennepkwekerij samen met een ander heeft gedreven en/of de opbrengst met (een) ander(en) heeft gedeeld, gaat het hof, anders dan politierechter, er van uit dat de veroordeelde als enige voordeel heeft genoten uit de hennepkwekerij.

Verplichting tot betaling aan de staat

Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 89.166,35.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 89.166,35 (negenentachtigduizend honderdzesenzestig euro en vijfendertig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 89.166,35 (negenentachtigduizend honderdzesenzestig euro en vijfendertig cent).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. P.C. Römer en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Prins, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 oktober 2016.

mr. Van Rijn is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

[...........]

.