Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5088

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
23-001711-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid(behulpzaam)aan diefstal

in/uit i.v. dmv braak, verbreking, inklim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001711-16

datum uitspraak: 25 november 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer
13-684081-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Ten aanzien van het door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt

dat sprake is geweest van medeplegen overweegt het hof als volgt. Het hof stelt vast dat de verdachte op verschillende momenten contact heeft gehad met de twee medeverdachten terwijl zij bij de auto stonden en dat hij op de uitkijk heeft gestaan terwijl de auto-inbraak plaats vond. Deze gedragingen

zijn naar het oordeel van het hof echter onvoldoende om te concluderen dat de verdachte een zodanig wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de auto-inbraak, dat van medeplegen sprake is geweest. Het hof is met de politierechter van oordeel dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op de uitkijk gestaan bij een auto-inbraak, die op klaarlichte dag op de openbare weg plaats vond. Dit is een ergerlijk feit, dat naast schade veel hinder veroorzaakt voor de gedupeerde en in het algemeen in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich geen moment bekommerd om de gevolgen van het delict. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 oktober 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten.

Gelet op de ernst van het feit alsmede de antecedenten van de verdachte, ziet het hof aanleiding om naast de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken, tevens twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van
mr. J.J. Prins, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
25 november 2016.

Mr. A.M.P. Geelhoed is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[........]