Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5035

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
23-000879-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mensenhandel: arbeidsuitbuiting van hulp in de huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000879-14

datum uitspraak: 16 november 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-708122-11 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

[adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
2 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, een of meer anderen te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door dwang en/of geweld en/ of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of door dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

(lid 1 sub 1)

en/of

die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

en/of

onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij en/of haar mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten

(lid 1 sub 4)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

(lid 1 sub 6)

immers heeft verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer van haar mededader(s)

ten aanzien van die [slachtoffer 1]

(terwijl zij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zonder geldige verblijfstitel in Nederland verbleef en/of de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was en/of geen (sociaal) netwerk had om op terug te vallen en/of geen relevante schoolopleiding had en/of niet kon beschikken over zelfstandige woonruimte en/of een legaal inkomen en/of in Nederland geen tot weinig andere bestaansmogelijkheden had)

- die [slachtoffer 1] (onder het voorwendsel dat zij die [slachtoffer 1] zou helpen bij het vinden van een opleiding en een baan hier te lande) naar Nederland laten komen en/of

- de reis van Brazilië naar Nederland voor die [slachtoffer 1] geregeld en/of betaald en/of

- die [slachtoffer 1] onderdak verschaft en/of onderdak voor die [slachtoffer 1] geregeld en/of

- die [slachtoffer 1] (gedurende vele uren per dag) (zwaar) (schoonmaak en/of huishoudelijk) werk laten verrichten in verdachtes woning en/of de woning van haar mededader en/of

- die [slachtoffer 1] geen danwel een (zeer) laag salaris betaald en/of slechts kost en inwoning verschaft en/of

- er voor zorg gedragen dat die [slachtoffer 1] niet vrijelijk kon beschikken over een eigen inkomen en/of

- het paspoort van die [slachtoffer 1] onder zich gehouden (omdat zij bang was dat die [slachtoffer 1] zou vluchten) en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) mishandeld door aan haar haren te trekken en/of haar met haar hoofd tegen de muur en/of een deur te slaan en/of met de vlakke hand en/of de vuist en/of met de steel van een (dweil)mop en/of met een aluminium bezemsteel en/of met (de punt van) een nagelvelletjestang en/of met een komkommer en/of met een waterkan, althans een had voorwerp en/of met een staafmixer en/of met een waterkoker tegen haar lichaam en/of haar hoofd te slaan en/of tegen haar lichaam te schoppen en/of met de punt van een paraplu in het gezicht en/of de rug te steken en/of

- ( kokend) heet water over de linker borst, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] gegooid/gegoten en/of

- na die [slachtoffer 1] met (kokend) heet water te hebben overgoten, die [slachtoffer 1] opgesloten in de woning van verdachte en/of de woning van haar mededader, waarna verdachte met vakantie is gegaan en/of

- een of meermalen het haar van die [slachtoffer 1] afgeknipt (omdat die [slachtoffer 1] haar werk niet goed genoeg deed) en/of

- die [slachtoffer 1] met een schaar in haar arm gestoken en/of

- zich zeer agressief tegen die [slachtoffer 1] gedragen en/of

- die [slachtoffer 1] zeven dagen per week laten werken en/of geen vakantiedagen gegeven en/of

- die [slachtoffer 1] op een vuilniszak op de grond laten slapen en/of

- die [slachtoffer 1] niet laten douchen in haar, verdachtes, huis, omdat zij, verdachte, vond dat zij vies was en/of

- die [slachtoffer 1] (meermalen) bedorven voedsel laten eten;

(terwijl dit feit lichamelijk letsel (te weten een brandwond op de borst) ten gevolge heeft gehad)

en/of

ten aanzien van die [slachtoffer 2]

(terwijl zij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] zonder geldige verblijfstitel in Nederland verbleef en/of de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig was en/of geen (sociaal) netwerk had om op terug te vallen en/of geen relevante schoolopleiding had en/of niet kon beschikken over zelfstandige woonruimte en/of een legaal inkomen en/of in Nederland geen tot weinig andere bestaansmogelijkheden had anders dan het werk en/of de huisvesting van verdachte en/of haar mededader(s) te aanvaarden)

- die [slachtoffer 2] (onder het voorwendsel dat zij die [slachtoffer 2] zou helpen bij het vinden van een opleiding en een baan hier te lande) naar Nederland laten komen en/of

- de reis van Brazilië naar Nederland voor die [slachtoffer 2] geregeld en/of betaald en/of

- die [slachtoffer 2] onderdak verschaft en/of onderdak voor die [slachtoffer 2] geregeld en/of

- die [slachtoffer 2] (gedurende vele uren per dag) (zwaar) (schoonmaak en/of huishoudelijk) werk laten verrichten in verdachtes woning en/of de woning van haar mededader en/of

- die [slachtoffer 2] geen danwel een (zeer) laag salaris betaald en/of slechts kost en inwoning verschaft en/of

- er voor zorg gedragen dat die [slachtoffer 2] niet vrijelijk kon beschikken over een eigen inkomen en/of

- het paspoort van die [slachtoffer 2] onder zich gehouden (omdat zij bang was dat die [slachtoffer 2] zou vluchten) en/of

- die [slachtoffer 2] (meermalen) mishandeld door haar tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen en/of haar aan haar haren over de vloer te trekken en/of met (de steel van) een (vloer)mop op/tegen het hoofd en/of de schouders te slaan en/of met een bus schoonmaakspray tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of met een stofzuigerslang tegen/op het hoofd te slaan en/of

- zich zeer agressief tegen die [slachtoffer 2] gedragen en/of

- die [slachtoffer 2] en/of haar familie in Brazilië bedreigd en/of

- die [slachtoffer 2] twee weken, althans één of meer weken lang geen althans zeer weinig te eten gegeven;


2.
zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer anderen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , die zich wederrechtelijk toegang tot en/of verblijf in Nederland had(den) verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat die toegang en/of dat verblijf wederrechtelijk was;


3.
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] een of meermalen

- met een paraplu, althans een voorwerp, in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen en/of

- met een schaar, althans een scherp voorwerp in de arm, althans in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of

- één of meermalen met een aluminium bezemsteel tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- met een komkommer tegen/op het hoofd heeft geslagen en/of

- met een waterkan, althans een hard voorwerp tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- met een staafmixer tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- met een waterkoker tegen het hoofd , althans het lichaam heeft geslagen en/of

- één of meermalen tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4
primair.
zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer brandwonden, heeft toegebracht, door met dat opzet (kokend) heet water over de (linker) schouder en/of borst, althans over het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] heen te gieten en/of te gooien;

4
subsidiair.
zij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) één of meermalen (kokend) heet water over haar borst heeft gegooid/gegoten, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten een brandwond op de borst), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


5.
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] een of meermalen

- aan de haren over de vloer heeft getrokken en/of gesleurd en/of

- met (de steel van) een (vloer)mop op/tegen haar hoofd en/of de schouders heeft geslagen en/of

- met een bus (schoonmaak)spray tegen het gezicht en/of het hoofd heeft geslagen en/of

- met een stofzuigerslang tegen/op het hoofd heeft geslagen en/of

- tegen de rechterachterkant van de billen, althans tegen het lichaam heeft geschopt (waardoor [slachtoffer 2] met haar hoofd tegen de rand van de wastafel is gevallen) en/of

- met de achterkant van haar hand tegen het hoof en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt,

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Geldigheid van de dagvaarding

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de dagvaarding (partieel) nietig dient te worden verklaard voor wat betreft het onder 3 en 5 ten laste gelegde en voor wat betreft het onder 1 ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] telkens onder het achtste gedachtestreepje ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is, nu de verschillende (impliciet cumulatief) ten laste gelegde mishandelingen – met uitzondering van het ten laste gelegde steken met een schaar in de arm van [slachtoffer 1] – niet in tijd te duiden zijn. Het is voor de verdediging daardoor niet mogelijk een specifiek verweer – bijvoorbeeld een alibiverweer – te voeren.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is, nu deze voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) daaraan stelt.

Overweging en oordeel van het hof

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van de verschillende ten laste gelegde mishandelingen voldoende specifiek is. Bedoelde onderdelen van de tenlastelegging betreffen verschillende specifiek omschreven mishandelingen gepleegd in de perioden dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de verdachte en de [medeverdachte] in huis woonden. Naar het oordeel van het hof is daarmee, mede gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt ten aanzien van deze ten laste gelegde feiten, voor de verdachte voldoende duidelijk tegen welke beschuldigingen zij zich heeft te verweren. Dat geldt eveneens voor het door de raadsman aangeduide onderdeel van het ten laste gelegde feit 1, nu de onder de achtste gedachtestreepjes omschreven verweten handelingen voldoende concreet zijn aangeduid. De dagvaarding voldoet derhalve aan de eisen die artikel
261 Sv daaraan stelt.

Bewijsverweren

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 1 laste gelegde, nu niet bewezen kan worden dat aangeefster [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door de verdachte zijn gedwongen in haar huishouding te (blijven) werken en daarin door haar zijn uitgebuit. De raadsman heeft voorts bepleit dat de verdachte eveneens van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar moeten worden geacht. De verklaringen zijn inconsistent, bevatten onwaarheden en worden op belangrijke punten tegengesproken door de verklaringen van andere in het dossier voorkomende personen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] eveneens onbetrouwbaar moeten worden geacht. Ook haar verklaringen zijn niet consistent en zijn steeds aangepast aan de informatie waarmee zij geconfronteerd werd. Bovendien worden de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door geen enkel objectief bewijsmiddel ondersteund.

Ten aanzien van de belastende verklaringen van de [medeverdachte] heeft de raadsman het volgende aangevoerd. [medeverdachte] heeft bij de politie weliswaar voor de verdachte belastende verklaringen afgelegd, maar hij heeft deze verklaringen bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg ingetrokken. Hij heeft hieromtrent uitdrukkelijk verklaard dat zijn verklaringen zoals afgelegd bij de politie onjuist zijn en dat die onjuistheid te wijten is aan de omstandigheid dat hij zijn verklaringen bij de politie onder grote druk en gebukt onder emoties heeft afgelegd. De belastende verklaringen van [medeverdachte] kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Indien deze verklaringen al bruikbaar zijn, zijn deze zo algemeen dat er geen ondersteuning aan kan worden ontleend voor de afzonderlijke verwijten van mishandeling.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde tezamen en in vereniging met de [medeverdachte] heeft begaan. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde bewezen zal verklaren.

Overwegingen en oordeel van het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Beoordelingskader

Aan de verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd mensenhandel, gepleegd in de periode 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011. Mensenhandel is thans en was in de ten laste gelegde periode strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 273f Sr (oud) en de jurisprudentie volgt dat mensenhandel – kort gezegd en voor zover van belang – inhoudt het bewegen – in ruime zin – van mensen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (bijvoorbeeld seksuele, maar ook andere) arbeid dan wel diensten. Mensenhandel is (gericht op) uitbuiting.

De in artikel 273f Sr (oud) verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die van artikel 273f Sr (oud) deel uitmaken.

Het in artikel 273f, eerste lid, (oud) Sr voorkomende bestanddeel ‘(oogmerk van) uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de (niet limitatieve) opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Deze bepaling doelt op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij, waarbij niet alleen moet worden gedacht aan een seksuele context, maar ook aan ‘tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken’. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

Het bestanddeel ‘een kwetsbare positie’ is in 2013 in de wet gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan” (artikel 273f, lid 6, Sr). Het hof is van oordeel dat aan voornoemd bestanddeel ook in de ten laste gelegde periode deze betekenis toekwam.

Met betrekking tot het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geldt dat misbruik kan worden verondersteld, indien de tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. Het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen en het niet hebben van een legale verblijfsstatus kunnen als dergelijke omstandigheden worden aangemerkt.

Uit de jurisprudentie valt voorts af te leiden dat tussen de begrippen ‘misbruik van een kwetsbare positie’ en ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geen essentieel verschil lijkt te bestaan.

Het hof benadrukt ten slotte dat het enkele aanwenden van voornoemde dwangmiddelen niet reeds uitbuiting oplevert, maar dat om (het oogmerk van) uitbuiting aan te nemen sprake moet zijn geweest van een ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid.

De betrouwbaarheid van de verklaringen

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 1] geloofwaardig. [slachtoffer 1] heeft immers zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg op hoofdpunten consistent verklaard. Haar verklaringen vinden bovendien in de kern en op wezenlijke punten niet alleen steun in de verklaringen van [slachtoffer 2] , maar ook, anders dan door de raadsman betoogd, in de verklaringen van de [medeverdachte] , [getuige 1] , [getuige 2] en in de op 20 september 2011 over haar opgemaakte letselverklaring. Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 2] evenzeer geloofwaardig. Haar verklaringen vinden niet alleen steun in de verklaringen van [slachtoffer 1] , maar ook in de verklaringen van de [medeverdachte] en de verklaring van de [getuige 3] .

Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De [medeverdachte] heeft, op 20 en 21 september 2011 gehoord door de politie, gedetailleerde verklaringen afgelegd over zowel zijn eigen handelen, als het handelen van de [verdachte] . Dat [medeverdachte] op het moment van afleggen van genoemde verklaringen onder emotionele druk stond, maakt de inhoud van zijn verklaringen niet onbetrouwbaar. Het is niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte] daardoor in essentie niet naar waarheid zou hebben verklaard. Dat hij later (deels) op zijn verklaringen bij de politie is teruggekomen, dan wel anders heeft verklaard, doet naar het oordeel van het hof evenmin af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen zoals afgelegd bij de politie. Deze verklaringen vinden bovendien op wezenlijke punten steun in de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl deze verklaringen voorts steun vinden in objectieve bewijsmiddelen. Het hof gaat dan ook uit van de verklaringen van de [medeverdachte] zoals bij de politie afgelegd.

Bewijsoverwegingen

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op verzoek van de verdachte respectievelijk in juni 2010 en in november 2010 naar Nederland gekomen, om bij de verdachte en haar partner, de [medeverdachte] , in de huishouding te werken. De vliegtickets van Brazilië naar Nederland zijn door [medeverdachte] geboekt en betaald. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben sinds hun aankomst in Nederland respectievelijk gedurende ongeveer vijftien maanden en gedurende ongeveer zes maanden met de verdachte, haar twee dochters en [medeverdachte] in het huis van [medeverdachte] in Amsterdam gewoond. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben in de tijd dat zij bij de verdachte en [medeverdachte] in huis woonden schoonmaakwerkzaamheden en huishoudelijke werkzaamheden verricht, zonder dat zij over een legale verblijfstitel beschikten. Zij werkten daar (in een deel van de periodes) zeven dagen per week van
’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, en soms tot midden in de nacht. Het hof acht derhalve bewezen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de ten laste gelegde periode voor de verdachte en [medeverdachte] hebben gewerkt. Zij hebben voor hun werkzaamheden geen, dan wel nauwelijks loon ontvangen. De verdachte en [medeverdachte] hebben hierdoor – zeker gezien de aard en duur van die werkzaamheden – (aanmerkelijk) economisch voordeel genoten. De verdachte bepaalde wanneer en hoe lang [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] moesten werken. Zij moesten net zo lang doorwerken tot zij tevreden was, en werden door haar mishandeld wanneer zij in haar ogen iets verkeerd hadden gedaan. [medeverdachte] was op de hoogte van de mishandelingen maar deed, wanneer hij dat zag of merkte, niets om hen te helpen. Voorts heeft [medeverdachte] de paspoorten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ingenomen en in een kluis gedaan, buiten bereik van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [medeverdachte] heeft hierover verklaard dat de paspoorten in de kluis werden opgeborgen, omdat hij en de verdachte bang waren dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden vluchten.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat zij misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op relatief jonge leeftijd en zonder geldige verblijfstitel naar Nederland gekomen, en ondergebracht in het huis waar de verdachte met haar dochters en [medeverdachte] verbleven. Zij waren de Nederlandse taal niet machtig, kenden de weg in Nederland niet en hadden geen beschikking over hun identiteitspapieren. Het is evident dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder de gegeven omstandigheden afhankelijk waren van de verdachte en de medeverdachte en dat zij geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze hadden dan het misbruik te ondergaan. Gelet op het feit dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (vrijwel) geen salaris ontvingen voor hun werkzaamheden en in verband met hun werkzaamheden mishandeld werden, verkeerden zij niet in een situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren.

Het hof stelt vast – anders dan de rechtbank – dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten samen met haar toenmalige partner, [medeverdachte] , heeft begaan.

Hoewel uit de verklaringen van [medeverdachte] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] duidelijk blijkt van ondergeschiktheid van [medeverdachte] ten opzichte van de verdachte, komt uit het hiervoor overwogene wel naar voren dat de rol van [medeverdachte] groter was dan het enkel niet stoppen of tegenhouden van voornoemd misbruik. [medeverdachte] was op de hoogte van de condities waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werkten. Hij heeft door zijn handelen en nalaten meegewerkt aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuitingssituatie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dat het initiatief tot het in huis nemen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de opdrachten die zij kregen niet van [medeverdachte] kwamen, doet hier niet aan af. Dat [medeverdachte] zelf geen geweld jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gebruikt, doet hier evenmin aan af.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] , gericht op de uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Overweging van het hof ten aanzien van het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde

Zoals hiervoor reeds overwogen acht het hof de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geloofwaardig. Hun verklaringen vinden voorts op wezenlijke punten steun in de verklaringen van de [medeverdachte] zoals afgelegd bij de politie en in andere bewijsmiddelen. Het hof acht ook het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Overweging van het hof ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en haar medeverdachte de twee vrouwen naar Nederland hebben laten komen om voor hen in de huishouding te werken, en voorts dat zij ook daadwerkelijk huishoudelijke werkzaamheden hebben verricht. Ook blijkt dat het de bedoeling was dat voor deze werkzaamheden zou worden betaald, en dat de vrouwen – ook als tegenprestatie – kost en inwoning ontvingen. Gelet op deze feitelijke verhoudingen tussen de vrouwen en de verdachte en haar medeverdachte stelt het hof dan ook vast dat sprake was van de situatie dat krachtens overeenkomst arbeid werd verricht. De verdachte en haar medeverdachte wisten, dan wel hadden ernstige redenen om te vermoeden, dat het verblijf van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in Nederland wederrechtelijk was. Het hof leidt dit af uit de verklaringen van de beide vrouwen, daarbij in aanmerking nemend dat het een feit van algemene bekendheid is dat onderdanen van Brazilië geen onbeperkt visumloos verblijf in Nederland toekomt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] door dwang en geweld en andere feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1]

en

die [slachtoffer 1] telkens met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

en

onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij en haar mededader wisten dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1]

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader

ten aanzien van die [slachtoffer 1]

terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat die [slachtoffer 1] zonder geldige verblijfstitel in Nederland verbleef en de Nederlandse taal niet machtig was en geen (sociaal) netwerk had om op terug te vallen en niet kon beschikken over zelfstandige woonruimte en een legaal inkomen en in Nederland geen tot weinig andere bestaansmogelijkheden had

- die [slachtoffer 1] naar Nederland laten komen en

- de reis van Brazilië naar Nederland voor die [slachtoffer 1] geregeld en betaald en

- die [slachtoffer 1] onderdak verschaft en

- die [slachtoffer 1] gedurende vele uren per dag schoonmaak- en huishoudelijk werk laten verrichten in de woning van haar mededader en

- die [slachtoffer 1] geen dan wel een zeer laag salaris betaald en/of slechts kost en inwoning verschaft en

- het paspoort van die [slachtoffer 1] onder zich gehouden, omdat zij bang was dat die [slachtoffer 1] zou vluchten en

- die [slachtoffer 1] meermalen mishandeld door aan haar haren te trekken en met de vlakke hand en de vuist en met de steel van een (dweil)mop of met een aluminium bezemsteel en met een staafmixer en met een waterkoker tegen haar hoofd te slaan en tegen haar lichaam te schoppen en met de punt van een paraplu in het gezicht en de rug te steken en

- ( kokend) heet water over de linker borst van die [slachtoffer 1] gegoten en

- na die [slachtoffer 1] met kokend heet water te hebben overgoten, die [slachtoffer 1] opgesloten in de woning van haar mededader, waarna verdachte met vakantie is gegaan en

- meermalen het haar van die [slachtoffer 1] afgeknipt, omdat die [slachtoffer 1] haar werk niet goed genoeg deed en

- die [slachtoffer 1] met een schaar in haar arm gestoken en

- zich agressief tegen die [slachtoffer 1] gedragen en

- die [slachtoffer 1] zeven dagen per week laten werken en

- die [slachtoffer 1] op een vuilniszak op de grond laten slapen en

- die [slachtoffer 1] bedorven voedsel laten eten;

terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een brandwond op de borst ten gevolge heeft gehad

en

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 10 mei 2011 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 2] door dwang en geweld en andere feitelijkheden en door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2]

en

die [slachtoffer 2] telkens met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

en

onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij en haar mededaders wisten dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2]

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader

ten aanzien van die [slachtoffer 2]

terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat die [slachtoffer 2] zonder geldige verblijfstitel in Nederland verbleef en de Nederlandse taal niet machtig was en geen (sociaal) netwerk had om op terug te vallen en niet kon beschikken over zelfstandige woonruimte en een legaal inkomen en in Nederland geen tot weinig andere bestaansmogelijkheden had

- die [slachtoffer 2] (onder het voorwendsel dat zij die [slachtoffer 2] zou helpen bij het vinden van een opleiding en een baan hier te lande) naar Nederland laten komen en

- de reis van Brazilië naar Nederland voor die [slachtoffer 2] geregeld en betaald en

- die [slachtoffer 2] onderdak verschaft en

- die [slachtoffer 2] gedurende vele uren per dag schoonmaak- en huishoudelijk werk laten verrichten in de woning van haar mededader en

- die [slachtoffer 2] geen dan wel een zeer laag salaris betaald en/of slechts kost en inwoning verschaft en

- het paspoort van die [slachtoffer 2] onder zich gehouden, omdat zij bang was dat die [slachtoffer 2] zou vluchten en

- die [slachtoffer 2] meermalen mishandeld door haar tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en te schoppen en haar aan haar haren te trekken en met de steel van een mop tegen het hoofd en/of de schouders te slaan en met een bus schoonmaakspray tegen het hoofd te slaan en

- zich agressief tegen die [slachtoffer 2] gedragen en

- die [slachtoffer 2] één of meer weken lang geen althans zeer weinig te eten gegeven.


2.
zij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , die zich wederrechtelijk verblijf in Nederland hadden verschaft, krachtens overeenkomst arbeid heeft doen verrichten, terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten, althans ernstige redenen hadden om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was.


3.
zij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1]

- met een paraplu in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft geslagen en

- met een schaar in de arm heeft gestoken en

- meermalen met een aluminium bezemsteel tegen/op het hoofd en het lichaam heeft geslagen en

- met een staafmixer tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en

- met een waterkoker tegen het hoofd heeft geslagen en

- meermalen tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

4
primair.
zij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 19 september 2011 te Amsterdam, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een brandwond, heeft toegebracht, door met dat opzet (kokend) heet water over de (linker) borst van voornoemde [slachtoffer 1] heen te gieten.

5.
zij in de periode van 14 november 2010 tot en met 10 mei 2011 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2]

- aan de haren heeft getrokken en

- met de steel van een mop op/tegen haar hoofd en de schouders heeft geslagen en

- met een bus (schoonmaak)spray tegen het hoofd heeft geslagen en

- tegen de rechterachterkant van de billen heeft geschopt (waardoor [slachtoffer 2] tegen de rand van de wastafel is gevallen) en

- met de achterkant van haar hand tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en

- tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en geschopt,

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

en

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een ander, die zich wederrechtelijk verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst arbeid doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 primair en
5 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met haar toenmalige partner schuldig gemaakt aan mensenhandel. Daarvan zijn twee jonge vrouwen het slachtoffer geworden. De verdachte en haar partner hebben de vrouwen vanuit Brazilië naar Nederland laten komen en hen maandenlang voor hen in de huishouding laten werken. De verdachte heeft de beide vrouwen (bijna) alle dagen van de week, gedurende een zeer groot aantal uren – zonder enige betaling – laten werken. Zij mishandelde de vrouwen op allerlei manieren wanneer iets haar niet zinde. De verdachte heeft de vrouwen zo nu en dan op een vuilniszak op de grond laten slapen. Het eerste slachtoffer, [slachtoffer 1] , heeft zich ongeveer vijftien maanden in deze situatie bevonden. De verdachte heeft haar voorts bedorven voedsel laten eten en met heet water overgoten. Door laatstgenoemd handelen van de verdachte heeft [slachtoffer 1] een brandwond opgelopen, welke een blijvend litteken heeft veroorzaakt. Direct daarna heeft de verdachte haar zonder medische hulp opgesloten in de woning, terwijl zij met haar gezin op vakantie is gegaan. Het tweede slachtoffer, [slachtoffer 2] , is ongeveer zes maanden op bovengenoemde manier uitgebuit. De verdachte heeft haar voorts gedurende een langere periode helemaal niet te eten gegeven.

Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte, gebruikmakend van het overwicht dat zij had op de nog jonge slachtoffers die uit het buitenland afkomstig waren en de Nederlandse taal niet spraken, misbruik gemaakt van hun kwetsbare situatie. Zij heeft daarbij op indringende wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit en voorts op de vrijheid die zij zouden moeten hebben om hun eigen leven vorm te geven. De verdachte heeft de belangen van de slachtoffers bij het behoud van hun waardigheid en zelfbeschikkingsrecht volledig ondergeschikt gemaakt aan haar zucht naar macht en financieel gewin.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2016 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de mens en de Fundamentele vrijheden is geschonden. De redelijke termijn is aangevangen op de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld, te weten 19 september 2011. Deze beslissing in hoger beroep wordt gegeven op16 november 2016. De procedure in eerste aanleg en in hoger beroep heeft derhalve ruim vijf jaar geduurd. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is deze periode met vijftien maanden overschreden.

Naar het oordeel van het hof zijn de door de verdachte gepleegde feiten van dien aard en ernst dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren (48 maanden) daaraan in beginsel recht doet. Daarbij heeft het hof voorts acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen door rechters zijn opgelegd. Gelet op de geconstateerde termijnoverschrijding zal deze straf echter worden gematigd tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 32.233,35, bestaande uit € 22.233,35 aan materiële schade (gederfde inkomsten en kosten voor het opvragen van medische gegevens) en € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 29.733,35, bestaande uit € 22.233,35 aan materiële schade en € 7.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel wordt toegewezen.

Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof dat op grond van het onder 1 bewezen verklaarde vast staat dat de benadeelde partij werkzaamheden heeft verricht voor de verdachte en haar mededader. Gebleken is dat de benadeelde partij daarvoor vrijwel geen vergoeding heeft ontvangen. Uit de verschillende verklaringen in het dossier blijkt dat de verdachte bepaalde periodes niet voor de verdachte en haar mededader heeft gewerkt en dat zij buitenshuis voor een andere werkgever heeft gewerkt. De benadeelde partij heeft hierover niet eenduidig verklaard, zodat niet kan worden vastgesteld hoeveel uren de benadeelde partij voor de verdachte heeft gewerkt. Een andere complicerende factor betreft het feit dat de benadeelde partij als illegaal in Nederland verblijvend werkzaamheden heeft verricht, waardoor het wettelijk bepaalde minimumloon niet als uitgangspunt kan gelden.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de omvang van de materiële schade moeilijk is vast te stellen. Gelet op de bewezen verklaarde periode schat het hof dat de materiële schade in ieder geval kan worden begroot op een bedrag van € 10.000,00. Voor het overige is het hof van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van de vordering van de benadeelde partij betreffende de materiële schade nader onderzoek vergt en mitsdien een zodanige onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, dat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de immateriële schade is het hof van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade toewijsbaar is. Het gegeven dat de benadeelde partij gedurende een periode van in totaal 15 maanden onder omstandigheden die hiervoor uitvoerig aan de orde zijn geweest door de verdachte is uitgebuit, brengt mee dat immateriële schade daarvan het rechtstreekse gevolg is. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 10.000,00 redelijk en billijk en zal de vordering daarom op dit onderdeel toewijzen.

Beide bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 19.559,64, bestaande uit € 11.059,64 aan materiële schade (gederfde inkomsten) en € 8.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.059.64, bestaande uit € 11.059,64 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel wordt toegewezen.

Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof dat op grond van het onder 1 bewezen verklaarde vast staat dat de benadeelde partij werkzaamheden heeft verricht voor de verdachte. Gebleken is dat de benadeelde partij daarvoor vrijwel geen vergoeding heeft ontvangen. Uit de verschillende verklaringen in het dossier blijkt dat de benadeelde partij veelvuldig buitenshuis voor andere werkgevers heeft gewerkt. De benadeelde partij heeft hierover niet eenduidig verklaard, zodat niet kan worden vastgesteld hoeveel uren de benadeelde partij voor de verdachte heeft gewerkt. Een andere complicerende factor betreft het feit dat de benadeelde partij als illegaal in Nederland verblijvend werkzaamheden heeft verricht, waardoor het uit de CAO-schoonmaak volgend minimumloon niet als uitgangspunt kan gelden.

Gelet op bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de omvang van de materiële schade moeilijk is vast te stellen. Gelet op de bewezen verklaarde periode schat het hof dat de materiële schade in ieder geval kan worden begroot op een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige is het hof van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van de vordering van de benadeelde partij betreffende de materiële schade nader onderzoek vergt en mitsdien een zodanige onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, dat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het gegeven dat de benadeelde partij gedurende een periode van in totaal zes maanden onder omstandigheden die hiervoor uitvoerig aan de orde zijn geweest door de verdachte is uitgebuit, brengt mee dat immateriële schade daarvan het rechtstreekse gevolg is. Het hof acht het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 5.000,00 redelijk en billijk en zal de vordering daarom op dit onderdeel toewijzen.

Beide bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 197b, 273f, 300 en 302 Sr.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1, 3 en 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) bestaande uit
€ 10.000,00 (tienduizend euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals haar mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormelde toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 19 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1, 3, en 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) bestaande uit € 10.000,00 (tienduizend euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 19 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) bestaande uit
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormelde toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 en 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) bestaande uit € 5.000,00 (vijfduizend euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormelde bedragen heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. H.A. van Eijk en mr. M. Lolkema,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 november 2016.