Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:5016

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
28-11-2016
Zaaknummer
R 001239-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 591a Sv, niet-ontvankelijkheid verzoeker ivm zaaksbegrip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: R 001239-15 (591a Sv)

Parketnummer in hoger beroep: 23-005329-12

Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. [naam 1],

[adres].

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van de forfaitaire vergoeding ten behoeve van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het gelijktijdig ingediende verzoekschrift op de voet van artikel 89 Sv.

2 Procesverloop

De voorzitter heeft kennisgenomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en van het onderhavige verzoekschrift, alsmede van het standpunt van de advocaat-generaal betreffende dit verzoek.

De voorzitter heeft op 17 februari 2016 de advocaat-generaal, verzoeker en mr. [naam 2] namens de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de verzoeker.

3 Beoordeling van het verzoek

De verzoeker is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 4 december 2012 vrijgesproken van het hem onder 6 ten laste gelegde en veroordeeld voor de andere hem ten laste gelegde feiten. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 september 2014 is de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen het onder 6 ten laste gelegde. De verzoeker is vrijgesproken van het hem onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde en veroordeeld voor het onder 5 ten laste gelegde (handelen in strijd met artikel 26 eerste lid Wet Wapens en Munitie) tot een gevangenisstraf voor de duur van een week. Op 11 mei 2015 is het door het openbaar ministerie ingestelde beroep in cassatie ingetrokken. Namens de verzoeker is op 4 augustus 2015 een verzoekschrift ingediend.

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.

De strafzaak met voormeld parketnummer is niet geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel, of zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Evenmin is de zaak geëindigd met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat tussen de feiten waarvoor de verzoeker in voorlopige hechtenis heeft gezeten en is vrijgesproken en de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het stroomstootwapen geen relevante samenhang bestaat. Het zou tot een onredelijke en onaanvaardbare uitkomst leiden als de verzoeker geen aanspraak meer zou kunnen maken op een vergoeding voor door hem ondergane onrechtmatige detentie.

De voorzitter overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie dient in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, onder “zaak” als bedoeld in artikel 258, eerste lid, Sv te worden verstaan “al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had”. De inleidende dagvaarding bepaalt de grenzen van het rechtsgeding met dien verstande dat deze grenzen nader kunnen worden bepaald door wijziging van de tenlastelegging op de voet van de artikelen 313-315a Sv of door voeging op de voet van artikel 285 Sv waardoor twee oorspronkelijke zaken één zaak worden in de zin van laatstgenoemd artikel. De term “zaak” in de zin van 591a Sv heeft, nu er sprake is geweest van een onderzoek ter terechtzitting, dezelfde betekenis als in artikel 258, eerste lid, Sv.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen bestaat er geen ruimte het tenlastegelegde feit waarvoor verzoeker is veroordeeld en die waarvan hij is vrijgesproken, als afzonderlijke zaken als bedoeld in artikel 591a Sv te beschouwen.

Gelet hierop en op het feit dat het hier om vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat, is verzoeker ook in het verzoek om vergoeding van de kosten ten behoeve van het opstellen en indienen van het gelijktijdig ingediende verzoekschrift op de voet van artikel 89 Sv ten bedrage van de geldende standaardbedragen, niet-ontvankelijk.

4 Beslissing

De voorzitter:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de voorzitter van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, mr. M.J.G.B. Heutink, in tegenwoordigheid van mr. K.D.M. de Lange als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 9 maart 2016.