Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4953

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
R 001569-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen beslissing ex artikel 591a Sv. Toekenning forfaitaire vergoeding en verrekening ex artikel 90, derde lid Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: R 001569-15/ (591a Sv HB)

Parketnummer: 13/659235-15

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 28 september 2015 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1962

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. I. Appel,

Sophialaan 33, 1075 BL Amsterdam.

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van kosten ten behoeve van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoekschrift ten bedrage van € 280,00 (zonder mondelinge behandeling) dan wel € 550,00 (met mondelinge behandeling), zijnde de geldende standaardbedragen.

2 Procesverloop

De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 28 september 2015 het verzoek toegewezen. Voorts heeft de rechtbank op grond van artikel 90, derde lid, Sv beslist tot verrekening met – kort gezegd - geldboeten en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen van verzoeker.

Het hoger beroep is ingesteld namens verzoeker (hierna appellant).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 10 februari 2016 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.

De advocaat van appellant heeft het beroep aan de hand van zijn pleitnotitie in raadkamer toegelicht en namens appellant aangevoerd het niet eens te zijn met de beslissing tot verrekening van de toegekende vergoeding op grond van artikel 591a Sv. Voorts heeft de advocaat naar voren gebracht zich te kunnen vinden in de beslissing van de rechtbank voor zover het de beslissing op het verzoek ex artikel 89 Sv betreft, ook met betrekking tot de verrekening.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking waarvan beroep, in die zin dat het verzoek ex artikel 591a Sv voor toewijzing in aanmerking komt en dient te worden verrekend met de op het CJIB-overzicht openstaande zaken.

3 Beoordeling van het verzoek

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof ziet noch in de tekst van de wet, noch in de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 89, 90, 591 en 591a Sv een beletsel voor de door de officier van Justitie gevraagde en door de rechtbank toegewezen verrekening van de vergoeding van de kosten van de raadsman als bedoeld in het tweede lid van artikel 591a Sv.

Het hof constateert dat het vierde lid van artikel 591a Sv – dat het gehele artikel 90 Sv van overeenkomstige toepassing verklaart – al lang voordat de verrekening in het derde lid van artikel 90 Sv werd toegevoegd van kracht was. Bij de invoering van het huidige derde lid van artikel 90 Sv heeft de wetgever op geen enkele manier iets geuit dat opgevat zou kunnen worden als de wens om de vergoeding voor de kosten van een raadsman uit te zonderen van de nieuw in te voeren verrekeningsmogelijkheid. In zoverre biedt de wetsgeschiedenis dus geen aanknopingspunten voor de door de raadsman voorgestane visie.

Een zodanig aanknopingspunt ziet het hof evenmin in de omstandigheid dat het tweede lid van artikel 591a Sv enerzijds spreekt over vergoeding van “schade” ten gevolge van tijdverzuim en anderzijds van vergoeding voor de “kosten” van een raadsman, terwijl het derde lid van artikel 90 Sv alleen spreekt over een “schadevergoeding”. De wetgever stelt immers evenzeer in de laatste zin van het tweede lid van artikel 591a Sv dat een vergoeding voor “deze kosten” voorts kan worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. Nergens blijkt uit – en dit artikellid is ook nooit zodanig uitgelegd – dat de wetgever het hier alleen over de kosten van de raadsman heeft en niet over de schade ten gevolge van tijdverzuim. Het hof houdt het er daarom voor dat de termen “kosten” en “schade” hier door elkaar worden gebruikt, zonder dat hiermee is bedoeld een juridisch relevant verschil aan te geven.

De vergoeding wordt – anders dan bijvoorbeeld de vergoeding op toevoeging – in overeenstemming met de wettelijke regeling op het verzoek van de gewezen verdachte aan hem toegekend en wordt ook door het hof aan de gewezen verdachte en niet aan de raadsman uitbetaald.

Ter zake van het opstellen en indienen in eerste aanleg en het in hoger beroep in raadkamer toelichten van het verzoekschrift zijn gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van € 560,00, zijnde de geldende standaardbedrag.

Het hof zal het bedrag van € 560,00, ingevolge het bepaalde in artikel 90, derde lid, Sv, verrekenen met door appellant aan de Staat (CJIB) verschuldigde bedragen. Het hof gaat hierbij uit van de juistheid van het CJIB-overzicht openstaande zaken van 25 januari 2016. Ten overvloede overweegt het hof dat aangenomen mag worden dat, mocht het verschuldigde bedrag inmiddels zijn betaald, het CJIB het (teveel) betaalde bedrag zal terugstorten op de rekening van appellant.

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2015 ter zake de gevraagde vergoeding op de voet van artikel 591a Sv.

Kent uit ’s Rijks kas aan appellant een vergoeding toe van € 560,00 (vijfhonderdzestig euro).

Bepaalt de verrekening van € 560,00 met de hierna te noemen strafbeschikkingen, voor zover nog geen verrekening heeft plaatsgevonden met de gevraagde vergoeding op de voet van artikel 89 Sv:

CJIBnr bedrag

1132542001855980 € 37,00

1132542001992571 € 193,00

1132542002416657 € 147,00

1132542002423821 € 112,00

1132542002428287 € 71,00

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. M.J.G.B. Heutink, H.W.J. de Groot en N.N. Kirkels-Vrijman, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Borg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 2 maart 2016

De voorzitter beveelt:

  • -

    de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 37,00 (zevenendertig euro) door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van het CJIB, onder vermelding van 1132542001855980;

  • -

    de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 193,00 (honderd drieënnegentig euro) door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van het CJIB, onder vermelding van 1132542001992571;

  • -

    de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 147,00 (honderdzevenenveertig euro) door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van het CJIB, onder vermelding van 1132542002416657;

  • -

    de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 112,00 (honderdtwaalf euro) door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van het CJIB, onder vermelding van 1132542002423821;

  • -

    de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 71,00 (eenenzeventig euro) door overmaking van dit bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van het CJIB, onder vermelding van 1132542002428287.

Amsterdam, 2 maart 2016.

Mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter.