Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4857

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
15/00787
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM; Belgische lease auto; naheffingsaanslag in strijd met Unierecht?; tijdsevenredige vermindering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2621
V-N 2017/9.29.2
FutD 2016-2972
NTFR 2017/337 met annotatie van mr. P.A.M. Breekpot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 15/00787

24 november 2016

uitspraak van de meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. I.K. Kolev

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 14/3126 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 12 maart 2013 een

naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 13.245. Tevens is bij beschikking een boete van € 6.622 opgelegd.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar,

gedagtekend 11 juli 2014, de aanslag en de boete gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank

heeft bij uitspraak van 11 september 2015 als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover deze betrekking heeft op de boete;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.468;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19

oktober 2015, aangevuld bij brief van 12 november 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 4 november 2016 nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Van het

verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’.

“Eiser is Nederlands ingezetene. Hij heeft voor de periode 31 augustus 2010 tot en met 30 augustus 2014 een in België geregistreerde auto geleased.

Op 11 mei 2012 is eiser staande gehouden door een medewerker van de Belastingdienst op de [weg] te [plaats] . Blijkens het formulier Melding Controle Autoheffingen is vastgesteld dat eiser in de auto met het Belgische kenteken [kenteken] (hierna: de auto) gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland. Bij brief van 14 juni 2012 heeft verweerder eiser verzocht gegevens te overleggen om te kunnen nagaan of en in hoeverre eiser BPM en/of motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. Bij brief van 23 juli 2012 is eiser nogmaals verzocht om gegevens te overleggen. In verband met het uitblijven van een reactie van eiser heeft verweerder bij brief van 26 september 2012 een informatiebeschikking aan eiser gezonden. Bij brief van 23 januari 2013 is aan eiser een kennisgeving naheffingsaanslag BPM en vergrijpboete verzonden. Vervolgens heeft verweerder de naheffingsaanslag en de vergrijpboete opgelegd.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat deze in strijd met het Unierecht is opgelegd. Subsidiair betoogt belanghebbende dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd, omdat ten onrechte uitgegaan is van een gebruiksperiode in Nederland van vier jaren. De inspecteur heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“In artikel 1, zesde lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tekst 2011, hierna: de Wet BPM) is bepaald:

“Ingeval een niet geregistreerde personenauto, een niet geregistreerd motorrijwiel of een niet geregistreerde bestelauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, is de belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.”

Ingevolge artikel 6, tweede lid, onderdeel a, ten derde, van de Wet BPM moet de belasting die op grond van de voorgaande bepaling is verschuldigd, worden betaald vóór de aanvang van het gebruik van de weg.

Het HvJ heeft bij beschikking van 27 juni 2006, nr. C-242/05, ECLI:EU:C:2006:430 (Van de Coevering), voor recht verklaard:

“De artikelen 49 EG tot en met 55 EG verzetten zich tegen een nationale regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan van een in die lidstaat wonende natuurlijke persoon die een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig huurt, bij de aanvang van het gebruik van deze auto op de weg van de eerstgenoemde lidstaat voldoening van de volle registratiebelasting wordt gevorderd, zonder dat rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van dat wegennet en zonder dat de betrokkene aanspraak kan maken op vrijstelling of teruggaaf, wanneer die auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat en daar ook niet feitelijk duurzaam wordt gebruikt.”

Het HvJ heeft bij beschikking van 22 mei 2008, nr. C-42/08, ECLI:NL:XX:2008:BD8620, voor recht verklaard:

“De artikelen 49 EG tot en met 55 EG verzetten zich tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding, krachtens welke een in een lidstaat woonachtige of gevestigde persoon die een in een andere lidstaat geregistreerde en gehuurde auto hoofdzakelijk in eerstgenoemde lidstaat gebruikt, verplicht is om ter zake van de aanvang van het gebruik met dit voertuig van de weg van eerstbedoelde lidstaat een belasting te betalen waarvan het bedrag wordt berekend zonder rekening te houden met de duur van de huurovereenkomst van het betrokken voertuig of met het gebruik met dit voertuig van voornoemd wegennet.”

De Hoge Raad heeft vervolgens in zijn arrest van 14 november 2008, nr. 40579bis, ECLI:NL:HR:2008:BG4211, onder meer overwogen:

“(…) Gelet op hetgeen het Hof van Justitie voor recht heeft verklaard (…) verzetten in een situatie als de onderhavige waarin een auto met een buitenlands kenteken wordt verhuurd door een inwoner van een andere lidstaat van de EG, de artikelen 43 EG tot en met 55 EG zich tegen deze heffing omdat bij de berekening van de belasting geen rekening is gehouden met de duur van de hiervoor in 2.3 vermelde huurovereenkomst of het gebruik met de auto van het wegennet in Nederland.(…)”

Voorts heeft de Hoge Raad in dat arrest overwogen dat sprake is van een aan de Wet BPM klevend gebrek dat niet kan worden hersteld binnen het stelsel van die wet aangezien dat stelsel is gebaseerd op heffing van BPM naar rato van de waarde van de personenauto of het motorrijwiel.

In artikel 14a, tweede lid, van de Wet BPM is bepaald dat indien een motorrijtuig niet langer feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam en het motorrijtuig buiten Nederland is gebracht, teruggaaf van BPM wordt verleend (teruggaafregeling). Op 29 september 2010 heeft het HvJ (C-91/10, ECLI:NL:XX:2010:BO5179) geoordeeld dat de heffing van BPM ondanks de teruggaafregeling van artikel 14a van de Wet BPM nog steeds een belemmering vormt voor het vrij verkeer van diensten. Het Hof heeft daartoe overwogen:

“ Daarom moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 49 EG tot en met 55 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als die aan de orde in het hoofdgeding, krachtens welke een in een lidstaat woonachtige of gevestigde persoon die in deze lidstaat een in een andere lidstaat geregistreerd en gehuurd voertuig gebruikt, verplicht is om ter zake van de aanvang van het gebruik met dit voertuig van de weg van eerstbedoelde lidstaat de volledige belasting te betalen waarvan het restbedrag, dat wordt berekend aan de hand van de gebruiksduur van dit voertuig op dit wegennet, na einde van het gebruik zonder rente wordt terugbetaald.”

Naar aanleiding van bovengenoemde beschikking van het HvJ EU heeft de staatssecretaris van Financiën op 14 december 2010 (DGB2010/7686M, Stcrt. 2010, 20502) de volgende goedkeuring gepubliceerd:

“(…) Het Hof van Justitie Luxemburg heeft bij beschikking van 29 september 2010, nr. C-91/10, verklaard dat bij de berekening van de verschuldigde belasting voor een in een andere lidstaat geregistreerd en gehuurd voertuig rekening moet worden gehouden met de gebruiksduur van het Nederlandse wegennet. Daarom keur ik het volgende goed vooruitlopend op wijziging van de wettelijke bepalingen.

Goedkeuring

Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat er voor aanvang van het weggebruik in Nederland met een voor een bepaalde periode in een ander land gehuurd of geleased motorrijtuig bij de aangifte BPM direct een verzoek om teruggaaf bij export kan worden ingediend. Het verschil tussen de verschuldigde en de terug te ontvangen BPM worden met elkaar verrekend. Dit betekent dat alleen het saldo daadwerkelijk hoeft te worden betaald.

( …)”.

De rechtbank is van oordeel dat uit de beschikking in de zaak Van de Coevering voortvloeit dat heffing van BPM bij duurzaam gebruik van de weg in Nederland geen strijd oplevert met het Unierecht. De rechtbank is van oordeel dat de auto in augustus 2010 is aangeschaft met het oog op duurzaam gebruik in Nederland. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat tijdens de zitting is bevestigd dat het kenteken van de auto het persoonlijke kenteken van eiser is en dat de auto voor een behoorlijke tijdsduur (bij aanvang ingeschat op vier jaar) is geleased. Niet in geschil is dat eiser in de loop der jaren meerdere auto’s met hetzelfde persoonlijke, Belgische kenteken heeft geleased, telkens voor een periode van een aantal jaren. Dit leidt tot de slotsom dat verweerder de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd.

Voor een teruggaaf van BPM voor de periode van na de wederuitvoer van de auto dient eiser een apart verzoek in te dienen.

Hetgeen eiser heeft opgemerkt over het Unierecht, in het bijzonder de verwijzing naar het arrest van het HvJ van 19 december 2012, doet aan het voorgaande niet af. Het toetsingskader dat in laatstgenoemd arrest wordt beschreven, is gelet op de jurisprudentie van het HvJ over de BPM en dergelijke (auto)belastingen niet van toepassing. Indien de auto duurzaam in Nederland wordt gebruikt, mag BPM worden geheven.

De rechtbank ziet wel aanleiding om de vergrijpboete te vernietigen. Eiser is in de afgelopen jaren diverse malen met een auto met het Belgische kenteken [kenteken] in Nederland op de weg gesignaleerd. Aan eiser is op 14 april 2006 een “Informatieformulier buitenlandse kentekens” uitgereikt. Daarna is eiser nog twee keer op de weg gesignaleerd, voorafgaand aan de constatering van 11 mei 2012. Tussen partijen is niet in geschil dat een eerder aan eiser opgelegde naheffingsaanslag en vergrijpboete na bezwaar zijn vernietigd. Verweerder heeft desgevraagd geen verklaring hiervoor kunnen geven. Gelet op de vernietiging van de eerder opgelegde naheffingsaanslag en boete is de rechtbank van oordeel dat eiser mocht menen een pleitbaar standpunt in te nemen, mede gelet op de in deze uitspraak aangehaalde jurisprudentie.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Het Hof stelt voorop dat het lidstaten van de Europese Unie, ook na voltooiing van de interne markt, is toegestaan om belastingen te heffen op andere producten dan (geharmoniseerde) accijnsgoederen, op voorwaarde dat de heffing van dergelijke belastingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geeft tot formaliteiten in verband met het overschrijden van een grens (artikel 1, derde lid, van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad). De BPM voldoet aan deze voorwaarde, zo volgt uit het arrest Hoge Raad 18 maart 1998, 32 627, BNB 1998/134, waarin werd overwogen:

"Tot de ter zake van de op de voet van het bepaalde in artikel 1, lid 4, [Hof: thans lid 6] van de Wet verschuldigde belasting te verrichten formaliteiten behoren, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, geen formaliteiten die rechtstreeks verband houden met het overschrijden van een grens als bedoeld in genoemde artikelleden."

5.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn door de rechtbank verworpen stelling herhaald dat heffing van BPM over een lease-auto die is geregistreerd in een andere lidstaat, niet verenigbaar is met artikel 56 VWEU (vrij verkeer van diensten). Het Hof verwerpt deze stelling. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het een lidstaat is toegestaan een belasting te heffen over een in een andere lidstaat geregistreerd en gehuurd motorvoertuig ter zake van het gebruik ervan door een in eerstgenoemde lidstaat gevestigde of woonachtige persoon, wanneer dit voertuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt (vgl. HvJ EU 22 mei 2008, C‑42/08, Ilhan, punt 18, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Wel brengt het evenredigheidsbeginsel met zich dat de belastingheffing evenredig dient te zijn aan de duur van het gebruik van de auto op het Nederlandse grondgebied, zodat discriminatie bij de afschrijving van deze belasting ten nadele van in andere lidstaten gevestigde autoleasebedrijven wordt voorkomen (vgl. arrest Ilhan, punten 19 en 22). Aan deze voorwaarde is in casu voldaan, nu de inspecteur een naheffingsaanslag heeft opgelegd berekend naar een gebruiksduur in Nederland van vier jaar, conform de duur van het door belanghebbende afgesloten lease-contract. Hieraan doet niet af dat genoemde tijdsevenredige heffing aanvankelijk was gebaseerd op een beleidsbesluit (Staatssecretaris van Financiën 14 december 2010, DGB2010/7686M, Stcrt. 2010, 20502) en eerst met ingang van 1 januari 2012 in artikel 14b van de Wet BPM is opgenomen. Het hoger beroep van belanghebbende faalt in zoverre.

5.3.

Het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ EU 19 december 2012, C-577/10, Europese Commissie/België, voert niet tot een andere oordeel, nu dit arrest betrekking heeft op registratieverplichtingen voor dienstverleners uit andere EU-lidstaten die diensten verrichten in België; het Hof acht die situatie onvergelijkbaar met de onderhavige. De enkele omstandigheid dat voor het op aangifte voldoen van BPM voor lease-auto uit een andere lidstaat een formulier dient te worden ingevuld, maakt niet dat de heffing van BPM in strijd is met het vrije verkeer van diensten, nog daargelaten dat ook voor een ‘Nederlandse’ lease-auto op enig moment BPM op aangifte is voldaan, voor welke aangifte grotendeels dezelfde gegevens moeten worden ingevuld, zodat in zoverre geen onderscheid bestaat tussen een ‘Nederlandse’ lease-auto en een lease-auto uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Zo er al een relevant verschil zou bestaan tussen de wijze van aangifte voor een ‘Nederlandse’ lease-auto en de onderhavige ‘Belgische’ auto, correspondeert dat verschil met het feitelijke en juridische verschil dat bestaat tussen deze situaties. Een ongelijke behandeling van gelijke gevallen doet zich niet voor.

5.4.

Partijen hebben zich ter zitting eenparig op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag met € 3.984 dient te worden verminderd. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

Slotsom

5.5.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

6 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 1 (hogerberoepschrift) x € 496 x 1 (wegingsfactor) = € 496.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens het oordeel omtrent de boete, de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 9.261;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 496;

  • -

    gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 248 (hoger beroep bij het Hof) te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en

W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 24 november 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.