Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4676

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
23-002293-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot oplichting. Bevestiging van vonnis rechtbank. Geen begin van aannemelijkheid voor alternatief scenario. Lange duur van de procedure leidt niet tot strafvermindering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002293-14

datum uitspraak: 18 november 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-136961-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Ghana) op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof respondeert op een in hoger beroep gevoerd verweer en de strafoplegging nader motiveert.

Bespreking van de in hoger beroep gevoerde verweren

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden uitgesloten dat iemand anders zijn identiteit en handtekening heeft gebruikt om de lening aan te vragen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Namens de verdachte is door de raadsvrouw een alternatief scenario geschetst waarvoor geen begin van aannemelijkheid bestaat. Het pleidooi van de raadsvrouw en de aan de pleitnotities gehechte producties zien slechts op algemeenheden en bevatten geen enkele concrete aanwijzing die ziet op het specifieke geval van de verdachte. Nu dit alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden, wordt het terzijde geschoven.

Nadere motivering van de straf

De advocaat-generaal heeft gesteld dat de redelijke termijn is overschreden in hoger beroep en eist daarom een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd, te weten een werkstraf voor de duur van 40 uren, bij niet voldoen te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren, op grond van de door de rechtbank genoemde omstandigheden. De lange duur van de procedure in hoger beroep is goeddeels te wijten aan de verdediging. Het door de verdediging verzochte handtekeningenonderzoek werd vertraagd doordat de verdachte meermalen niet kwam opdagen bij afspraken om referentie-handtekeningen te zetten. Het hof ziet dan ook, mede gelet op de ernst van het feit, geen aanleiding de straf te matigen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. M.L. Leenaers en mr. C.M.M. Oostdam, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 november 2016.

Mr. C.M.M. Oostdam is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.