Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4655

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
200.193.389/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:293.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.193.389/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/580018 / HA ZA 15-91

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 november 2016

inzake

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in de hoofdzaak,

verzoekster in het incident,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk te Amsterdam,

tegen

1 BLOSH B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. BLOSH FASHION GROUP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. BLOSH PROPERTIES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. ROGRO HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

5. MATANZAS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat: mr. L.M. Ravestijn te Amstelveen,

Appellante zal hierna – in navolging van de rechtbank – de bank genoemd worden. Geïntimeerden worden hierna Blosh c.s. genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

De bank is bij dagvaarding van 13 juni 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de rechtbank Amsterdam op 20 april 2016 (onder bovenvermeld zaaknummer) heeft gewezen tussen Blosh c.s. en de bank.

Bij incidentele conclusie van 19 juli 2016 heeft de bank op de voet van artikel 222 juncto artikel 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voeging gevorderd met de bij dit hof onder zaaknummer 200.193.541/01 aanhangige zaak tussen de bank en [X] (verder: [X] ).

Bij incidentele memorie van 30 augustus 2016 hebben Blosh c.s. geantwoord en geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2 Beoordeling

2.1

De bank heeft voeging gevorderd op de grond dat de onderhavige zaak en de zaak tussen de bank en [X] beide het hoger beroep betreffen tegen veroordelingen van de bank tot terugbetaling van de bedragen die door de bank zijn geïnd ten gevolge van de eenzijdige verhoging van het opslagpercentage. Zowel in het vonnis van de rechtbank van 20 april 2016 in de onderhavige zaak als in het vonnis van dezelfde rechtbank van 9 maart 2016 in de zaak tussen de bank en [X] is geoordeeld dat de bank geen recht heeft de renteopslag op de financiering eenzijdig te wijzigen. Het is volgens de bank wenselijk de beide hoger beroepen gevoegd te behandelen uit oogpunt van proceseconomie en rechtseenheid. Voorts heeft de bank aangevoerd dat de zaken verknocht zijn nu deze voor dezelfde rechter aanhangig zijn, over hetzelfde onderwerp gaan en deels met dezelfde procespartijen gevoerd worden.

2.2

Blosh c.s. hebben gesteld dat de zaak niet geschikt is voor voeging en voeren daartoe aan dat het bij de uitleg van een overeenkomst, zoals eerder overwogen door de Hoge Raad in het Haviltex arrest, aankomt op alle feiten en omstandigheden van het geval. Weliswaar gaat het in de onderhavige zaken om hetzelfde juridische geschilpunt – of ING bevoegd was het opslagpercentage eenzijdig te verhogen – maar dit maakt nog niet dat het hier gaat om identieke zaken. De bank heeft onvoldoende onderbouwd dat dit wel het geval is, aldus Blosh c.s. Vast staat dat de beide procedures niet spelen tussen dezelfde partijen en dat Blosh c.s. en [X] niet gezamenlijk verweer voeren, hetgeen kan leiden tot twee procedures die niet hetzelfde onderwerp hebben en met een verschillende bewijslastverdeling. Voeging zal de zaak onnodig compliceren en mogelijk ook vertragen. Blosh c.s. concluderen de bank niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele vordering, dan wel die vordering ongegrond te verklaren of af te wijzen, met veroordeling van de bank in de kosten van het incident, en deze kostenveroordeling uit te spreken reeds in het incident.

2.3

De bank was in eerste aanleg beide keren gedaagde en in beide zaken is (onder meer) voor recht verklaard, kort gezegd, dat de bank niet bevoegd was het opslagpercentage eenzijdig te verhogen en is de bank veroordeeld tot terugbetaling van wat zij uit hoofde van die verhoging heeft geïnd. Aan de zaken waar het hier om gaat ligt voor een gedeelte hetzelfde feitencomplex ten grondslag en de juridische geschilpunten vertonen een dusdanige samenhang dat consistentie van de uitspraken in de beide appelzaken wenselijk is. Reeds hierom zijn het zaken die voldoen aan de eisen van artikel 222 Rv. Artikel 222 Rv stelt niet de eis dat het moet gaan om identieke zaken, noch wordt de eis gesteld dat het moet gaan om dezelfde partijen, zoals Blosh c.s. kennelijk menen. De zaken zullen ondanks de hierna uit te spreken voeging, worden behandeld en beoordeeld als aparte zaken, zodat de vrees van Blosh c.s. dat de verschillen in de beide zaken bij gevoegde behandeling onvoldoende aan bod zullen kunnen komen, niet gerechtvaardigd is. Zo nodig kunnen de thans te voegen zaken te zijner tijd weer worden gesplitst.

2.4

Aangezien ook de processuele doelmatigheid met voeging is gediend en als gevolg van de voeging geen (noemenswaardige) vertraging in de afdoening valt te vrezen, zal de incidentele vordering worden toegewezen. Een beslissing omtrent de kosten zal worden aangehouden. De hoofdzaak zal naar na te noemen rolzitting worden verwezen voor memorie van grieven aan de zijde van de bank.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident tot voeging:

voegt de zaak met die onder zaaknummer 200.193.541/01 tussen de bank en [X] ;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 10 januari 2017 voor het nemen van een memorie van grieven door de bank;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en C. Uriot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.