Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4642

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
200.182.649/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

werkneemster tekortgeschoten in re-integratieverplichtingen; daarom opzegverbod niet meer van toepassing. Werkgever gehandeld in strijd goed werkgeverschap, daarom opzegging kennelijk onredelijk. Vergoeding € 10.000,- bruto, gerelateerd aan inkomensverlies gedurende 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.182.649/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3938708 CV EXPL 15-5992

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 november 2016

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.F. Overes te Amsterdam,

tegen

KINDEROPVANG [X] AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. J. Blakborn te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [X] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 21 december 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 12 november 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [X] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 9 september 2016 doen bepleiten, [appellante] door mr. Overes voornoemd en [X] door mr. D.D.M. Beuvery-Rinkel, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij die gelegenheid hebben partijen nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - primair:

( i) voor recht zal verklaren dat de opzegging van 28 november 2014 vernietigd is en de arbeidsovereenkomst tussen partijen ook na 1 januari 2015 is blijven bestaan;

(ii) [X] zal veroordelen te betalen het loon ad € 2.072,30 bruto per maand vanaf 6 oktober 2014 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde mocht komen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente, beide vanaf 6 oktober 2014;

subsidiair:

(iii) [X] zal veroordelen te betalen een schadevergoeding naar billijkheid van € 41.180,75 bruto dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van verschuldigdheid; en

primair en subsidiair:

(iv) [X] zal veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na het wijzen van arrest.

[X] heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en in incidenteel appel tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis daar waar voor recht is verklaard dat de opzegging kennelijk onredelijk is en [X] is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 7.000,- bruto, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en onder veroordeling van [appellante] in de kosten van het principale en het incidentele appel.

[appellante] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover dat door [X] is bestreden en met veroordeling van [X] in de kosten van het incidentele appel.

[appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.20 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

[appellante] , geboren [in] 1980, is op 1 oktober 2002 bij [X] in dienst getreden. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van Assistent Leidinggevende voor 28 uur per week. Haar bruto salaris bedroeg laatstelijk € 2.072,30 exclusief vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Kinderopvang van toepassing.

2.2

In het functioneringsverslag van 21 december 2011 van [appellante] staat onder meer het

volgende vermeld: “(...) Op de groep voer je, je werk zeer goed uit. Ook hierin laat je zien dat je een grote verantwoordelijkheidsgevoel hebt. Je bent precies in je werk, waardoor je op automatisch piloot zit neem sommige collega’s mee in je tempo. (...) Ik kan met veel enthousiasme zeggen dat jij je voor 100% inzet op het werk. (...) Over je betrokkenheid naar ouders, kinderen en collega’s toe, kunnen anderen echt een voorbeeld van je nemen. Je hebt een sterke, professionele houding, je straalt gezag uit. in jouw functie, is dat absoluut een vereiste (…)”.

2.3

Op 29 mei 2013 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Hierin heeft [appellante] te kennen gegeven vaak erg oververmoeid te zijn, dat dat te maken heeft met de hoge werkdruk het afgelopen jaar en doordat het niet goed gaat met haar gezondheid.

2.4

[appellante] heeft zich op 19 augustus 2013 ziek gemeld. Op 11 oktober 2013 is vastgesteld dat zij weer 100% arbeidsgeschikt was, waarna aansluitend zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft plaatsgevonden. Na het einde daarvan heeft [appellante] zich eind maart/begin april 2014 weer arbeidsongeschikt gemeld. Vanaf 29 maart 2014 heeft [appellante] een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen.

2.5

In het advies van de bedrijfsarts [A] dat naar aanleiding van het consult van 16 juni 2014 is opgesteld, staat vermeld dat [appellante] kon starten met 2 x 2 uur per week in lichte fysieke eenvoudige taken zonder piekbelasting/deadlines, met opbouw, afhankelijk van de belastbaarheid van [appellante] . Voorts staat in dat advies onder meer: “(…) Er is sprake van ziekte tgv de zwangerschap betrokkene benoemd zowel werkgerelateerde factoren en niet werk gerelateerde factoren. (...) Betrokkene geeft aan dat haar eigen functie binnen de organisatie is komen te vervallen wat nu uiteindelijk van haar zal worden verwacht is niet duidelijk. Ik adviseer dat betrokkene en haar werkgever in gesprek gaan over de knelpunten die betrokkene ervaart binnen de arbeidsrelatie en de verwachting van haar binnen de huidige werkgever. Indien betrokkene en de werkgever daar samen niet uitkomen adviseer ik een objectief derde persoon te betrekken in de gesprekken. Conform de richtlijnen van de bedrijfsarts. (…)”.

2.6

Op 18 juni 2014 is een plan van aanpak en een opbouwschema vastgesteld. [appellante] is op 19 juni 2014 begonnen met de re-integratie, waarna zij zich op diverse dagen wederom heeft ziek gemeld. In het advies van de bedrijfsarts [A] dat naar aanleiding van een consult van 28 juli 2014 is opgesteld, staat vermeld dat [appellante] nog steeds werkgerelateerde factoren ervaart en dat de bedrijfsarts opnieuw adviseert dat partijen in gesprek gaan en indien zij daar niet uitkomen een derde inschakelen. Voorts staat in het advies dat de bedrijfsarts dezelfde opbouw van uren adviseert als in het advies naar aanleiding van het consult van 16 juni 2014. In het advies staat ten slotte dat [appellante] het niet eens is met het advies van de bedrijfsarts en dat haar geadviseerd is een deskundigenoordeel aan te vragen.

2.7

[appellante] heeft op 1 augustus 2014 een deskundigenoordeel gevraagd met betrekking tot de vraag of haar passende werkzaamheden werden aangeboden. De arbeidsdeskundige [B] heeft op 5 september 2014 geconcludeerd dat de vanaf 16 juni 20l4 aangeboden arbeid als passend is te beschouwen.

2.8

Op 10 september 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij [appellante] , [C]

(directeur van [X] ) en [D] (IP-medewerker hoofdkantoor van [X] ) aanwezig waren. In het verslag van dit gesprek staat vermeld dat aan [appellante] is meegedeeld dat vanwege het deskundigenoordeel van 5 september 2014 en het feit dat [appellante] vanaf 18 augustus 2014 niet meer heeft gere-integreerd, [X] zou overgaan tot een loonstop. Tevens staat in dit verslag dat [appellante] heeft verklaard dat zij een klacht heeft ingediend tegen de arbo-arts en dat de arbo-manager met [A] daarover zou spreken. Eveneens staat in dit verslag vermeld dat [appellante] het niet eens is met het deskundigenoordeel. Voorts vermeldt het verslag:

“(…) […] ( [C] , hof) en […] ( [appellante] , hof) bespreken het opbouwschema. Conform dat schema (dat in week 31 is bijgesteld en weer is gestart met opbouw van 4u per week) zou […] nu op l6u per week reintegratie moeten zitten. […] is het niet eens met de opbouw tijdens haar vakantie. (…)”.

2.9

In het advies van de bedrijfsarts [E] dat naar aanleiding van het consult van 11 september 2014 is opgesteld, staat onder meer het volgende: “(…) Betrokkene is echter niet gestart met re-integreren. (...) Betrokkene en de werkgever geven aan, dat tijdens de re-integratie werkafspraken gemaakt zijn die niet altijd nagekomen worden. Momenteel staan de werkgerelateerde klachten op de voorgrond en interfereren met haar belastbaarheid. Gezien de werkgerelateerde spanningen, om de werkgerelateerde problemen op te lossen en om rondom de re-integratie heldere en duidelijke werkafspraken te maken adviseerde ik een mediation traject in te zetten. (…)”. In het advies staat verder dat de bedrijfsarts adviseert op te starten met 10 uur per week en een opbouw van 2 uur per week, de eerste vier weken in de ochtend en daarna in de middag. Als datum voor een vervolgafspraak met de bedrijfsarts wordt 6 november 2014 genoemd.

2.10

Op 12 september 2014 is een opbouwschema gemaakt conform het hiervoor genoemde advies van de bedrijfsarts [E] .

2.11

[appellante] heeft vervolgens op 17, 19, 22, 25 en 29 september 2014 per e-mail laten weten dat zij dezelfde dag niet kon komen werken, dan wel dat zij eerder zou vertrekken.

2.12

Bij brieven van 19 en 22 september 2014 aan [appellante] heeft [X] meegedeeld tot een loonstop over te gaan, omdat [appellante] niet voldoet aan haar re-integratieverplichting.

2.13

Bij brief van 7 oktober 2014 heeft het UWV [appellante] meegedeeld dat zij vanaf 6 oktober 2014 (respectievelijk 22 september 2014) geen ZW-uitkering meer aan haar uitbetaalt omdat zij zich niet aan de regels heeft gehouden. De brief luidt, voor zover van belang:

“(...) Eén daarvan is dat u moet meewerken als uw (ex-)werkgever (of iemand die uw (ex-)werkgever heeft ingeschakeld) voorschriften geeft of maatregelen neemt om u aan passend werk te helpen. Uw werkgever heeft aangegeven dat u hieraan niet of niet voldoende mee hebt gewerkt. (…)”.

2.14

Bij brieven van 10 en 13 oktober 2014 heeft [X] [appellante] meegedeeld dat zij zich die dagen opnieuw niet aan het opbouwschema had gehouden, door niet op de in het opbouwschema aangegeven uren aanwezig te zijn.

2.15

In de e-mail van [appellante] van 14 oktober 2014 aan [X] staat onder meer het volgende: “(... ) Op maandag 13 oktober was ik om 13.00 uur op de werkvloer. zoals ik telefonisch al heb aangegeven ben ik erg warig en vergeetachtig en dacht daarom dat ik van 13.00 tot 16.30 uur moest reinteregreren inplaats van 12.30 tot 16.00. Dit zou geen probleem moeten zijn omdat je tijdens verzuim gesprek hebt aangegeven dat ik de gehele week de ruimte heb om te reintergeren (…). Ik heb om 15.10 netjes gebeld zoals de niuwe regels om aan te geven dat ik een migraneaanval had en daarom om 15.15 uur naar huis ging. (...) Ik vind het ook erg vervelend dat je aan de collega’s aangeeft dat ik volledig op de groep ingezet moet worden (...)”.

2.16

[X] heeft bij brief van 17 oktober 2014 het UWV toestemming verzocht om de

arbeidsovereenkomst met [appellante] te mogen opzeggen op de grond dat [appellante] niet meewerkt aan haar re-integratie, ondanks verschillende waarschuwingen en een opgelegde sanctie tot staking van betaling van de ZW-uitkering door het UWV. Nadat [appellante] verweer had gevoerd, heeft het UWV op 20 november 2014 de door [X] verzochte toestemming verleend.

2.17

Bij brief van 28 november 2014 heeft [X] de arbeidsovereenkomst met [appellante] met ingang van 1 januari 2015 opgezegd.

2.18

[appellante] heeft bij brief van 18 november 2014 bezwaar gemaakt bij de afdeling Bezwaar en Beroep van het UWV tegen de beslissing van het UWV van 7 oktober 2014 om de ZW-uitkering stop te zetten. [appellante] heeft dit bezwaar ingetrokken nadat de arbeidsovereenkomst op grond van de beslissing van het UWV van 20 november 2014 was opgezegd door [X] .

2.19

[appellante] heeft bij brief van 24 december 20145 de vernietigbaarheid van de opzegging

ingeroepen, stellende dat de opzegging heeft plaatsgevonden in strijd met het op dat moment van toepassing zijnde opzegverbod tijdens ziekte, alsmede [X] gesommeerd om het salaris door te betalen vanaf 1 januari 2015.

2.20

[appellante] heeft een overzicht van haar huisarts van 31 december 2014 overgelegd, waarin de bezoeken van [appellante] aan de huisarts in de periode 2 oktober 2012 tot en met 19 november 2014 zijn opgenomen. Tevens heeft [appellante] een soortgelijk overzicht in het geding gebracht waarin de bezoeken van [appellante] aan haar huisarts in de periode 2 juni 2014 tot en met 2 juni 2015 zijn opgenomen.

3 Beoordeling

3.1

De kantonrechter heeft de vordering van [appellante] strekkende tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat de opzegging van 28 november 2014 in verband met het opzegverbod op grond van artikel 7:670 BW vernietigd is, afgewezen. Wel heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellante] door [X] kennelijk onredelijk is in de zin van het bepaalde in artikel 7:681 BW (oud), en heeft hij [X] - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 7.000,- bruto ter zake van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van voldoening, alles met compensatie van proceskosten.

3.2

In principaal appel grieft [appellante] primair tegen de afwijzing van de vordering strekkende tot vernietiging van de opzegging van 28 november 2014 en tegen de afwijzing van de loonvordering vanaf 6 oktober 2014. Subsidiair grieft [appellante] tegen de hoogte van het ter zake van het kennelijk onredelijk ontslag toegekende bedrag van

€ 7.000,-, en vordert zij een schadevergoeding van € 41.180,75 bruto. [X] verweert zich tegen de vordering tot vernietiging van de opzegging van 28 november 2014 en de loonvordering vanaf 6 oktober 2014. In incidenteel appel concludeert [X] tot afwijzing van iedere vordering van [appellante] . [X] stelt dat de opzegging niet kennelijk onredelijk was. Grief II in principaal appel en de grieven incidenteel appel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

Toepasselijkheid opzegverbod?

3.3

Op grond van artikel 7:670 lid i aanhef en onder a BW kan de werkgever gedurende de eerste twee jaar van ziekte de arbeidsovereenkomst met de werknemer niet opzeggen. Op grond van art. 7:670a lid 1 BW geldt dit opzegverbod niet indien de werknemer zonder deugdelijke grond de re-integratieverplichtingen zoals genoemd in artikel 7:660a BW weigert na te komen en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van deze verplichtingen.

3.4

Op 18 juni 2014 is een plan van aanpak en een opbouwschema vastgesteld. [appellante] is op 19 juni 2014 begonnen met de re-integratie maar heeft zich op 25 juni 2014, 1 juli 2014, 2 juli 2014 en 15 juli 2014 ziek gemeld met de mededeling dat re-integratie niet mogelijk was. [X] heeft [appellante] op 17 juli 2014 een waarschuwingsbrief gestuurd en haar daarin gemaand haar re-integratieverplichtingen na te komen. Op 28 juli 2014 heeft de bedrijfsarts het al op 16 juni 2014 genoemde opbouwschema bevestigd. [appellante] was het hier niet mee eens en heeft bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd. Dit deskundigenoordeel is door het UWV op 5 september 2014 afgegeven en daarin staat dat het op 16 juni 2014 vastgestelde opbouwschema passend is. Op 12 september 2014 is dit opbouwschema door de bedrijfsarts wederom met [appellante] besproken. Desalniettemin heeft [appellante] zich in de drie weken daarna vijfmaal ziek gemeld en heeft zij zonder verdere onderbouwing verklaard niet tot nakoming van het opbouwschema in staat te zijn. Uit het door [appellante] overgelegde overzicht van bezoeken aan haar huisarts blijkt niet dat zij deze in de periode 12 tot 30 september 2014 heeft geconsulteerd. [appellante] heeft ook geen (medische) verklaring ingebracht ter ondersteuning van haar stellingname, dat zij in laatstgenoemde periode niet in staat was het door de bedrijfsarts opgestelde en door het UWV middels het deskundigenoordeel geaccordeerde opbouwschema uit te voeren. Reeds hierom is het hof van oordeel dat [appellante] haar re-integratieverplichtingen in deze periode niet is nagekomen. Ook overigens blijkt uit de door [appellante] overgelegde stukken niet van een medische onderbouwing dat zij voorafgaand aan 12 september 2014 of na 30 september 2014 vanwege medische redenen niet in staat was genoemde re-integratiewerkzaamheden te verrichten. [appellante] stelt dat haar rugklachten de voornaamste reden zijn dat zij de re-integratiewerkzaamheden niet kon uitvoeren. Weliswaar heeft [appellante] een enkele keer bij haar huisarts melding gemaakt van rugklachten, maar niet is gebleken dat die rugklachten zodanig waren dat deze haar arbeidsongeschikt maakten om de werkzaamheden gedeeltelijk te hervatten.

3.5

Het hof komt met de kantonrechter tot de conclusie dat [appellante] haar op grond van artikel 7:660a BW rustende verplichtingen niet is nagekomen. Nu [X] haar daarover ook schriftelijk had gemaand, geldt het opzegverbod op grond van artikel 7:670a lid 1 BW niet. Grief I in principaal appel faalt.

Kennelijk onredelijk ontslag?

3.6

Het hof is met [appellante] en de kantonrechter van oordeel dat het door [X] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Daartoe dient het volgende. Uit de rapportages van de bedrijfsarts blijkt dat deze aan [X] op 16 juni 2014 heeft geadviseerd om met [appellante] in gesprek te gaan over de knelpunten die laatstgenoemde ervaart in de arbeidsrelatie. [X] heeft dat niet gedaan en heeft ook niet uitgelegd waarom niet. Op 28 juli 2014 heeft de bedrijfsarts [X] wederom geadviseerd met [appellante] in gesprek te gaan en, indien dat niet tot een oplossing zou leiden, een derde in te schakelen. Ook dat heeft [X] , zonder uitleg, nagelaten. Op 11 september 2014 heeft de bedrijfsarts geadviseerd tot mediation. Ook dat advies is door [X] niet opgevolgd. Voor een gesprek door [X] met [appellante] was alle reden, niet alleen vanwege dit herhaalde advies van de bedrijfsarts, maar ook vanwege de omstandigheid dat [appellante] , na in 2012 nog een zeer goede beoordeling te hebben gehad, in mei 2013 aan [X] te kennen gaf vanwege de naar haar zeggen te hoge werkdruk oververmoeidheid te ervaren. Door deze adviezen te negeren, heeft [X] in strijd met het goed werkgeverschap gehandeld. Dat maakt de opzegging kennelijk onredelijk. Daar komt bij dat ten tijde van het ontslag per 1 januari 2015 te verwachten was dat de gevolgen van het ontslag voor [appellante] ingrijpend zouden zijn. Het hof verenigt zich daarom met het oordeel van de kantonrechter dat genoemde opzegging door [X] kennelijk onredelijk was.

3.7

Voor wat betreft de hoogte van de aan [appellante] op die grond toe te kennen vergoeding overweegt het hof als volgt. Partijen verschillen van mening over de op 1 januari 2015 bestaande werkhervattingskansen voor [appellante] . [appellante] beroept zich op de uitkomst van de rekentool zoals geplaatst op de website hoelangwerkloos.nl, en stelt die te verwachten werkloosheidsduur op afgerond 29 maanden. [X] betwist de juistheid van genoemde rekentool en voert aan dat de uitkomst, vanwege het opleidingsniveau van [appellante] , 25 maanden bedraagt. [appellante] voert daarnaast aan dat de werkgelegenheidskansen in de kinderopvang, op welke branche zij gelet op haar arbeidsverleden is aangewezen, vanwege marktontwikkelingen afnemen. [appellante] heeft ter zitting verklaard gedurende 4 à 5 maanden in 2015 een ziektewetuitkering te hebben ontvangen. Ook indien echter zou moeten worden uitgegaan van een op 1 januari 2015 te verwachten werkloosheidsduur van 25-29 maanden, betekent dit niet dat [X] gedurende deze gehele periode de door [appellante] te lijden inkomensschade zou moeten vergoeden. Het aan [appellante] toe te kennen bedrag dient immers onder andere gerelateerd te zijn aan de mate van de tekortkoming van [X] , waarbij ook tekortkomingen van [appellante] in ogenschouw mogen worden genomen. Partijen verschillen er niet over van mening dat ten opzichte van een salaris van € 2.238,08 bruto (inclusief vakantietoeslag), [appellante] vanaf 1 januari 2015 een WW-uitkering kon verwachten van € 1.678,56 bruto en vervolgens gedurende 13 maanden een WW-uitkering van € 1.566,66 bruto per maand. Het hof acht het, gelet op alle omstandigheden zoals hierboven beschreven, passend indien [X] gedurende een periode van 15 maanden het aldus te berekenen inkomensverlies vergoedt. Afgerond resulteert dit in een bedrag van € 10.000,- bruto, welk bedrag aan [appellante] zal worden toegekend. Zulks betekent dat de grief II in principaal appel (gedeeltelijk) slaagt, en dat de grieven in incidenteel appel falen.

3.8

Gelet op deze uitkomst verenigt het hof zich met de beslissing van de kantonrechter tot compensatie van proceskosten in eerste aanleg . De hiertegen gerichte grieven falen.

3.9

Door partijen is geen bewijs aangedragen van feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.

Conclusie

3.10

De conclusie is dat grief II van [appellante] in principaal appel ten dele slaagt en dat grieven van [X] in incidenteel appel falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover [X] daarbij is veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 7.000,- ter zake van schadevergoeding voor het kennelijk onredelijk ontslag, en in zoverre opnieuw rechtdoende zal [X] worden veroordeeld tot betaling aan [appellante] van € 10.000,- bruto ter zake van schadevergoeding voor het kennelijk onredelijk ontslag, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van voldoening. Voor het overige zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. [X] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in incidenteel appel. De kosten in principaal appel zullen, nu [appellante] slechts een gering gedeelte van de door haar extra gevorderde vergoeding krijgt toegewezen, en haar vorderingen voor het overige worden afgewezen, worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover [X] daarbij werd veroordeeld tot betaling van € 7.000,- ter zake van schadevergoeding voor het kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van voldoening,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X] tot betaling aan [appellante] van € 10.000,- bruto ter zake van schadevergoeding voor het kennelijk onredelijk ontslag, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [X] in de kosten van het incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van [appellante] in incidenteel appel begroot op € 311,- aan verschotten en € 1.341,- voor salaris, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2016 en compenseert de kosten in principaal appel;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, M.L.D. Akkaya en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.