Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:463

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
200.169.872/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming woonruimte na ontdekking hennepplantage. Ervan uitgaande dat huurster ten tijde van de ontdekking van de hennepplantage tijdelijk niet in de woning verbleef, is voldoende aannemelijk geworden dat huurster een derde (haar broer) de toegang tot de woning heeft verschaft, en heeft nagelaten toezicht op de woning te houden, terwijl dit wel van haar mocht worden verwacht. De persoonlijke omstandigheden van huurster geven wel voldoende aanleiding de ontruimingstermijn enigszins te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.169.872/01 KG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3871269 KK EXPL 15-226

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 februari 2016

inzake

[appellante],

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

tevens eiseres in het incident,

advocaat: mr. S. Jurkovich te Amsterdam,

tegen

de stichting WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

tevens verweerster in het incident,

advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna huurster en verhuurster genoemd.

Huurster is bij dagvaarding van 8 mei 2015, met producties, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 15 april 2015, dat onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding is gewezen tussen verhuurster als eiseres en huurster als gedaagde.

In de appeldagvaarding heeft huurster tevens een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- antwoordconclusie in het incident met producties (verhuurster);

- memorie van grieven tevens reactie op de antwoordconclusie in het incident, met producties (huurster);

- antwoordakte in incident tevens intrekking incidentele vordering met producties (huurster);

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 10 januari 2015 doen bepleiten, huurster door mr. Jurkovich voornoemd aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd en verhuurster door mr. Blokziel voornoemd. Huurster heeft nog producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Huurster heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van verhuurster zal afwijzen althans de ontruimingstermijn zal verlengen, met beslissing over de proceskosten in de hoofdzaak en in het incident.

Verhuurster heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep waaronder begrepen het incident en de nakosten.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.4 de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die enerzijds zijn gesteld en anderzijds niet of onvoldoende zijn betwist, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Verhuurster verhuurt aan huurster sinds 28 november 2011 de woning aan de [adres] (hierna: de woning) tegen een maandelijkse huurprijs van thans € 433,93.

2.2

Artikel 10 lid 1 van de algemene voorwaarden behorende bij de huurovereenkomst tussen partijen luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Huurder gebruikt het gehuurde als een goed huurder overeenkomstig de bestemming woonruimte”

2.3

Artikel 10 lid 5 van de algemene voorwaarden behorende bij de huurovereenkomst tussen partijen luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De huurder kweekt geen hennep en verricht ook geen andere activiteiten die op grond van de (Opium)wet strafbaar zijn. Als huurder in strijd handelt met deze bepaling is huurder aan verhuurder een direct opeisbare boete verschuldigd van € 10.000,-”

2.4

Op 3 december 2014 heeft de politie een inval gedaan in de woning. Blijkens een proces-verbaal van de politie eenheid Amsterdam, dat is opgemaakt op 6 januari 2015, is daarbij in de woonkamer van de woning een hennepplantage aangetroffen, bestaande uit 40 hennepplanten in een kunststof tent van 3,5 bij 4 meter. In de tent waren 6 assimilatielampen opgehangen. Tevens is geconstateerd dat de elektriciteitsinstallatie was bewerkt waardoor de afgenomen stroom niet werd geregistreerd op de elektriciteitsmeter.

2.5

Omstreeks 19 december 2014 heeft de energieleverancier Liander (hierna: Liander) herstelwerkzaamheden aan de elektriciteitsinstallatie uitgevoerd.

2.6

Bij brief van 13 april 2015 is huurster door de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam ervan in kennis gesteld dat de zaak waarin zij als verdachte is aangemerkt in verband met de ontdekking van de hennepplantage in de woning, is geseponeerd vanwege onvoldoende bewijs.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft verhuurster gevorderd dat huurster, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot betaling van € 10.000,00 aan contractuele boete, met beslissing over de proceskosten.

3.2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vordering tot ontruiming van de woning toegewezen en huurster veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

De kantonrechter heeft hiertoe, samengevat en voor zover van belang, geoordeeld dat huurster verantwoordelijk is voor het gehuurde. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat huurster ten tijde van de ontdekking van de hennepplantage tijdelijk niet in de woning verbleef, kan zij redelijkerwijs verantwoordelijk worden gehouden voor de handelingen van derden die zij tot de woning heeft toegelaten, nu er geen feitelijke onmogelijkheid was de woning te controleren. Daarbij komt dat het gevaarzettend karakter van de plantage zwaar weegt, omdat zich boven de woning nog een woning bevindt en niet is bestreden dat een hennepplantage brandgevaar met zich brengt. Deze tekortkoming is voldoende ernstig om de ontruiming toe te wijzen, aldus de kantonrechter. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt huurster met haar grieven (A en B) op. Alvorens de grieven te bespreken, zal het hof de door huurster gevorderde proceskostenveroordeling in het incident beoordelen.

In het incident

3.3

Huurster heeft de appeldagvaarding aangebracht op de rol van 19 mei 2015. Op de dienende dag heeft zij overeenkomstig de appeldagvaarding gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal worden geschorst op de voet van artikel 351 Rv. De zaak is naar de rol van 2 juni 2015 verwezen voor het nemen van een antwoord in het incident door verhuurster, die op genoemde roldatum bedoelde antwoordconclusie heeft ingediend en daarin heeft gesteld dat huurster gezien eerdere correspondentie tussen partijen geen belang had bij instelling van de incidentele vordering Op de rol van 14 juli 2015 heeft huurster haar incidentele vordering ingetrokken. Huurster heeft evenwel haar vordering tot veroordeling van verhuurster in de proceskosten in het incident gehandhaafd. Verhuurster heeft daartegen verweer gevoerd.

3.4

Reeds bij e-mailbericht van 8 mei 2015 heeft verhuurster huurster ervan in kennis gesteld dat de ontruiming van de woning zal worden opgeschort in afwachting van de uitkomst van de procedure in hoger beroep. De advocaat van huurster heeft de ontvangst van dit bericht bij e-mail van 18 mei 2015 (10.58 uur) bevestigd. Bij brief van 18 mei 2015 aan het hof heeft huurster het H-formulier aan het hof toegezonden en daarbij medegedeeld dat verhuurster heeft laten weten de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter te schorsen totdat de uitkomst van de appel procedure bekend is. Door de toezegging van verhuurster had huurster geen belang meer bij haar incidentele vordering. Huurster had gezien het vorenstaande reeds bij het aanbrengen van de zaak op 19 mei 2015 dan wel op iedere roldatum vóór het nemen van de antwoordconclusie in het incident door verhuurster de gelegenheid haar incidentele vordering uitdrukkelijk in te trekken. Nu zij dit heeft nagelaten en daardoor verhuurster nodeloos een antwoordconclusie in het incident heeft laten indienen, is het hof van oordeel dat huurster, op grond van artikel 237 lid 1 Rv, dient worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. De omstandigheid dat het bericht van verhuurster pas na het uitbrengen van de appeldagvaarding bij huurster bekend is geworden, doet aan het voorgaande niet af.

In de hoofdzaak

3.5

Voor zover huurster in grief A stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat in de woning een hennepplantage is aangetroffen die, gelet op de grootte en de opzet daarvan, professioneel te noemen is, berust dit op een onjuiste lezing van het vonnis. De kantonrechter heeft (slechts) onder punt 3 van het bestreden vonnis de stellingen van verhuurster weergegeven. Wel is de kantonrechter voorshands uitgegaan van de grootte en opzet van de hennepplantage zoals in het proces-verbaal van de politie staat beschreven. Huurster betwist de juistheid daarvan. Naar het oordeel van het hof geeft de enkele omstandigheid dat tussen de vondst van de hennepplantage en het opmaken van het proces-verbaal van de politie ongeveer een maand is verstreken onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal te twijfelen, zoals huurster betoogt. De omstandigheden dat het proces-verbaal niet is ondertekend en dat geen foto’s zijn bijgevoegd, doen dat evenmin. Daarnaast geldt dat een broer van huurster in een schriftelijke verklaring (die blijkens punt 4 van het bestreden vonnis ter zitting in eerste aanleg door huurster aan de kantonrechter is getoond) heeft bevestigd dat hij verantwoordelijk is voor de aanleg van de hennepplantage. Huurster heeft in hoger beroep niet gesteld dat deze verklaring onjuist was. Evenmin heeft zij weersproken dat de elektriciteitsinstallatie was bewerkt, waardoor de afgenomen stroom niet werd geregistreerd en dat Liander (om die reden) herstelwerkzaamheden aan de elektriciteitsmeter heeft verricht. Op grond van al deze omstandigheden gaat het hof voorshands ervan uit dat in de woning een hennepplantage is aangetroffen zoals in het proces-verbaal van de politie is weergegeven. De omstandigheid dat de strafzaak tegen huurster (en haar broer) is geseponeerd, doet aan het voorgaande niet af. Grief A faalt derhalve.

3.6

In grief B heeft huurster onder meer aangevoerd dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor voornoemde hennepplantage. Op of omstreeks 29 september 2014 heeft huurster bij een scooterongeluk haar enkel verstuikt, waardoor zij met krukken moest lopen. Daarmee kon zij in de woning (met name in de kleine badkamer en het toilet) niet uit de voeten en daarom is zij begin oktober 2014 tijdelijk bij haar moeder ingetrokken. Huurster heeft de sleutels van de woning aan een broer van haar gegeven om haar post te kunnen ophalen. Op 13 december 2014 heeft huurster wederom, toen zij bij iemand achterop een scooter zat, een ongeluk gekregen en letsel opgelopen. Nadat zij door Liander ervan op de hoogte was gesteld dat in de woning een hennepplantage was aangetroffen, heeft huurster de woning op 19 december 2014 voor het eerst weer bezocht. Toen heeft zij aan de achterdeur sporen van inbraak waargenomen en geconstateerd dat er goederen van huurster waren ontvreemd. Volgens huurster is wellicht haar broer verantwoordelijk geweest voor de aanleg van de hennepplantage. In dat geval kan het huurster niet worden verweten dat zij haar eigen broer heeft vertrouwd met de sleutels van haar woning voor het ophalen van haar post. Ook is het mogelijk dat een derde tijdens de afwezigheid van huurster in de woning heeft ingebroken en de hennepplantage heeft opgezet. Hiervoor kan huurster evenmin verantwoordelijk worden gehouden, aldus steeds huurster.

3.7

Het betoog van huurster kan haar niet baten. Het hof constateert allereerst dat de stellingen van huurster inconsistenties vertonen. Zo heeft zij in eerste aanleg gesteld dat een broer van haar verantwoordelijk is voor de aanleg van de hennepplantage, ter onderbouwing waarvan zij ter zitting is eerste aanleg zelfs een schriftelijke verklaring van bedoelde broer heeft meegenomen. In hoger beroep stelt zij dat mogelijk een (andere) derde in haar woning heeft ingebroken en de hennepplantage heeft aangelegd. Het hof merkt in dit verband op dat is gesteld noch gebleken dat huurster aangifte bij de politie heeft gedaan van inbraak en/of diefstal. Gelet op de verklaring van de broer van huurster in eerste aanleg, die niet is weersproken, neemt het hof bij de beoordeling van dit geschil ook voorshands aan dat bedoelde broer verantwoordelijk is voor de aanleg van de hennepplantage. Voorts ervan uitgaande dat huurster ten tijde van de ontdekking van de hennepplantage tijdelijk niet in de woning verbleef, omdat zij in verband met een verstuikte enkel de zorg van haar moeder nodig had, is voldoende aannemelijk geworden dat huurster een derde (haar broer) de toegang tot de woning heeft verschaft, en heeft nagelaten toezicht op de woning te houden, terwijl dit wel van haar mocht worden verwacht. Huurster heeft naar eigen zeggen niet eerder dan op 19 december 2014 de woning weer bezocht, nadat zij begin oktober 2014 daaruit was vertrokken. Niet is gesteld of gebleken dat het voor huurster onmogelijk was in die periode toezicht te houden op de woning. Dit geldt temeer nu huurster in de buurt van de woning verbleef. Zij heeft ter zitting in hoger beroep immers verklaard dat de woning van haar moeder zich op een afstand van ongeveer tien minuten rijden met de auto van de woning bevindt. Daarbij komt nog dat het voor huurster kennelijk wel mogelijk was zich op 13 december 2014 achterop een scooter in het verkeer te begeven. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat het gevaarzettend karakter van de hennepplantage in verband met het brandgevaar dat een hennepplantage met zich meebrengt zwaar weegt, heeft huurster niets anders aangevoerd dan dat niet van de juistheid van het proces-verbaal van de politie kan worden uitgegaan. Het hof heeft hiervoor in 3.5 reeds geoordeeld dat het van de juistheid daarvan voorshands wel zal uitgaan. Dit betekent dat (ook) het oordeel van de kantonrechter te dien aanzien blijft staan. Op grond van al het vorenstaande is voldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter zal oordelen dat huurster zich niet heeft gedragen zoals van een goed huurder verwacht mag worden en dat deze tekortkoming de gevorderde ontruiming met haar gevolgen (in beginsel) rechtvaardigt.

3.8

Huurster heeft ten slotte betoogd dat haar belang bij behoud van de woning, gezien haar persoonlijke omstandigheden, prevaleert boven het belang van verhuurster bij de gevorderde ontruiming althans (subsidair) dat haar daarom een langere ontruimingstermijn moet worden gegund. Volgens huurster is zij angstig en depressief, en zijn deze klachten door het onderhavige geschil toegenomen. Zij is hiervoor in behandeling. Daarnaast is huurster fysiek nog niet hersteld van de twee scooterongevallen. Huurster heeft een stabiele leefomgeving nodig om te kunnen herstellen. Ter onderbouwing van het voorgaande heeft huurster verschillende verklaringen van haar artsen overgelegd. Daarnaast dient volgens huurster rekening te worden gehouden met de omstandigheden dat huurster van onbesproken gedrag is, dat zij op een school werkte, dat zij nooit in aanraking is geweest met Justitie, dat zij altijd tijdig de huur heeft betaald en dat zij geen overlast heeft veroorzaakt.

3.9

Naar het oordeel van het hof weegt de psychische en lichamelijke gesteldheid van huurster, die door verhuurster overigens niet (voldoende) is weersproken, in het licht van het hiervoor in 3.7 overwogene niet op tegen het belang van verhuurster bij de gevorderde ontruiming. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking de signaalfunctie die de gevorderde ontruiming heeft bij de aanpak van hennepteelt en het belang van verhuurster, die tevens als goed verhuurster dient zorg te dragen voor veilige bewoning van de door haar verhuurde woningen en daarnaast verantwoordelijk is voor de verdeling van schaarse sociale woonruimte. De persoonlijke omstandigheden van huurster geven naar het oordeel van het hof wel voldoende aanleiding de ontruimingstermijn enigszins te verlengen. Het hof zal derhalve bepalen dat ontruiming niet eerder dan op 1 mei 2016 kan plaatsvinden. Uit het voorgaande volgt dat de grief slaagt voor zover hiervoor vermeld en voor het overige faalt.

3.10.

De slotsom is dat de grieven grotendeels falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, met dien verstande dat zal worden bepaald dat de ontruiming van de woning niet eerder dan op 1 mei 2016 kan plaatsvinden. Huurster zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep, waaronder begrepen de kosten van het incident.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met dien verstande dat ontruiming van de woning niet eerder dan op 1 mei 2016 kan plaatsvinden;

veroordeelt huurster in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van verhuurster begroot op € 711,00 aan verschotten en € 2.682,00 voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, J.C.W. Rang en

M.J. Schaepman-de Bruijne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.