Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4616

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
200.185.846/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging omgang; omgang in strijd met zwaarwegende belangen kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 november 2016

Zaaknummer: 200.185.846/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/568770 / FA RK 14-5254 (GB/MD)

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.H. Wormhoudt te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.R. Feddema te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 15 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 18 november 2015 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), met kenmerk C/13/568770 / FA RK 14-5254 (GB/MD).

1.3.

De vrouw heeft op 19 mei 2016 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 21 september 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 16 september 2016 met bijlagen, ingekomen op 19 september 2016;

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 19 september 2016 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw [X] , vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

1.7.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige A] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Hun huwelijk is op 6 juli 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Dordrecht (thans: Rotterdam) van 14 juni 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [minderjarige A] ) [in] 2000 en […] (hierna: [minderjarige B] ) [in] 2005.

Na de ontbinding van het huwelijk zijn partijen eind 2007 weer als gezin gaan samenwonen. Uit de na-huwelijkse relatie van partijen is geboren […] (hierna: [minderjarige C] ) [in] 2008. De man heeft [minderjarige C] erkend. [minderjarige A] , [minderjarige B] en [minderjarige C] worden hierna ook gezamenlijk de kinderen genoemd.

De samenleving van partijen is medio september 2013 beëindigd. De kinderen verblijven sindsdien bij de vrouw.

2.2.

De vrouw oefent van rechtswege alleen het gezag uit over [minderjarige C] . Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht (thans: Rotterdam) van 25 juli 2007 is de vrouw alleen met het gezag over [minderjarige A] en [minderjarige B] belast. Voorts is bij die beschikking een omgangsregeling bepaald, waarbij de man [minderjarige A] en [minderjarige B] eenmaal per veertien dagen van zaterdagochtend 11.00 uur tot zondagmiddag 15.00 uur bij zich zal hebben. Met betrekking tot de vakanties is bepaald dat de man [minderjarige A] de helft van de vakantiedagen bij zich zal hebben en dat hij [minderjarige B] in de zomervakantie van 2007 één week bij zich zal hebben en vervolgens elk jaar een halve week langer totdat [minderjarige B] in de zomervakantie van 2011 drie weken bij de man zal zijn, alsmede de helft van de overige vakantiedagen.

2.3.

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank van 21 juli 2014 is de vordering van de man tot hervatting van de omgangsregeling, ook in begeleide vorm, afgewezen.

2.4.

De Raad heeft op verzoek van de rechtbank onderzoek verricht en op 24 april 2015 rapport uitgebracht. De raad heeft geadviseerd het verzoek van de vrouw om de man de omgang met de kinderen te ontzeggen, toe te wijzen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het daartoe strekkende (inleidend) verzoek van de vrouw, de man het recht op omgang met de kinderen ontzegd met ingang van 18 november 2015.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, naar het hof begrijpt, een omgangsregeling tussen hem en de kinderen te bepalen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man zijn verzoek aangevuld, in die zin dat hij thans (subsidiair) verzoekt de omgang (slechts) voor bepaalde tijd te ontzeggen.

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het recht op omgang kan slechts worden ontzegd, indien de gronden, zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 Burgerlijk Wetboek, zich voordoen, te weten dat

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

4.2.

De man betoogt dat hem ten onrechte het recht op omgang met de kinderen is ontzegd. Hij betwist dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Hij betwist tevens dat hij agressief, gewelddadig en intimiderend jegens de kinderen en de vrouw is (geweest) en stelt dat de problemen tijdens het huwelijk niet uitsluitend aan hem zijn te wijten. Hij stelt voorts dat hij gedurende een aanzienlijke periode begeleiding heeft gehad van een gedragsdeskundige, doch dat de rechtbank daaraan ten onrechte geen betekenis heeft gehecht. Hij betwist dat hij geen empathisch vermogen heeft jegens de kinderen en dat hij geen erkenning toont voor hun negatieve herinneringen en hun angst. Volgens de man is er ruimte voor contactherstel. De kwetsbaarheid van [minderjarige A] en [minderjarige B] kan worden ondervangen door begeleide omgang en [minderjarige C] heeft geen angst voor hem, aldus de man.

4.3.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat de man haar en de kinderen regelmatig lichamelijk en psychisch heeft mishandeld en bedreigd, waardoor de kinderen bang zijn voor hun vader en getraumatiseerd zijn. Zij stelt voorts dat [minderjarige A] en [minderjarige B] uitdrukkelijk te kennen geven dat zij geen contact met hun vader willen. Ondanks verscheidene interventies om de omgang op te starten, bleef het contact tussen de man en de kinderen onveilig. Volgens de vrouw dient de man (eerst) hulp te zoeken in de vorm van de door de Raad geadviseerde systeemtherapie. De man lijkt nog steeds geen inzicht te hebben in zijn aandeel in de problematiek en hetgeen zijn gedrag voor de kinderen heeft betekend, aldus de vrouw.

4.4.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De Raad ziet op dit moment geen mogelijkheden voor contactherstel en acht begeleide omgang thans niet in het belang van de kinderen. Alvorens aan contactherstel kan worden gewerkt, acht de Raad het van belang dat de man niet alleen de negatieve herinneringen/belevingen en angsten van de kinderen zal erkennen, maar ook dat de man zich zal aanmelden voor systeemtherapie, bijvoorbeeld bij PsyQ, Spirit of Altra.

4.5.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Op 18 september 2013 heeft de behandelend kinderarts van [minderjarige A] een zorgmelding gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK). Het AMK heeft vervolgens onderzoek verricht naar de vraag of sprake is van lichamelijke mishandeling en psychisch geweld (actief). In de onderzoeksrapportage van 7 januari 2014 concludeert het AMK dat op basis van de informatie uit het onderzoek kindermishandeling in de vorm van lichamelijke mishandeling door de man en het getuige zijn van huiselijk geweld wordt bevestigd. Voorts blijkt uit de medio 2014 opgestelde diagnostische onderzoeks- en behandelverslagen van Altra ten aanzien van [minderjarige A] en [minderjarige B] dat de herinneringen van beide kinderen aan het geweld zo helder en gedetailleerd waren dat geen reden bestond om te twijfelen aan de echtheid daarvan. Zowel [minderjarige A] als [minderjarige B] is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis; beiden hadden last van herbelevingen, nachtmerries en concentratieproblemen. [minderjarige A] voelde veel woede jegens zijn vader en [minderjarige B] was heel erg angstig en voelde zich erg schuldig aan het geweld.

De man ontkent, ook thans ter zitting in hoger beroep, dat hij de kinderen heeft geslagen en zich agressief heeft gedragen. Blijkens voormelde verslagen van Altra is de ontkenning door de man van het geweld van invloed op de klachten van [minderjarige A] en zorgt deze ervoor dat [minderjarige A] zich onveilig blijft voelen. Volgens de – destijds betrokken – gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de GI) verhoogt de ontkenning door de man voorts het risico op herhaling en heeft de man nimmer laten zien dat hij inzicht heeft in wat zijn houding teweegbrengt.

In februari 2014 is de hulpverlening aan de kinderen door Altra van start gegaan. Daarnaast heeft in de thuissituatie bij de man ambulante hulpverlening door Altra plaatsgevonden in de vorm van Video Home Training tijdens de (begeleide) omgang tussen de man en [minderjarige B] en [minderjarige C] in de weekenden. Op advies van Altra heeft de GI de omgang tussen de man en [minderjarige B] en [minderjarige C] vanaf april 2014 stopgezet. [minderjarige A] had reeds eerder te kennen gegeven geen omgang met de man te willen. In een brief van de (toenmalige) gezinsmanager van 11 juli 2014 wordt vermeld dat de omgang volgens de ambulante hulpverlening niet goed verliep. Tijdens de omgang gebeurde er iedere keer iets waardoor [minderjarige B] en [minderjarige C] angstig terugkwamen. Voorts waren er aanwijzingen dat de man [minderjarige B] en [minderjarige C] blootstelde aan boosheid, waarbij het ook tot fysieke confrontaties zou zijn gekomen en [minderjarige C] door de man zou zijn geschopt. Volgens Altra konden de kinderen niet tot rust komen en profiteren van de hulpverlening, zolang zij werden blootgesteld aan de onvoorspelbare agressie van de man. De man heeft sindsdien geen omgang meer met de kinderen gehad. [minderjarige A] heeft nog tweemaal telefonisch contact gezocht met de man, voor het laatst in mei 2016.

Blijkens het raadsrapport hebben [minderjarige A] en [minderjarige B] geprofiteerd van de hulpverlening, maar zijn zij beiden kwetsbaar. Voorts blijft bij [minderjarige B] een reële angst voor de man bestaan, die niet weggenomen kan worden door de inzet van hulp. Hun kwetsbaarheid en de last die zij zullen ondervinden als zij (weer) contact zullen hebben met de man, is blijkens het raadsrapport een belangrijke reden waarom contactherstel niet in hun belang wordt geacht. Daarnaast ziet de Raad contra-indicaties voor omgang in de omstandigheid dat de man geen erkenning toont voor de negatieve herinneringen/belevingen van de kinderen en voor de angsten die zij voelen, alsmede in de omstandigheid dat hij geen inzicht toont in de behoeftes van de kinderen. Ondanks diverse interventies tijdens de contactmomenten blijft het contact tussen de man en de kinderen hierdoor, alsmede doordat de man de kinderen onder druk zet, onveilig. De Raad heeft de man geadviseerd om de contacten met de hulpverlening te continueren en acht in dat verband systeemgerichte therapie aangewezen.

4.6.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man op dit moment zelf geen ruimte biedt voor zinvol (begeleid) contact met de kinderen. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man zijn aandeel in de gebeurtenissen in het verleden alsmede de negatieve herinneringen/belevingen en de angsten van de kinderen, met name [minderjarige A] en [minderjarige B] , nog steeds niet erkent en dat hij, in weerwil van het advies van de Raad, (nog) geen systeemgerichte therapie heeft gevolgd. Gebleken is dat de man weliswaar psychologische hulp voor zichzelf heeft gezocht, doch deze was niet gericht op het systeem (gezin). Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij zich heeft aangemeld voor therapie maar hij wist niet om wat voor therapie het gaat. Bovendien was deze therapie ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet van start gegaan.

Evenals de Raad acht het hof thans te weinig draagvlak voor omgang aanwezig bij de kinderen. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat [minderjarige B] nog steeds fysiek heel angstig reageert wanneer de man ter sprake komt. Ook [minderjarige A] geeft in zijn e-mail van 18 september 2016 te kennen dat hij nog steeds bang is voor zijn vader. Hoewel het beter gaat met [minderjarige A] en [minderjarige B] en zij volgens de vrouw niet meer getraumatiseerd zijn, is naar het oordeel van het hof het risico te groot dat deze positieve ontwikkeling teniet zal worden gedaan, indien thans een (begeleide) omgangsregeling zou worden bepaald. Gedwongen omgang met de man zou op dit moment de angsten van [minderjarige A] en [minderjarige B] doen toenemen en veel onrust bij hen veroorzaken. Het hof is met de Raad van oordeel dat de man, alvorens gewerkt kan worden aan contactherstel, eerst de negatieve herinneringen/belevingen en angsten van de kinderen dient te erkennen. Tevens dient de man systeemtherapie te volgen teneinde inzicht te verkrijgen in de behoeftes van de kinderen, alsmede in hoeverre zijn houding en zijn gedragingen van invloed zijn op de kinderen. Op dit moment ontbreekt naar het oordeel van het hof het vertrouwen bij de kinderen, met name [minderjarige A] en [minderjarige B] , dat zij onbelast contact met de man kunnen hebben.

Hoewel [minderjarige C] blijkens het raadsrapport, mede gezien zijn jonge leeftijd, weinig belast lijkt te zijn met gebeurtenissen uit het verleden en geen angst voor de man laat zien, acht het hof, gelet op het voorgaande en in navolging van het advies van de Raad, ook ten aanzien van [minderjarige C] contactherstel met de man, ook als dit geleidelijk en behoedzaam zou worden opgebouwd, thans te belastend. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat er ook ten aanzien van [minderjarige C] aanwijzingen zijn van geweld of dreigen met geweld tijdens de omgang. Voorts maakt [minderjarige C] deel uit van het gezin waarin geen ruimte is voor contact met de man, zodat contactherstel met [minderjarige C] op dit moment een ontwrichtende invloed op het gezin met zich zou brengen.

4.7.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof omgang tussen de man en de kinderen in strijd acht met de zwaarwegende belangen van de kinderen.

4.8.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de man stelt het hof voorop dat de ouder aan wie de omgang is ontzegd, zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen. Het hof ziet geen aanleiding om de omgang (slechts) voor bepaalde tijd te ontzeggen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is thans geen sprake van een situatie waarin op korte termijn mogelijkheden voor contactherstel bestaan.

4.9.

Voor zover de man ter zitting in hoger beroep heeft verzocht een nader raadsonderzoek te gelasten, ziet het hof hiervoor geen aanleiding, nu zich na het uitbrengen van het raadsrapport van 24 april 2015 geen ontwikkelingen hebben voorgedaan, die meebrengen dat een nader raadsonderzoek toegevoegde waarde kan hebben. Voorts acht het hof een nader raadsonderzoek thans niet in het belang van de kinderen nu een dergelijk onderzoek belastend voor hen is.

4.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. R.G. Kemmers en mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.