Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4612

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
200.183.756/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:8491, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bruidsschat behoort niet toe aan de vrouw en wordt betrokken in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 november 2016: 200.183.756/01 (boedel) en 200.186.921/01 (alimentatie)

Zaaknummers eerste aanleg: C/15/219379 / FA RK 14-4080 en

C/15/224027 / FA RK 15-1771

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.A. Wondaal te Alkmaar,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.J. Begthel te Houten.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 7 januari 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 7 oktober 2015 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank), met de kenmerken C/15/219379 / FA RK 14-4080 en C/15/224027 / FA RK 15-1771.

1.3.

De man heeft op 29 februari 2016 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 12 april 2016 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De man heeft bij brief gedateerd 13 juni 2016 en bij brief gedateerd 14 juni 2016 nadere stukken ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 13 juni 2016 en 22 juni 2016 nadere stukken ingediend.

1.7.

Beide zaken zijn op 23 juni 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2.De feiten

Partijen zijn [in] 2013 in Zaanstad gehuwd. Zij hadden ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. Hun huwelijk is op

11 augustus 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van

29 april 2015 in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek tot echtscheiding is op

2 december 2014 ingediend.

3.Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is - voor zover thans van belang - bepaald dat de man

€ 600,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Tevens is de wijze van verdeling gelast van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap op de wijze zoals onder rechtsoverweging 2.3. is overwogen, en is bepaald dat de man een bedrag van € 2.000,- aan de vrouw dient te voldoen ter zake de auto, en dat de vrouw een bedrag aan de man dient te voldoen van € 12.500,- ter zake van sieraden en goud.

3.2.

De vrouw verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

I. te bepalen dat de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap dient plaats te vinden conform de overweging van de rechtbank onder punt 2.3., waarbij partijen ten aanzien van de bruidsschat over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben, althans de verdeling van de bruidsschat (opnieuw) vast te stellen;

II. te bepalen dat de man binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking op grond van 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inzage dient te verstrekken in de saldi op zijn bankrekeningen per datum van 2 december 2014, waarbij de man gehouden is de helft van die saldi aan de vrouw te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat de man in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

en voor zover het hof een andere beslissing neemt over de bruidsschat:

III. te bepalen dat de man gehouden is tot terugbetaling van hetgeen hij op basis van de bestreden beschikking ten onrechte heeft geïncasseerd, waaronder het thans geëxecuteerde bedrag van € 5.079,82 zijnde het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de echtelijke woning, te vermeerderen met de executiekosten en de overige kosten die samenhangen met de executie.

3.3.

De man verzoekt in principaal appel de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel haar verzoeken af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de man, met vernietiging van de bestreden beschikking onder de punten 3.2, 3.3 en 3.5, te bepalen dat:

I. de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van

1 januari 2016 € 54,- per maand bedraagt en met ingang van 1 april 2016 op nihil wordt gesteld;

II. de vrouw ter zake de feitelijke verdeling van de inboedel is overbedeeld, op grond waarvan zij binnen veertien dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking een bedrag van

€ 3.975,- aan de man dient te voldoen;

III. te bepalen dat de bankrekeningen worden toegedeeld aan degene op wiens naam ze staan, zonder verdeling van het op deze rekeningen aanwezige saldo, en voorts te bepalen dat de en/of rekening dient te worden opgeheven onder verdeling bij helfte van het saldo op deze rekening per 26 september 2015;

IV. te bepalen dat de vrouw gehouden is met een bedrag van € 1.790,10 bij te dragen in de door de man betaalde gezamenlijke kosten in de periode na het uiteengaan van partijen, welk bedrag zij binnen veertien dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking aan de man dient te voldoen.

3.4.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft de punten waartegen in het incidenteel appel wordt gegriefd en zij verzoekt de man te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel.

4. Beoordeling van het hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.186.921/01 (alimentatie)

4.1.

Aan de orde is de vraag of de rechtbank op juiste gronden een door de man jegens de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ter hoogte van € 600,- per maand heeft vastgesteld.

4.2.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bestreden beschikking volgt – voor zover thans van belang – dat de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man is uitgegaan van een inkomen van € 2.550,- bruto per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8 %. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met een redelijke woonlast van € 625,- per maand aan kale huur; de werkelijke huur bedroeg € 900,- per maand.

Hoewel vaststaat dat de inkomsten van de man als gevolg van werkloosheid per 1 januari 2016 zijn gedaald tot een bedrag van € 2.044,35 bruto per maand, volgt het hof de man niet in zijn stelling dat zijn afgenomen draagkracht slechts een onderhoudsbijdrage toelaat vanaf 1 januari 2016 van € 54,- per maand. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man niet meer in de woning van een vriend verblijft, in welk kader de rechtbank rekening heeft gehouden met bovengenoemde woonlast, maar dat hij vanaf begin 2016 bij zijn ouders inwoont. Hij betaalt voor dit verblijf vooralsnog geen vergoeding. Tegenover de verlaging van zijn inkomen staat dan ook een substantiële verlaging van zijn (woon)lasten. De grief van de man faalt dan ook in zoverre.

Voor zover de man nog stelt dat in de bestreden beschikking bij de bepaling van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening is gehouden met door hem gedane aflossingen op een huwelijkse schuld bij zijn neef, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij de restantschuld na afgifte van de bestreden beschikking heeft afgelost met de overwaarde die resteerde na verkoop en levering van de voormalig echtelijke woning. Reeds om deze reden kan bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening worden gehouden met aflossingen op voornoemde schuld, waarbij het hof in het midden laat of deze lening inderdaad heeft bestaan, nu de vrouw dit gemotiveerd betwist. Dit leidt het hof tot de conclusie dat de bestreden beschikking, voor zover het de periode van 1 januari 2016 tot

1 april 2016 betreft, in stand dient te blijven.

4.3.

Als ter zitting in hoger beroep onweersproken, staat vast dat de man per 1 april 2016 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Het hof dient er bij deze stand van zaken van uit te gaan dat de man vanaf dat moment geen draagkracht meer heeft voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en de door de man te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 april 2016 op nihil stellen.

5. Beoordeling van het hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.183.75601 (boedel)

5.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Tegen dit oordeel is geen grief gericht. Nu partijen geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan, brengt dit met zich dat zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

De peildatum voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgemeenschap, 2 december 2014, is tussen partijen niet in geschil.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

Bruidsschat

5.2.

Grief 1 van de vrouw heeft betrekking op de bruidsschat. Tussen partijen staat vast zij ter gelegenheid van de huwelijkssluiting onder andere goud, geld en sieraden hebben ontvangen. Deze sieraden, het geld en het goud worden in de stukken van het dossier ook wel aangeduid als de “mihir”, een rechtsfiguur die het Nederlandse huwelijksvermogensrecht niet kent.

Het hof overweegt als volgt.

5.3.

Op grond van artikel 1:94 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omvat de gemeenschap wat haar baten betreft alle tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten, met uitzondering van goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen. Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze zijn verknocht, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat het goud en de sieraden aan haar toebehoren op grond van de ten overstaan van de imam – [X] – tussen partijen gemaakte afspraak dat het goud en de sieraden niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren en aan de vrouw toekomen.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw niet aangetoond dat partijen voorafgaand aan het huwelijk een overeenkomst zijn aangegaan van de door de vrouw gestelde strekking. De enkele verklaring van [X] is daartoe onvoldoende. Uit het WhatsAppbericht van de man dat dateert van na het feitelijk uiteengaan van partijen, luidende “Ik zal je het geld en het goud geven”, valt niet op te maken dat de man deze toezegging doet ter nakoming van een dergelijke afspraak.

Nu bovendien is gesteld noch gebleken dat het goud en de sieraden zijn verknocht, en evenmin dat aan de schenking van de sieraden een uitsluitingsclausule is verbonden vallen de sieraden en het goud in de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen en dienen deze in de verdeling te worden betrokken, en wel voor zover zij op het moment van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap nog aanwezig waren.

5.4.

Subsidiair stelt de vrouw zich, in haar tweede grief, op het standpunt dat partijen de bovengenoemde sieraden en het goud reeds tijdens een vakantie in Turkije in december 2013 hebben verkocht vanwege de penibele financiële situatie waarin zij op dat moment verkeerden. De sieraden en het goud maakten op de peildatum (2 december 2014) dan ook geen deel meer uit van de huwelijksgoederengemeenschap, zodat van verdeling van deze goederen geen sprake meer kan zijn, aldus de vrouw. De man betwist de verkoop van de sieraden en stelt dat het goud en de sieraden zich – met uitzondering van enkele muntjes waarvan partijen een armband hebben laten maken – op 12 september 2014 nog in de kluis van partijen bevonden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat het geld dat partijen ter gelegenheid van de huwelijkssluiting hebben ontvangen, voor het grootste deel is uitgegeven. De helft van het bedrag dat nog resteerde heeft de man – ten behoeve van de vrouw – overgemaakt naar een bankrekening van haar vader.

Ten aanzien van het verloop van de gebeurtenissen rondom het goud en de sieraden vanaf de bruiloft tot het moment van het openboren van de kluis op 9 december 2014 neemt het hof over en maakt tot het zijne hetgeen de rechtbank in dit verband onder 2.3.11 van de bestreden beschikking heeft overwogen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat het goud en de sieraden – behoudens de sieraden voor dagelijks gebruik – zich op de peildatum nog in de kluis bevonden. Het lag op de weg van de vrouw om gemotiveerd en onderbouwd met bewijsstukken aan te geven waarom deze conclusie onjuist zou zijn. De stelling dat partijen tijdens de kerstvakantie in 2013 bij een Turkse juwelier in Istanboel de sieraden hebben ingeruild voor geld, is hiertoe – gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stelling door de man – onvoldoende, temeer daar deze stelling zich niet goed verdraagt met de stelling van de vrouw dat zij op grond van de toezegging van de man tijdens het WhatsAppgesprek inhoudende “Ik zal je het geld en het goud geven” dat partijen eerst in augustus 2014 voerden, is gerechtigd tot het goud en de sieraden. Ook het formulier waarmee de man in januari 2014 een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en waarbij partijen hebben nagelaten het bezit van sieraden te vermelden kan de vrouw niet baten. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw de kluis – tegen betaling van € 500,- – heeft laten openboren. De verklaring die de vrouw daarvoor heeft gegeven, namelijk dat zij de kluis heeft laten openboren om over haar diploma’s te kunnen beschikken, in een periode waarin zij een uitkering op grond van de Ziektewet ontving, acht het hof niet aannemelijk. Bovendien heeft de vrouw tegenstrijdige verklaringen gegeven over de aanwezigheid van de sieraden en het goud in de kluis; onbetwist is gebleven dat door haar advocaat in een brief aan de man van 12 september 2014 naar voren is gebracht dat het goud en de sieraden zich op dat moment nog in de kluis bevonden. De vrouw is naderhand op deze verklaring teruggekomen, stellende dat haar verklaring niet op waarheid berustte – de sieraden en het goud waren wel degelijk verkocht –, omdat zij haar ouders nog niet had ingelicht over de eerdere verkoop van de sieraden en het goud.

5.6.

Nu de vrouw heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over hetgeen zich op de peildatum in de kluis van partijen bevond, houdt het hof het ervoor dat het goud en de sieraden zich op de peildatum nog in de kluis bevonden. De tweede grief van de vrouw faalt derhalve.

Daarmee komt het hof toe aan de vraag op welke wijze het goud en de sieraden verdeeld dienen te worden en - bij toedeling van de sieraden aan één van partijen - tegen welke waarde. Ter zitting in hoger beroep heeft de man aangevoerd primair verdeling van de sieraden en het goud bij helfte voor te staan, en subsidiair, onder verrekening van de helft van de waarde, toedeling van de sieraden en het goud aan de vrouw.

Het standpunt van de vrouw over de afwezigheid van het goud en de sieraden op de peildatum noopt naar het oordeel van het hof tot toedeling van de sieraden en het goud aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de waarde aan de man. Het hof zal aldus beslissen. Ten aanzien van de waardering van het goud en de sieraden overweegt het hof als volgt.

De vrouw richt zich in haar derde grief tegen de waardering van het goud en de sieraden op een bedrag van € 25.000,-. De vrouw stelt dat het goud en de sieraden in Nederland een waarde vertegenwoordigen van € 6.525,-; in Turkije zou de waarde € 8.000,- bedragen. Volgens de man bedraagt de totale waarde van alle goud en sieraden, inclusief de sieraden voor dagelijks gebruik, € 25.000,-. Een groot deel van de sieraden is in aanwezigheid van partijen door hun wederzijdse ouders van partijen aangekocht en ter gelegenheid van het huwelijk aan hen geschonken. Partijen waren dan ook bekend met de waarde van (een groot deel van) het goud en de sieraden, aldus de man.

5.7.

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat het bij de verdeling van de bruidsschat om de volgende stukken gaat:

-besi bir yerde (ketting met gouden munt);

-14 burma bilezik (14 armbanden);

-buyuk altin (stuk goud);

-kolye (ketting);

-trabzon seti (ketting en armbandje en oorbellen van 100 gram);

-11 bilezik (armband).

5.8.

De man heeft ter zitting in hoger beroep - aan de hand van het gewicht van de stukken, het aantal karaat en de aankoopwaarde van de (tien) door zijn ouders geschonken armbanden (de ‘burma bilezik’) - gemotiveerd betoogd dat de sieraden en het goud een waarde vertegenwoordigen van € 25.000,-. Volgens de man vertegenwoordigt de ‘besi bir yerde’ een waarde van ongeveer € 5.000,-. De – 20 karaats – ‘burma bilezik’ heeft een gewicht van 20 gram per armband. Volgens de man zijn deze voor ongeveer € 600,- per armband aangekocht. De – 14 karaats – ‘bilezik’ hebben een gewicht van ongeveer 5 tot 8 gram en zijn € 250,- tot € 300,- per armband waard, aldus de man.

Door de vrouw is niet ontkend dat zij de ‘besi bir yerde’ draagt. Zij heeft in eerste aanleg noch ter zitting in hoger beroep (gemotiveerd) weersproken dat deze ketting een waarde vertegenwoordigt van € 5.000,-. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen om door middel van een gespecificeerde taxatie duidelijkheid te verschaffen over de waarde van - in ieder geval - dit sieraad. Ook ten aanzien van de overige sieraden heeft de vrouw de stellingen van de man onvoldoende gemotiveerd weersproken. De enkele verwijzing naar de door haar als productie 18 overgelegde ‘waardebepalingen’ - een werkelijke taxatie van de afzonderlijke sieraden en het goud heeft niet plaatsgevonden - is hiertoe onvoldoende. Nog daargelaten de waarde van de ‘seti’ met een gewicht van 100 gram en de munten, komt het hof op basis van het vorengaande op een waarde van € 16.425,-; de ‘besi bir yerde’ van € 5.000,-, de ‘burma bilezik’ van (14 x € 600,-) € 8.400,- en de ‘bilezik’ van (11 x gemiddeld € 275,-) € 3.025,-. Een waardering van het totaal aan goud en sieraden op een bedrag van € 25.000,- komt het hof dan ook niet onaannemelijk voor, zodat de derde grief van de vrouw faalt. Nu de vrouw het goud en de sieraden onder zich heeft, komt het het hof geraden voor te bepalen dat de man de helft van de waarde toekomt, zoals de rechtbank heeft bepaald. Grief 3 van de man faalt eveneens.

Inboedel

5.9.

De man betoogt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn verzoek om de inboedel bij helfte te verdelen niet voldoende heeft onderbouwd. De vrouw heeft nagenoeg de gehele inboedel meegenomen en is daarmee voor een bedrag van

€ 7.950,- overbedeeld, aldus de man. De vrouw stelt dat de feitelijke verdeling reeds heeft plaatsgevonden conform de tussen partijen gemaakte afspraak, inhoudende dat de inboedelgoederen van de eerste verdieping de vrouw toekomen, en de inboedelgoederen van de begane grond de man.

Het hof is van oordeel dat de door de man overgelegde verklaring van de voormalige buren

- tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw - onvoldoende bewijs biedt voor zijn stelling dat de vrouw nagenoeg de gehele inboedel heeft meegenomen. Bovendien kunnen partijen aanspraak maken op een feitelijke verdeling, heeft de vrouw zich altijd op het standpunt gesteld dat partijen daartoe ook zijn overgegaan en dat de man geen nadere voorstellen dienaangaande heeft gedaan, zodat er geen sprake van een grondslag, op basis waarvan de man thans een geldvordering zou toekomen. Deze grief faalt derhalve.

Bankrekening(en) en kosten huishouding

5.10.

Door middel van zijn vierde grief in incidenteel appel klaagt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij de helft van het saldo van zijn bankrekeningen per de peildatum aan de vrouw dient te voldoen. De man heeft van deze bankrekening ook na 2 december 2014 de gezamenlijke vaste lasten betaald, zodat de man – wanneer hij het saldo op deze rekening per 2 december 2014 zou moeten delen – dubbel voor de vrouw zou betalen. Ten aanzien van de en/of rekening stelt de man dat deze dient te worden opgeheven onder verdeling van het saldo op 26 september 2015, de datum waarop de laatste transactie ten behoeve van partijen gezamenlijk heeft plaatsgevonden.

Omdat de man tot op heden heeft nagelaten de helft van dit saldo aan de vrouw te voldoen, althans haar inzage te verschaffen in het saldo van deze rekening per 2 december 2014, verzoekt de vrouw in grief 4 in principaal appel op grond van artikel 843a Rv jo. 22 Rv inzage in het saldo op voormelde bankrekeningen van de man op 2 december 2014, zodat overgegaan kan worden tot verdeling van de saldi op deze rekeningen.

In grief 5 in incidenteel appel stelt de man voorts nog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hetgeen hij naast de kosten van de auto aan gezamenlijke lasten heeft betaald, zijn aandeel in de kosten van de gezamenlijke huishouding heeft overtroffen. Hij maakt aanspraak op een door de vrouw te betalen bedrag van € 1.790,-.

5.11.

Het hof overweegt ten aanzien van de bankrekening(en) en de kosten van de huishouding als volgt.

De echtscheiding tussen partijen is uitgesproken op 29 april 2015 en op 11 augustus 2015 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Tot 11 augustus 2015 dienden partijen elkaar op grond van artikel 81 van boek 1 BW het nodige te verschaffen, waaronder levensonderhoud.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de vrouw haar opleiding HBO Verpleegkunde in juli 2014 heeft afgerond. Tot de eenzijdige echtscheidingsmelding door de man op 18 augustus 2014 heeft zij gedurende een week als oproepkracht gewerkt in het [medisch centrum] . De man heeft de vrouw na de echtscheidingsmelding bij haar ouders ondergebracht en is zelf in de voormalig echtelijke woning blijven wonen.

Tot 20 februari 2015, de datum waarop de echtelijke woning is verkocht en geleverd, heeft de man de woonlasten en overige vaste lasten voor zijn rekening genomen. Daartegenover stond dat hij ook als enige het woongenot van de woning had. De man genoot op dat moment een inkomen van € 2.550,- bruto per maand, terwijl de vrouw (met ingang van 8 september 2014) een bijstandsuitkering ontving van € 679,75 per maand. De vrouw heeft gedurende de echtscheidingsprocedure geen aanspraak gemaakt op een (voorlopige) bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding de verzoeken van de man – verrekening van de kosten van de huishouding in de periode na het feitelijk uiteengaan van partijen tot verkoop van de echtelijke woning, toedeling van de privérekeningen aan de tenaamgestelde zonder verdeling van het op deze rekeningen aanwezige saldo alsmede verdeling van het saldo van de en/of rekening op 26 september 2015 – toe te wijzen.

5.12.

Nu de bestreden beschikking in stand blijft voor zover deze ziet op de toedeling en verrekening van de saldi van de bankrekeningen komt het hof toe aan bespreking van de vierde grief van de vrouw, inhoudende dat de man – onder oplegging van een dwangsom – wordt verplicht inzage te geven in de saldi van zijn betaal- en spaarrekeningen per datum van 2 december 2014.

Nu de man tot op heden weigerachtig is gebleken inzage te verstrekken in de saldi van zijn betaal- en spaarrekeningen op 2 december 2014, zal het hof het verzoek van de vrouw toewijzen, met dien verstande dat het bedrag wordt gematigd tot € 50,- per dag, met een maximum van € 2.500,-.

Terugbetaling

5.13.

De vrouw wenst terugbetaling door de man van het haar toekomende deel van de overwaarde na verkoop van de voormalig echtelijke woning, in totaal een bedrag van € 10.159,63.Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man dit – destijds bij de notaris in depot staande – bedrag heeft geïncasseerd, naar zijn zeggen ter aflossing van de lening bij zijn neef.

Nu het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen voor zover daarin is bepaald dat de sieraden aan de vrouw zullen worden toebedeeld en de man de helft van de waarde van de sieraden toekomt, kan op die vordering in mindering strekken het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de echtelijke woning dat de man onder beslag heeft uitgewonnen. Het verzoek van de vrouw tot terugbetaling van hetgeen de man op basis van de bestreden beschikking heeft geëxecuteerd, komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. Anders gezegd, de vrouw is gerechtigd hetgeen zij aan de man dient te betalen op grond van deze beschikking, te verrekenen met het haar eveneens op grond van de beschikking van 7 oktober 2015 toekomende aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning, een bedrag van afgerond € 5.079,82 in hoofdsom. Daarmee kan het hof volstaan.

De vrouw heeft de door haar verzochte executiekosten en overige kosten die samenhangen met de executie niet onderbouwd, zodat deze niet zijn komen vast te staan. Het verrekeningsrecht van de vrouw kan zich daarom niet tevens uitstrekken tot deze kosten.

Kostenveroordeling

5.14.

Gelet op de aard en de uitkomst van de procedure, is er geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

5.15.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de partnerbijdrage en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud per 1 april 2016 op nihil;

bepaalt dat de man de vrouw binnen 14 dagen na heden inzage dient te geven in de saldi van zijn betaal- en spaarrekeningen per datum van 2 december 2014, en bepaalt dat de man een dwangsom verbeurt aan de vrouw van € 50,- (VIJFTIG EURO) voor iedere dag dat hij weigert de vrouw deze inzage te geven, tot een maximum van € 2.500,- (TWEEDUIZEND VIJFHONDERD EURO);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. A.R. Sturhoofd en

mr. H.A. van den Berg in tegenwoordigheid van mr. M. Broek-Hartenberg, als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.