Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:461

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
200.169.404/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kredietverstrekking. Kredietnemer heeft de opschortende voorwaarde in de kredietovereenkomst mogen begrijpen zoals hij heeft gedaan, namelijk dat de verificatie van gegevens niet zag op het fiatteren van het reeds aangeboden krediet en dat de bank er redelijkerwijs rekening mee heeft moeten houden dat kredietnemers de voorwaarde niet in de door bank voorgestane zin zouden begrijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/397
RF 2016/43
NTHR 2016, afl. 2, p. 111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.169.404/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/565313/HA ZA 14-518

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 februari 2016

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. E. Doornbos te Badhoevedorp,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. van Vlooten te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en ABN AMRO genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 16 april 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2015, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en ABN AMRO als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad - zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding in beide instanties. ABN AMRO heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.6. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

[appellant] is bestuurder van Core Business B.V. (hierna: Core).

3.1.2.

In 2007 heeft ABN AMRO aan Core op grond van een kredietovereenkomst een kredietfaciliteit van € 10.000 ter beschikking gesteld. Met het oog op haar nieuwe bedrijfsactiviteiten heeft Core eind 2007 met ABN AMRO gesproken over de uitbreiding van haar bestaande kredietfaciliteit tot € 50.000. Bij brief van 27 december 2007 heeft ABN AMRO aan Core een aanbod gedaan voor een kredietfaciliteit van € 50.000. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘Ons aanbod is geldig tot 13-01-2008. Bij acceptatie van dit aanbod ontvangen wij graag een (1) exemplaar van de Kredietovereenkomst rechtsgeldig mede-ondertekend en gedateerd en op de overige bladen geparafeerd voor deze datum terug.’

3.1.3.

In de bijgevoegde kredietovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

‘De kredietnemer krijgt op basis van de aan ABN AMRO verstrekte informatie en/of de bij ABN AMRO bekende gegevens een OndernemersRekeningCourantKrediet (“krediet in rekening-courant”) ter beschikking tegen de in deze overeenkomst met bijbehorende bijlage vermelde condities. Het krediet in rekening-courant dient ter financiering van de bedrijfsuitoefening van de Kredietnemer.

Omvang EUR 50.000,00

(…)

Deze Kredietovereenkomst is aangegaan onder voorbehoud van verificatie van gegevens.’

3.1.4.

De kredietovereenkomst is op 2 januari 2008 getekend door [appellant] .

3.1.6.

Bij e-mailbericht van 8 januari 2008 heeft [appellant] de nieuwe bedrijfsactiviteiten van Core als volgt aan ABN AMRO toegelicht:

‘Ons bedrijf is een nieuwe weg ingeslagen en gaat zich nu ook bezig houden met zaken die voornamelijk op het Internet zullen worden gedaan.

Deze zaken worden onderscheiden in E-Commerce (Webwinkels) en Internet Marketing (IM). Dit laatste is een voor Nederland nog vrij onbekende fenomeen maar is in de VS en andere delen van de wereld zoals Azië een zeer lucratieve zaak. Wij willen daarop inspelen en dit in Nederland en andere europese landen gaan aanbieden.’

3.1.5.

Bij brief van 18 januari 2008 heeft ABN AMRO als volgt aan Core bericht:

‘Hierbij delen wij u mee dat het betalingsverkeer dat uw rekening vertoont ons aanleiding heeft gegeven onze relatie met de vennootschap te herzien.

Wij zijn tot de conclusie gekomen dat wij geen enkele rol zien van de bank in het betalingsverkeer van uw bedrijf.

Dit soort betalingsverkeer gepaard aan een structureel gebrek aan inzicht in de relatie tussen dat betalingsverkeer en bedrijfsactiviteiten, leidt tot de conclusie dat wij in het ongewisse verkeren omtrent het risico dat wij lopen in een branche die bekend staat als witwasgevoelig. Dat is een soort risico dat de bank niet mag lopen.

Daarom maken wij bij dezen gebruik van ons recht de relatie met u op te zeggen.’

3.2.

[appellant] vordert, samengevat, in deze procedure bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest veroordeling van ABN AMRO tot betaling van € 53.094,12, vermeerderd met de wettelijke rente en een bedrag van € 1.788 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van de procedure. [appellant] legt aan zijn vordering ten grondslag dat ABN AMRO jegens [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst. Het gevorderde bedrag ziet op de schade die Core - na verrekening - heeft geleden als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van ABN AMRO.

3.3.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Ten aanzien van de grondslag heeft de rechtbank overwogen dat de kredietovereenkomst is aangegaan onder het voorbehoud van verificatie van gegevens. Dit betreft een opschortende voorwaarde. ABN AMRO was dan ook slechts gehouden de kredietfaciliteit van € 50.000 ter beschikking te stellen indien het verificatieproces binnen ABN AMRO met goed gevolg was doorlopen. Zoals volgt uit de brief van 18 januari 2008 werd de door [appellant] getekende offerte niet gefiatteerd. Daarmee is de opschortende voorwaarde in vervulling gegaan en was ABN AMRO niet gehouden een krediet van € 50.000 te verstrekken aan Core. Nu ABN AMRO niet was verplicht het krediet aan Core ter beschikking te stellen, is van een tekortkoming van ABN AMRO evenmin sprake.

Tegen de beslissing van de rechtbank en de motivering die daaraan ten grondslag ligt, komt [appellant] met twee grieven op.

3.4.

Het hof ziet aanleiding eerst Grief 2 te behandelen.

3.5.

Grief 2 strekt ten betoge dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder 4.4 ten onrechte heeft overwogen dat ABN AMRO, nadat Core het kredietaanbod had aanvaard, niet gehouden was het krediet van € 50.000 te verstrekken.

3.6.

Voor zover [appellant] met deze grief betoogt dat hij uit de bepaling in de kredietovereenkomst, dat de kredietovereenkomst is aangegaan onder voorbehoud van verificatie van gegevens, niet heeft behoeven te begrijpen dat ABN AMRO het krediet van € 50.000 offreert onder voorbehoud van fiattering, overweegt het hof als volgt.

3.7.

Voor de beantwoording van de vraag hoe de bepalingen in een overeenkomst moeten worden uitgelegd, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, het zogenoemde Haviltexcriterium.

3.8.

Uit de letterlijke tekst van de opschortende voorwaarde volgt niet dat het kredietaanbod wordt gedaan onder voorbehoud van fiattering. Het verifiëren van gegevens is toch een andere activiteit dan het fiatteren van het reeds aangeboden krediet. Het hof is van oordeel dat Core de opschortende voorwaarde in de kredietovereenkomst heeft mogen begrijpen zoals zij heeft gedaan, namelijk dat de verificatie van gegevens niet zag op het fiatteren van het reeds aangeboden krediet en dat ABN AMRO er redelijkerwijs rekening mee heeft moeten houden dat kredietnemers als Core de voorwaarde niet in de door ABN AMRO voorgestane zin zouden begrijpen. Daaraan doet niet af dat, zoals ABN AMRO stelt, dit soort opschortende voorwaarden zeer gebruikelijk zijn in de financieringspraktijk, nu zij niet stelt dat zij Core heeft gewezen op de betekenis die ABN AMRO aan die voorwaarde toekent. Daarnaast valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom ABN AMRO, indien aan de voorwaarde de betekenis moet worden toegekend die ABN AMRO voorstaat, in de kredietovereenkomst niet gewoon wordt vermeld dat het aanbod wordt gedaan onder voorbehoud van fiattering. Bovendien wordt in de brief van 18 januari 2008, waarin ABN AMRO de relatie met Core opzegt, op geen enkele wijze gerefereerd aan het bewuste voorbehoud. In die brief wordt als reden voor het opzeggen van de relatie aangevoerd het soort betalingsverkeer dat gepaard gaat met een structureel gebrek aan inzicht in de relatie tussen dat betalingsverkeer en bedrijfsactiviteiten en het daaraan verbonden risico dat ABN AMRO loopt in een branche die bekend staat als witwasgevoelig.

3.9.

Grief 2 slaagt in zoverre. Dit leidt echter niet tot toewijzing van de vorderingen, omdat de gevorderde schade onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de geleden schade stelt [appellant] dat Core diverse verplichtingen is aangegaan die zagen op het leveren van diensten die nodig waren om zogeheten VoIP-producten aan te kunnen bieden. Met deze overeenkomsten waren grote bedragen gemoeid. Noodgedwongen heeft Core, als gevolg van het niet doorgaan van de kredietfaciliteit, de overeenkomsten moeten beëindigen. Dit heeft de nodige energie, tijd en kosten met zich meegebracht. [appellant] heeft in de procedure een schadeberekening overgelegd welke uitkomt op een bedrag groot € 63.094,12 te verminderen met het door [appellant] aan ABN AMRO verschuldigde bedrag groot € 10.000.

3.10.

De overgelegde schadeberekening bestaat uit gemaakte uren van [appellant] in de periode januari tot en met november 2008 € 28.800 (360 uur à € 80), een lening inzake Drosthagen van € 31.775,70 en kosten inzake MyCom, l’Attrezzo, KLC Cons en Regus (totaal € 2.518,42). [appellant] onderbouwt in het geheel niet wat deze schadeposten verbindt met de eerder afgesloten en later ontbonden overeenkomsten in het kader van de nieuw op te zetten bedrijfsactiviteiten. In dit verband had het op de weg van [appellant] gelegen om op zijn minst de betreffende overeenkomsten en correspondentie te overleggen. Ook licht [appellant] niet toe waaraan hij de 360 uur, die hij in rekening brengt, heeft besteed. Daaruit volgt dat het causaal verband tussen de tekortkoming van ABN AMRO en de gestelde schade niet is komen vast te staan.

3.11.

Het algemene bewijsaanbod van [appellant] zal worden gepasseerd nu hij geen voldoende concrete feiten stelt die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden.

3.12.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 1.937 aan verschotten en € 1.631 voor salaris, te vermeerderen met € 68 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, M.P. van Achterberg en M. Jurgens en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.