Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4608

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
200.175.311/01 en 200.175.312/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man heeft met zijn investering in de woning van de vrouw voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/18
RFR 2017/42
FJR 2017/24.9
JPF 2017/21
JIN 2017/7 met annotatie van E.B. Warmerdam-Wolfs
PFR-Updates.nl 2016-0315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 november 2016

Zaaknummers: 200.175.311/01, 200.175.312/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/561154 / FA RK 14-1817 en C/13/579257 / FA RK 15/103 (JB/DC)

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.F.M. Kappé te Amstelveen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. Hussl te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna wederom respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

Voor het verloop van het geding in hoger beroep verwijst het hof naar de overwegingen 1.2 tot en met 1.10 van de door het hof in deze zaak gegeven beschikking van 31 maart 2016.

1.3.

Partijen hebben na de zitting nog gecorrespondeerd met het hof, de man (zonder tussenkomst van zijn advocaat) bij brief van 28 september 2016 en de vrouw bij brief van 28 september 2016. Voor zover daarin zaken aan de orde zijn gekomen die voor de beslissing op de onder 2.2 en 2.3 van de beschikking van 31 maart 2016 genoemde verzoeken van partijen relevant zouden kunnen zijn, neemt het hof deze als vallende buiten de grenzen van een goede procesorde niet in beschouwing.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 18 september 1987 onder het aangaan van huwelijkse voorwaarden gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geboren [A] [in] 1989 en [B] (hierna: [kind b] ) [in] 1991. Sinds augustus 2007 wonen partijen gescheiden.

2.2.

In de huwelijkse voorwaarden is, voor zover van belang, bepaald dat tussen partijen geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap zal bestaan. Voorts bevatten de huwelijkse voorwaarden een (verreken)beding ten aanzien van de kosten van de huishouding. Het recht uit dien hoofde verrekening te vorderen vervalt zes maanden na het eindigen van elk kalenderjaar, alsmede zes maanden na ontbinding van het huwelijk.

2.3.

Op 6 januari 1992 is aan de vrouw geleverd de voormalig echtelijke woning, gelegen aan [a-straat] [huisnummer 1] (het woonhuis) en [huisnummer 2] (een garage) te [plaats b] (hierna: de woning). Op de woning rusten twee hypothecaire leningen bij de Rabobank, door beide partijen aangegaan in 1992 en 1998, van afgerond totaal € 272.268,- Daarnaast heeft de vrouw bij notariële akte gedateerd 16 januari 2013 een (derde) hypothecaire zekerheidsstelling op onder meer voornoemde onroerende zaken verleend aan haar ouders totaal ten bedrage van € 350.000,-, inclusief rente en kosten. Aan de hypotheek bij de Rabobank is een spaarverzekering bij Interpolis gekoppeld waarvan de man verzekeringnemer en begunstigde is. De polis is verpand aan de Rabobank.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1963. Zij is alleenstaand. [kind b] woont bij haar in.

2.5.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1963. Hij is alleenstaand.

Hij is directeur-grootaandeelhouder (DGA) van [B.V.1] (hierna: [B.V.1] ). [B.V.1] houdt 70 % van de aandelen in [B.V.2] (hierna: [B.V.2] ).

Aan premie voor de spaarverzekering bij Interpolis betaalt hij € 414,- per maand.

Zijn huur bedraagt € 903,- per maand.

Hij betaalt € 114,- per maand aan premie zorgverzekering voor zichzelf. Hij betaalt € 331,- per maand aan premie zorgverzekering voor de vrouw en [kind b] .

3 Verdere beoordeling van het hoger beroep

De echtscheiding

3.1.

Ter zitting in hoger beroep op 31 maart 2016 is door het hof mondeling uitspraak gedaan in het door de man ingestelde hoger beroep voor zover gericht tegen de door de rechtbank in de bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding. Het hof heeft de man in dat gedeelte van het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze mondelinge uitspraak is uitgewerkt in voormelde beschikking van 31 maart 2016.

Daargelaten de vraag of de vrouw in dat verzoek ontvankelijk is, zal het hof het verzoek van de vrouw de echtscheiding uit te spreken daarom afwijzen wegens gebrek aan belang.

Uitkering tot levensonderhoud

3.2.

Het hof ziet aanleiding de grieven van partijen betreffende de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud tezamen te behandelen.

3.3.

In de bestreden beschikking is ten aanzien van de draagkracht van de man uitgegaan van een inkomen van totaal € 66.668,- bruto per jaar. Dit bedrag is de som van € 44.000,- bruto per jaar, welk bedrag de man jaarlijks aan zichzelf uitkeert uit zijn onderneming [B.V.1] en € 22.668,-, het gemiddelde resultaat uit [B.V.1] over de jaren 2012 tot en met 2014. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de reserve van de onderneming ruimschoots de rekening-courantschulden van [B.V.1] en van [B.V.2] dekt en dat in de situatie waarbij de man enerzijds positief resultaat reserveert en anderzijds geld opneemt van de rekening-courant, het gemiddelde resultaat van de onderneming ook als inkomen kan worden gezien.

3.4.

De tweede grief van de man heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat een bedrag van € 22.668,- als onderdeel van het bruto jaar inkomen van de man dient te worden beschouwd. De man stelt dat de rekening-courantopnamen zich niet afspelen in de inkomenssfeer omdat tegenover het opnemen van gelden in rekening-courant een schuld aan de vennootschap in kwestie ontstaat. De liquiditeiten van de onderneming nemen af. De man neemt de laatste jaren zo weinig mogelijk geld op van de rekening-courant om verdere uitholling van de vennootschap te voorkomen. De veronderstelling van de rechtbank dat de man de gemiddelde winst van € 22.668,- opneemt (en daarvoor in rekening-courant gedebiteerd wordt) is derhalve onjuist. Voorts stelt de man dat de gemiddelde winst van € 22.668,- per jaar geen vrij uitkeerbare winst is. De man kan de wegens de rekening-courantschuld verschuldigde rente niet betalen. De rente moet echter in de jaarcijfers wel bijgeboekt worden op de rekening-courant en als resultaat worden opgegeven. De onderneming ontvangt geen liquide middelen. Omdat de onderneming wel vennootschapsbelasting moet betalen alsof de onderneming rente ontvangen heeft, verslechtert liquiditeitspositie van de onderneming. Volgens de man kan hij zichzelf dus geen hoger salaris toekennen, althans zijn salaris niet met € 22.668,- verhogen. De opgelegde alimentatie moet in overeenstemming worden gebracht met zijn werkelijke draagkracht.

3.5.

Met haar tweede grief komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank dat de man aan haar een bedrag van € 1.920,- per maand dient te betalen als uitkering tot haar levensonderhoud. Zij verzoekt het hof te bepalen dat de man aan haar dient te betalen een uitkering tot haar levensonderhoud van € 15.250,- per maand, althans een zodanig bedrag hoger dan € 1.920,- als het hof juist acht. Ten aanzien van de draagkracht van de man wijst de vrouw op het inkomen uit dienstbetrekking dat de man over 2011 en 2012 ontving (ad € 63.639,- respectievelijk € 64.253,-) en het inkomen over 2013 ad € 45.264,-. Voorts stelt zij dat bij de vaststelling van het inkomen van de man naast zijn salaris van € 44.000,- rekening moet worden gehouden met het bedrijfsresultaat van [B.V.1] dat volgens de jaarstukken 2014 € 70.858,- en volgens de concept jaarstukken 2015 over dat jaar € 80.836,- bedraagt. [B.V.1] maakt voldoende winst en beschikt over voldoende liquide middelen en reserves om meer aan de B.V. te kunnen onttrekken. Dat dit kan blijkt ook uit het feit dat de man een pand in [plaats c] heeft gekocht voor € 417.000,-, welk pand hij enige maanden later heeft overgedragen aan [B.V.1] voor een bedrag van € 456.078,-. Bovendien kan de man de rekening-courantschuld aflossen door middel van een dividenduitkering. De vrouw betwist dat de rekening-courantschuld is ontstaan door verbouwingen van haar woning. De grootste uitgavenposten zijn de financiële injecties in Internetworking en [B.V.2] geweest. Voorts heeft de man geen inzage gegeven in zijn vermogenspositie en niet uitgelegd waar het verschil is gebleven tussen de opbrengst van de verkoop door de onderneming van de aandelen van [F] (ƒ 7.680.000,-) en het bedrag van ƒ 6.150.000,- dat de man in deposito heeft gestort, aldus steeds de vrouw.

3.6.

Het hof stelt het volgende vast. [B.V.1] heeft in de jaren 2012/2013 veel liquide middelen ter beschikking gesteld aan [B.V.2] , hetgeen heeft geleid tot een verhoging van de rekening-courantschuld van [B.V.2] aan [B.V.1] van € 486.693,- per einde 2011 naar € 995.380,- per einde 2013 en een afname van de liquide middelen van [B.V.1] van € 1.031.637,- per einde 2011 naar € 633.367,- per einde 2013. Kennelijk ziet de man commerciële mogelijkheden voor [B.V.2] , hetgeen wordt bevestigd door de toename van de omzet van [B.V.2] die sinds 2011 gestaag is gegroeid van € 21.658,- over 2011 tot € 169.753,- over 2015, met als gevolg een positief bedrijfsresultaat van [B.V.2] (dat wil zeggen vóór aftrek van de aan [B.V.1] verschuldigde rente) in 2015 van € 73.747,-

3.7.

De vrouw betoogt dat de man in staat moet worden geacht zich, naast het inkomen dat hij als salaris ontvangt, het resultaat als salaris uit te keren. Het hof volgt haar standpunt niet. De man is als DGA degene die beslist over de besteding van het resultaat, waarbij hij rekening dient te houden met de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van [B.V.1] en [B.V.2] . Uitkering van het volledige resultaat van [B.V.1] als salaris zou een rem op eventuele investeringsmogelijkheden betekenen, hetgeen het hof ongewenst acht, zeker in het licht van het verbeterende bedrijfsresultaat van [B.V.2] . Bovendien is het resultaat van [B.V.1] feitelijk deels opgebouwd uit (niet daadwerkelijk betaalde) rente voor de rekening-courantschulden van [B.V.2] en de man. Uitkering van het gehele bedrijfsresultaat als salaris zou de liquiditeitspositie van [B.V.1] en [B.V.2] in gevaar brengen.

In de jaarstukken van [B.V.1] staat dat [B.V.1] in 2011 tot en met 2015 aan lonen en salaris heeft uitgekeerd respectievelijk € 71.428,-, € 66.196,-, € 52.732,-, € 30.113,- en € 44.000,-. Aangezien de man heeft gesteld dat hij sinds 2010 als enige op de loonlijst van [B.V.1] staat, houdt het hof het ervoor dat deze bedragen aan hem zijn uitbetaald. Uit deze cijfers volgt dat [B.V.1] de man de eerste jaren van genoemde periode nog een salaris toekende dat hoger was dan € 44.000.-. Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor onder 3.6 heeft overwogen, heeft de man onvoldoende onderbouwd dat hij nadien dat hogere inkomen niet kon handhaven. Het hof kan begrijpen dat in de jaren 2012 en 2013 een lager bedrag aan lonen en salarissen is uitgekeerd dan in 2011 gezien de (onbetwiste) investeringen door [B.V.1] in [B.V.2] . Nu de man verdere investeringen wenst te doen, acht het hof het redelijk om voor de bepaling van het inkomen van de man uit te gaan van een gemiddelde van het door [B.V.1] aan lonen en salarissen uitgekeerde bedrag over de jaren 2011, 2012 en 2013. Het hof oordeelt dan ook dat de man geacht wordt zich een inkomen te kunnen uitkeren van € 63.452,- per jaar en zal bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van dat jaarinkomen. Dit brengt met zich dat de draagkracht van de man opnieuw dient te worden berekend.

3.8.

Ten aanzien van de lasten van de man overweegt het hof als volgt. De man heeft ten aanzien van zijn zorgverzekering gesteld dat hij jaarlijks zijn eigen risico van (omgerekend naar maandlast) € 31,- verbruikt, hetgeen de vrouw heeft betwist. Voorts heeft de man een bedrag van € 161,- aan bijzondere kosten opgevoerd ter zake van studiekosten voor de kinderen. De vrouw heeft ook deze kosten betwist. Het hof laat deze twee door de man gestelde kostenposten van € 31,- en € 161,- buiten beschouwing, aangezien het op de weg van de man had gelegen deze nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Ook de door de man opgevoerde en door de vrouw betwiste servicekosten voor de door de man gehuurde woning neemt het hof niet in aanmerking, nu de vrouw deze betwist heeft en de man deze vervolgens niet nader heeft gespecificeerd.

Onbetwist is voorts dat de man thans nog betaalt de rente van € 942,- per maand van de hypothecaire leningen van de Rabobank die op de door de vrouw bewoonde woning rusten. Deze rente is voor de man niet fiscaal aftrekbaar. Tussen partijen staat vast dat op enig moment de vrouw die rentelasten zal gaan betalen. Voorts neemt het hof als uitgangspunt dat de premie zorgverzekering voor de vrouw en [kind b] op enig moment ook door haar zal worden betaald. Het hof zal dan ook voor de vaststelling van de door de man te betalen alimentatie twee berekeningen maken: één voor de situatie waarin de man de rentelasten en de premie zorgverzekering voor de vrouw en [kind b] nog betaalt en één voor de situatie waarin dat niet langer het geval is.

In beide berekeningen houdt het hof rekening met de onder 2.5 genoemde lasten.

3.9.

Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man de norm voor een alleenstaande hanteren.

3.10.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is de man zolang hij de hypotheekrente en de premie zorgverzekering van de vrouw en [kind b] betaalt niet in staat een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te betalen. Met ingang van het moment dat de man niet langer de rentelasten en de premie voor de zorgverzekering van de vrouw en [kind b] betaalt heeft de man draagkracht om aan de vrouw te betalen een uitkering tot levensonderhoud van € 1.256,- bruto per maand. De tweede grief van de man heeft in zoverre succes en de tweede grief in het incidenteel appel van de vrouw faalt op dit onderdeel.

3.11.

De man stelt bij wege van zijn eerste grief dat de behoefte van de vrouw op € 2.000,- bruto per maand dient te worden gesteld. De vrouw stelt haar behoefte op een aanzienlijk hoger bedrag. Nu de door ieder van partijen gestelde behoefte de hiervoor door het hof vastgestelde draagkracht van de man overstijgt, kan een bespreking van de behoefte van de vrouw (en daarmee van de tweede grief van de vrouw op dit onderdeel, alsmede de eerste grief van de man) achterwege blijven.

3.12.

De man heeft, bij wege van vermeerdering van zijn verzoek in eerste aanleg, verzocht de termijn ter zake van de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud te stellen op 5 jaar vanaf het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man acht dit redelijk omdat de vrouw sinds het verbreken van de samenleving zeven jaar, in welke periode de man de vrouw steeds heeft onderhouden, de tijd heeft gehad om maatregelen te nemen om in haar eigen behoefte te voorzien. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.13.

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 1:157, derde en vierde lid, BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, tenzij de rechter op verzoek van een van de echtgenoten een kortere termijn heeft vastgesteld. Vaststaan de volgende door de vrouw gestelde, door de man onvoldoende betwiste, feiten en omstandigheden. Partijen hadden een traditioneel huwelijk, waarbij de vrouw de volledige zorg voor de kinderen had en zij geen andere werkzaamheden had dan het werk voor het bedrijf van haar vader en voor de onderneming van de man. In 2008 en 2009 heeft de vrouw een pedicure opleiding gevolgd. Door daarna ontstane fysieke klachten kan zij dit werk echter niet uitoefenen. Zij heeft slechts een beperkte opleiding en kan evenmin haar werk in het bedrijf van haar vader weer oppakken omdat dit bedrijf zich nu richt op een volledig andere branche dan toen zij er nog werkte. Voorts heeft de vrouw de volledige (mantel)zorg voor [kind b] , die lijdt aan het syndroom van Asperger en een gegeneraliseerde angststoornis. Het is de vraag of [kind b] ooit zelfstandig kan wonen. Daar komt bij dat tussen partijen vaststaat dat de vrouw geen verdiencapaciteit heeft, nu de man tegen dat oordeel in de bestreden beschikking geen grief heeft gericht. In het licht van de voorgaande feiten en omstandigheden valt niet in te zien op welke wijze de vrouw over vijf jaar wel in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Tegen deze achtergrond, mede gelet op de leeftijd van de vrouw, ziet het hof in de door de man geschetste omstandigheden onvoldoende aanleiding de termijn van de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud te limiteren tot 5 jaar vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het verzoek van de man zal worden afgewezen.

Verbouwingen echtelijke woning

3.14.

De rechtbank heeft afgewezen het verzoek van de man de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 560.536,71, welk bedrag de man stelt te hebben geïnvesteerd in de woning. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten heeft voldaan in verband met onderhoud en verbouwing van de woning. De door de man betaalde kosten van onderhoud heeft de rechtbank aangemerkt als kosten van de gemeenschappelijke huishouding, ter zake waarvan de man op grond van het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden geen vordering meer toekomt. Ten aanzien van de kosten van de verbouwingen van de woning heeft de rechtbank geoordeeld dat met de betaling daarvan de man heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

3.15.

Met zijn derde grief komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij met het betalen van de kosten van de verbouwingen van de woning heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. De man stel zich op het standpunt dat de door de rechtbank in dit verband van belang geachte omstandigheden niet kunnen leiden tot voornoemd oordeel. Hij stelt dat hij bij het aangaan van het huwelijk -op 23 jarige leeftijd- de betekenis van de huwelijkse voorwaarden (uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en geen verrekenbeding) niet kon overzien, met name omdat hij al meerdere jaren deel uitmaakte van het gezin van de ouders van de vrouw en in goed vertrouwen de adviezen van zijn schoonvader volgde. Verder heeft de vrouw zelfstandig loon ontvangen, ook nadat de kinderen waren geboren; zij was dus niet geheel afhankelijk van de man. De man stelde bovendien aanzienlijke bedragen beschikbaar voor het huishouden, ook na zijn vertrek uit de echtelijke woning. Mede daardoor is de rekening-courantschuld van de man aan [B.V.1] opgelopen. De vrouw heeft een huis in eigendom met een overwaarde van naar schatting € 700.000,-. De leningen die de ouders van de vrouw hebben verschaft aan partijen zijn grotendeels terugbetaald. Voorts wijst de man erop dat partijen op 10 februari 1992 een overeenkomst hebben gesloten met de intentie dat, indien de man betalingen zou doen ten behoeve van de woning, dat zou leiden tot een vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw. De man heeft door middel van opnames van de rekening-courant bij [B.V.1] de verbouwingen betaald. Die bedragen moet hij terugbetalen en er is dan ook geen sprake van een overheveling van privévermogen van de man naar dat van de vrouw. Ook de beschermingsgedachte (de vrouw kan na het uiteengaan van partijen in de woning blijven wonen) gaat niet op, nu de vrouw heeft laten weten de woning te willen verkopen. De man wijst er voorts op dat de familie van de ouders vermogend is en dat zij aanzienlijke schenkingen ontvangt van haar ouders.

3.16.

De vrouw voert verweer. Zij stelt dat de man zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd aangezien hij niet heeft aangetoond dat de kosten door hem in privé zijn betaald en hij bovendien de kosten niet heeft gesplitst in kosten van onderhoud en kosten van verbouwing, welke als kosten van de huishouding dienen te worden aangemerkt. De vrouw betwist dat zij langere tijd regulier loon van [B.V.1] heeft ontvangen. De bijdragen die zij ontving waren huishoudgeld/leefgeld. De man had om fiscale redenen ervoor gekozen om haar op de loonlijst te zetten. De man heeft de waarde van zijn ondernemingen kunnen verhogen terwijl de vrouw thuis voor de kinderen zorgde en meewerkte in de onderneming.

3.17.

Het hof heeft zich gelet op de strekking van de derde grief van de man uit te laten over de vraag of de door de man betaalde kosten in verband met verbouwingen (waaronder begrepen: uitbreidingen) van de echtelijke woning (nominaal) door de vrouw dienen te worden vergoed.

3.18.

De man heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat verbouwingen hebben plaatsgevonden in de 90-er jaren en rond 2004, waarvan de door hem betaalde kosten bedroegen € 229.994,04 respectievelijk € 330.542,67; tezamen vormen deze het door de man verzochte bedrag van € 560.536,71. Aangezien de vordering van de man alleen nog betrekking heeft op de kosten van de verbouwingen ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken in hoeverre de door hem gevorderde bedragen dergelijke kosten betreffen. De man heeft in eerste aanleg bij zijn aanvulling c.q. wijziging verzoek als productie 3c een overzicht van de kosten overgelegd, alsmede rekeningafschriften en diverse facturen. Hij heeft niet gespecificeerd welke bedragen verbouwingskosten en welke onderhoudskosten betreffen.

3.19.

Wat betreft de verbouwing in de 90-er jaren overweegt het hof als volgt. De man heeft in het kostenoverzicht bedragen van totaal € 40.749,46 als kasopnames gekenmerkt. Door de man is echter niet nader aangegeven welke kosten precies zijn betaald uit deze kasopnames. Voorts betreft een deel van de overgelegde facturen meubelwerk, waarvan niet is aangetoond dat het hierbij om aard- en nagelvast meubilair gaat, zoals de man ter zitting in hoger beroep heeft gesteld. Ook heeft de man onder andere facturen voor schilderwerk overgelegd, waaruit niet blijkt of het om onderhoud of verbouwingswerkzaamheden gaat, alsmede facturen voor matrassen, beddengoed en keukenapparatuur en facturen uit 1998 voor het reinigen van de opslagtank en uit 1999 voor schade aan de garagedeur. Derhalve betreft in ieder geval een deel van de opgevoerde kosten geen verbouwingskosten. Ook uit de overige stukken kan het hof niet afleiden welke bedragen kosten van verbouwing en welke bedragen andere kosten betreffen, terwijl het ook niet op de weg van het hof ligt dat te doen. Tegen deze achtergrond heeft de man niet onderbouwd dat, althans in hoeverre, het door hem gevorderde bedrag ten aanzien van de werkzaamheden in de 90-er jaren kosten van verbouwing betreft.

3.20.

Betreffende de verbouwing rond 2004 heeft de man een overeenkomst van aanneming van werk van 17 december 2003 overgelegd met als opdrachtgever de man en de vrouw en als aannemer Aannemersbedrijf Visser & Van Buuren. In de overeenkomst staat onder andere:

“Omschrijving van het werk: de aanbouw en de dakopbouw van het woonhuis aan de [a-straat] (…). nota van inlichtingen (...) voor wat betreft de punten, condensafvoer voor de droger, plafond op de begane grond in de toiletruimte met 3 inbouwspots, stroomaansluiting voor de airco aantal 6 stuks, zijn in de prijs opgenomen als vaste post.

(…)

In de aannemingssom begrepen stelposten:

- aankoop hang- en sluitwerk (…)

- aankoop wandtegels (…)

- aankoop vloertegels gelijmd (…)

- betonreparatie (…)

- levering van sanitair (…)”.

De totale aannemingssom inclusief BTW bedraagt € 174.709,64. In een van de door de man overgelegde facturen van de aannemer staat dat er sprake is van meerwerk ten bedrage van € 32.369,99.

Gezien de in de overeenkomst van aanneming opgenomen ‘omschrijving van het werk’ acht het hof voldoende aannemelijk dat deze aannemingsovereenkomst een verbouwing betrof en niet onderhoud. De man heeft diverse facturen van de aannemer overgelegd, alsmede bankafschriften met betalingen aan de aannemer door ofwel [B.V.1] ofwel de man. De aannemer heeft volgens de man totaal gefactureerd een bedrag van € 204.919,38. De man heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat de facturen zijn betaald, ofwel door [B.V.1] ofwel door de man, tot een bedrag van totaal € 189.317,67. Geen bewijs is overgelegd van betaling van het resterende bedrag van € 15.601,71. Het hof acht dan ook voldoende aangetoond dat de man dan wel [B.V.1] wegens de verbouwing rond 2004 aan de aannemer heeft betaald een bedrag van € 189.317,67.

Op het overzicht van de man staat voorts een bedrag van € 2.906,10, waartoe hij heeft overgelegd een factuur van stadsdeel [Z] van 27 juni 2003 betreffende voorlopige bouwleges wegens het vergroten van de woning met een uitbouw op de begane grond, alsmede een bankafschrift waaruit betaling door de man blijkt. Ook ten aanzien van dit bedrag heeft de man voldoende aangetoond dat het gaat om in verband met de verbouwing gemaakte kosten. Ten aanzien van de overige door de man in zijn overzicht gestelde kosten kan het hof ofwel niet afleiden om welke soort kosten het gaat, ofwel ontbreekt een bewijs dat en door wie deze kosten zijn betaald.

3.21.

De slotsom is dat de man voldoende heeft aangetoond dat hij dan wel [B.V.1] aan kosten van de verbouwing van de echtelijke woning rond 2004 heeft betaald een bedrag van € 192.223,77 (€ 189.317,67 + € 2.906,10). Anders dan de vrouw heeft betoogd is het hof van oordeel dat de door [B.V.1] betaalde kosten in dit verband dienen te gelden als door de man in privé betaalde kosten, nu het in [B.V.1] aanwezige vermogen een aan de man toebehorend vermogensbestanddeel betreft. Daarbij is niet van belang of deze betalingen al dan niet hebben geleid tot een verhoging van de rekening-courantschuld van de man aan [B.V.1] , omdat deze kosten hoe dan ook uiteindelijk voor rekening van de man zelf komen.

3.22.

Het hof gaat thans in op de vraag of de man door betaling van voornoemde kosten heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis tot verzorging van de vrouw.

Ingevolge artikel 6:3, tweede lid, aanhef en onder b, BW, bestaat een natuurlijke verbintenis wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. De omstandigheid dat een echtgenoot heeft geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning die eigendom van de andere echtgenoot is, kan als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis worden beschouwd. Het ligt immers voor de hand dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in de woning kan blijven wonen. Deze waarborg zou niet tot zijn recht komen wanneer de vrouw het gevaar loopt de woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man te kunnen voldoen. Het verschaffen van een zodanige prestatie zal vaak naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw op grond van een dringende morele verplichting toekomt. Daarbij zal evenwel acht moeten worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, is bepalend de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie, niet hoe partijen er later financieel blijken voor te staan.

3.23.

Partijen hebben ten tijde van hun huwelijk in 1987 bij huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap van goederen uitgesloten en evenmin een periodiek of finaal verrekenbeding opgenomen. Partijen hebben zich gedurende het huwelijk rekenschap gegeven van het tussen hen geldende huwelijksvermogensregime en de beoogde scheiding van vermogens gehandhaafd. De in 1992 geleverde woning is immers alleen eigendom van de vrouw. De man heeft bij de aanschaf van de woning door de vrouw bij overeenkomst van 10 februari 1992 een vergoedingsrecht bedongen voor door hem betaalde hypotheekaflossingen en de man is enig aandeelhouder van de tijdens het huwelijk opgerichte BV [B.V.1] . De rekening-courantschuld aan [B.V.1] waarmee de man (een deel van) de kosten van het gezin heeft betaald, is een schuld van de man en niet van partijen gezamenlijk. Ook in dit opzicht is derhalve sprake van een scheiding van vermogens. Verder blijkt uit voornoemde bij de aanschaf van de woning gesloten overeenkomst van 10 februari 1992 dat vermogensopbouw door middel van hypotheekaflossingen niet aan de vrouw ten goede zou komen. De man heeft in 2000 zijn aandeel in de onderneming [F] verkocht en daarvoor – naar de vrouw stelt en de man niet betwist – een bedrag van ƒ 7.680.000,- ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat, afgezien van bijdragen aan de kosten van het gezin, dit bedrag rond 2004 volledig was uitgegeven. Voor 2000 werden partijen financieel ondersteund door de ouders van de vrouw. Daarna hebben partijen geleefd van het salaris van de man uit [B.V.1] en de bedragen die de man in rekening-courant uit [B.V.1] aan zichzelf uitkeerde. De vrouw had, op een gering bedrag per jaar van nog geen € 10.000,- na, geen eigen inkomen. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw rond 2004 afgezien van de woning zelf over vermogen beschikte. Dat zij in die periode schenkingen van haar ouders heeft ontvangen is niet komen vast te staan. De vrouw dient dan ook niet in staat te worden geacht in die periode zelf de verbouwing van de woning te bekostigen.

Gelet op deze stand van zaken met betrekking tot ieders welstand en behoefte in de periode rond 2004 dient te worden geconcludeerd dat de man met zijn investering in de woning van de vrouw heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. De omstandigheid dat de vrouw mogelijk in de toekomst vermogen zal ontvangen door middel van schenkingen en/of erfenis van haar ouders doet daar niet af. Bepalend is immers de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie en niet hoe de vrouw er later mogelijk financieel voor zal staan.

Ook de overeenkomst van 1992, waarop de man zich beroept, kan de man niet baten. Deze overeenkomst is gesloten in 1992, en niet in 2004, het moment waarop de prestatie werd verricht. Bovendien ziet deze overeenkomst uitsluitend op hypotheekaflossingen. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen indertijd hebben bedoeld het daarin overeengekomen vergoedingsrecht voor de man tevens van toepassing te laten zijn op investeringen voor verbouwingen.

Grief 3 van de man faalt.

De echtelijke woning

3.24.

Met de in de beschikking van 31 maart 2016 onder 2.2. IV, V, en VI weergegeven verzoeken van de man, door hem nader uitgewerkt in zijn vierde grief, wenst de man te bewerkstelligen primair dat de vrouw zal meewerken aan ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid die de man jegens de hypotheekhouder heeft alsmede aan een verzoek aan de Rabobank om afstand te doen van het pandrecht dat is gevestigd op de spaarpolis van de man en subsidiair dat de vrouw zal meewerken aan verkoop van de echtelijke woning.

3.25.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de spaarpolis overneemt afgewezen, omdat de vrouw zich hiertegen verzet. Het hof is van oordeel dat, anders dan de vrouw heeft betoogd, het de man vrij staat in een echtscheidingsprocedure in hoger beroep nieuwe verzoeken te doen. Het hof overweegt voorts als volgt.

Het uitgangspunt van de man is dat de vrouw zelf de hypotheekrente voor haar rekening dient te nemen. Aangezien de woning aan de vrouw toebehoort, dient de vrouw naar het oordeel van het hof de hypotheekrente voor haar rekening te nemen. Van de man kan niet worden verlangd dat hij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de te betalen hypotheekrente. Dat is ook het uitgangspunt van het hof geweest bij de alimentatieberekening.

In hoger beroep heeft de man niet langer verzocht om overname van de spaarpolis door de vrouw. Vast staat dat de polis op naam van de man staat, die daarvoor de premies heeft betaald. De polis komt dan ook aan de man toe. Teneinde de man in staat te stellen deze polis te verzilveren zal de Rabobank afstand moeten doen van het pandrecht. Voor zover de vrouw stelt dat verzilvering van de polis niet mogelijk is, acht het hof deze stelling onvoldoende onderbouwd. Evenzo acht het hof het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid onvoldoende onderbouwd. Ook als de vrouw, zoals zij in dit verband stelt, de hypotheekrente niet zal kunnen betalen kan van de man niet verlangd worden hoofdelijk aansprakelijk te blijven voor de verplichtingen die voortvloeien uit de hypotheekschulden.

Gezien het voorgaande zal het hof de vorderingen van de man betreffende de door de vrouw te verlenen medewerking aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en de afstand van het pandrecht op de polis toewijzen.

Voor het geval mocht blijken dat de hypotheekhouder niet wenst mee te werken aan ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid of afstand van het pandrecht op de spaarpolis, zal het hof voorts bepalen dat de vrouw verplicht is de woning te verkopen. Aangezien de vrouw zich niet heeft verweerd tegen het verzoek van de man om gezamenlijk een makelaar uit te zoeken zal het hof dienovereenkomstig beslissen. De vierde grief van de man slaagt. De door de man verzochte dwangsom acht het hof in dit stadium niet noodzakelijk.

3.26.

Aangezien het hof de bestreden beschikking bekrachtigt voor zover het verzoek van de man tot vergoeding van door hem betaalde verbouwingskosten wordt afgewezen, komt het hof toe aan een bespreking van het aanvullende subsidiaire verzoek van de man om de vrouw te veroordelen aan hem de helft van de overwaarde van de woning te betalen. De man voert daartoe aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet juist zou zijn wanneer hij, nu hij vrijwel alleen het huwelijk heeft gefinancierd, met een privéschuld van € 950.000,- blijft zitten en de vrouw een vermogen overhoudt van tenminste € 700.000,-.

3.27.

Het verzoek van de man komt er in feite op neer dat de woning dient te worden verdeeld alsof die woning behoort tot enige gemeenschap van goederen tussen partijen, althans dat de waarde van de woning dient te worden verrekend. Vaststaat dat de woning eigendom is van de vrouw. Gelet op de huwelijkse voorwaarden ontbreekt een (wettelijke) grondslag voor dit verzoek. De door de man aangevoerde omstandigheden over ieders financiële situatie na het huwelijk heeft de man onvoldoende onderbouwd en kunnen derhalve reeds om die reden niet tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij niet de helft van de overwaarde van de woning ontvangt. Het hof zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.

Schuld aan de ouders van de vrouw

3.28.

De eerste grief in het incidenteel appel van de vrouw richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank in de bestreden beschikking van het verzoek van de vrouw de man te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van primair € 125.000,-, subsidiair tot betaling van de helft van dat bedrag aan de ouders van de vrouw, vanwege een schuld van partijen aan de ouders van de vrouw. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een dergelijke schuld.

De vrouw stelt dat partijen in de periode 1985 tot en met 2000 totaal € 250.000,- hebben geleend van haar ouders en dat was afgesproken dat deze schuld zou worden ingelost als partijen over voldoende middelen zouden beschikken. Aangezien de man weigerde dit bedrag terug te betalen hebben de ouders van de vrouw haar testamentair gekort voor € 250.000,-, aldus de vrouw. De vrouw heeft twee verklaringen overgelegd van haar ouders respectievelijk haar vader. Daarin staat dat de ouders aan partijen totaal een bedrag van € 250.000,- hebben geleend, dat dat bedrag in strijd met de afspraken niet is terugbetaald en dat de ouders derhalve de betaling van dit bedrag als genomen kindsdeel hebben beschouwd, hetgeen zij hebben verrekend met hun drie andere kinderen door ten behoeve van hen bij testament van 26 februari 2002 een bedrag van € 80.000,- te legateren en aan hen in 2001 en 2002 een bedrag te schenken van ƒ 217.500,- per kind. Voorts heeft de vrouw overgelegd een brief van de notaris van de ouders van de vrouw waarin de notaris verklaart dat zij van de vader van de vrouw heeft vernomen dat de vrouw bij het opmaken van het testament in 2002 niet is meegenomen in het legaat van € 80.000,- omdat partijen een lening aan de ouders van de vrouw weigerden terug te betalen.

3.29.

De man heeft betwist dat er in privé een dergelijke schuld aan de ouders van de vrouw bestond. Wel was er een lening die in 2000 via [B.V.1] is terugbetaald aan de vennootschap van de vader. Er is toen een totaalbedrag van ƒ 249.500,- overgemaakt door [B.V.1] , ten bewijze waarvan de man bankafschriften heeft overgelegd. Voorts heeft de man gesteld dat eventuele vermogensverschuivingen van de ouders van de vrouw aan de vrouw, gelet op het legaat aan de andere kinderen, door de ouders van de vrouw zijn gekwalificeerd als schenkingen.

3.30.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man had het naar het oordeel van het hof op de weg van de vrouw gelegen in hoger beroep nader te onderbouwen dat het door haar ouders voor 2000 ter beschikking gestelde bedrag van € 250.000,- een lening aan partijen in privé betrof, hetgeen zij heeft nagelaten. Zonder bankafschriften waaruit blijkt dat de uitbetaalde bedragen een lening betroffen, zijn de verklaringen van de ouders van de vrouw en de notaris onvoldoende. Dat er, zoals de vrouw stelt, gezien het tijdsverloop geen nadere financiële stukken ter onderbouwing van haar stelling meer zijn, dient voor risico van de vrouw te blijven. De eerste grief in het incidenteel appel van de vrouw faalt dan ook.

De slotsom

3.31.

De slotsom is dat in het principaal hoger beroep de tweede grief en de vierde grief slagen. De eerste grief van de man en de eerste grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep behoeven geen bespreking. Voor het overige falen de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep. Het hof ziet aanleiding de kosten in hoger beroep te compenseren, nu deze procedure een gevolg is van de affectieve relatie die tussen partijen heeft bestaan.

3.32.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij:

- is bepaald dat de man € 1.920,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende,

- stelt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud op nihil zolang hij de hypotheekrente voor de woning alsmede de premie zorgverzekering van de vrouw en [kind b] voldoet;

- veroordeelt de man, vanaf het moment dat hij niet langer de hypotheekrente voor de woning alsmede de premie zorgverzekering van de vrouw en [kind b] voldoet doch niet eerder dan met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, € 1.256,- per maand aan de vrouw te betalen als uitkering tot haar levensonderhoud;

- bepaalt dat:

- de vrouw op eerste verzoek van de man gehouden is medewerking te verlenen aan een verzoek aan de hypotheekhouder (de Rabobank) tot ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man ter zake van de woningschuld;

- de vrouw op eerste verzoek van de man gehouden is medewerking te verlenen aan een verzoek aan de hypotheekhouder (de Rabobank) om afstand te doen van het pandrecht dat gevestigd is op de spaarpolis van de man;

- indien de hypotheekhouder (de Rabobank) weigert mee te werken aan het hiervoor bepaalde de vrouw gehouden is de woning te verkopen, waartoe in samenspraak met de man een makelaar wordt aangezocht;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

- compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene-Eijk, H.A. van den Berg en J. Jonkers in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.