Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4552

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
16/00115
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:300
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart zich onbevoegd omdat een uitspraak van de rechtbank inzake de aan belanghebbende opgelegde legesaanslag ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2580
Belastingblad 2017/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 16/00115

17 november 2016

uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op – na doorzending door de Raad van State Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: de Afdeling) – het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. M.F.J. Gelissen (Meerts Rechtspraktijk te [Z])

tegen de uitspraak van 4 december 2015 in de zaak met kenmerk HAA 14/4833 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [A], de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Bij besluit van 20 juni 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [A] (hierna: het college) besloten op grond van de Wet openbaarheid bestuur verzochte stukken aan belanghebbende te verstrekken.

1.1.2.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 juli 2014 ter zake van het verzoek een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 3,30.

1.2.1.

Het college heeft na daartegen gemaakt bezwaar bij brief van 29 september 2014 beslist tot het gedeeltelijk herroepen van het onder 1.1.1 vermelde besluit.

1.2.2.

De heffingsambtenaar heeft na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van

23 januari 2015 de aanslag leges gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 december 2015 het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Afdeling ingesteld. Belanghebbende heeft dat hoger beroep bij brief van 18 februari 2016 ingetrokken en daarbij verzocht om het hoger beroep inzake de aanslag leges door te zenden naar de belastingrechter.

1.5.

Het hoger beroep tegen de onder 1.3 vermelde uitspraak van de rechtbank is bij het Hof ingekomen op 1 maart 2016. De heffingsambtenaar heeft op 20 mei 2016 een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brieven van 14 juni 2016 en 25 september 2016 nadere stukken ingediend; de heffingsambtenaar heeft bij brief van 18 oktober 2016 zijn verweerschrift aangevuld. De nadere stukken c.q. de aanvulling zijn over en weer aan partijen in kopie verzonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2016. Met bericht aan het Hof zijn partijen niet verschenen.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft bij brief van 28 mei 2014 op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [A] (het college) verzocht om toezending van stukken. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om voorafgaand aan toezending van de verzochte stukken haar eerst het totaalbedrag van de verschuldigde kosten mee te delen.

2.2.

Bij besluit van 20 juni 2014 heeft het college besloten de verzochte informatie te verstrekken en daarbij meegedeeld dat ter zake van het verzoek € 3,30 aan leges verschuldigd zou zijn. Bij brief van 30 juni 2014 heeft het college de verzochte informatie verstrekt en daarbij aangekondigd dat voor de verschuldigde leges ‘separaat een factuur wordt verzonden’.

2.3.

Met dagtekening 29 juli 2014 is ter zake van het onder 2.1 vermelde Wob-verzoek een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 3,30.

2.4.

Bij brief van 10 juli 2014 heeft de gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 juni 2014 alsmede tegen het opleggen van een legesaanslag. Blijkens een aan de gemachtigde verzonden brief van 5 september 2014 heeft het college het bezwaarschrift voor zover het betrekking heeft op de verschuldigde leges doorgezonden naar de heffingsambtenaar omdat – dat staat in de brief – het college dienaangaande niet bevoegd is.

2.5.

Het college heeft bij brief van 29 september 2014 – verzonden op 14 oktober 2014 – op voormeld bezwaarschrift beslist tot het gedeeltelijk herroepen van het besluit op het Wob-verzoek. In de brief is onder andere vermeld:

“(…)

De commissie [Hof: commissie voor de bezwaarschriften] is voorts van oordeel dat de toezending van de gevraagde stukken is gedaan conform het bepaalde in de Wob en dat in het bestreden besluit geen leges in rekening worden gebracht maar dat deze kosten worden aangekondigd. De heffing ervan geschiedt door de heffingsambtenaar. (…)”

2.6.

Belanghebbende heeft tegen de onder 2.5 vermelde beslissing bij brief van

21 november 2014 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep geregistreerd onder kenmerk HAA 14/4833 WOB V00.

2.7.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 januari 2015 heeft de heffingsambtenaar beslist op het onder 2.4 vermelde doorgezonden bezwaar: de aanslag leges blijft gehandhaafd.

2.8.

Een (fax)brief van 25 januari 2015 van de gemachtigde van belanghebbende aan de rechtbank Noord-Holland luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

Betreft: procedure van [X] vs heffingsambtenaar gemeente [A], uw nr. HAA 14/4833 WOB V00

(…)

Geachte heer, mevrouw,

Wij ontvingen een nieuwe of aanvullende beslissing op bezwaar, nu van de heffingsambtenaar [Hof: de onder 2.7 vermelde uitspraak op bezwaar]. De heffingsambtenaar gaat echter niet op de bezwaargronden ter zake de leges in. Het lijkt erop dat hij zelfs helemaal niet naar het dossier heeft gekeken, want niet alleen worden de bezwaargronden door hem niet besproken, ook vraagt hij wederom om de leges te voldoen, terwijl die al op 31 juli 2014 zijn betaald. (…)”

Als bijlage is bijgevoegd de onder 2.7 vermelde uitspraak op bezwaar.

2.9.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 december 2015 het beroep van belanghebbende inzake het Wob-verzoek niet-ontvankelijk verklaard – kort geschreven – omdat sprake is van misbruik van recht. De uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNHO:2015:10377 en wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. De uitspraak luidt onder andere als volgt:

“(…)

Procesverloop

Eiseres [Hof: belanghebbende] heeft bij brief van 28 mei 2014 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verzocht om toezending van stukken, te weten:

(…)

Bij besluit van 20 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder [Hof: het college] het verzoek van eiseres ingewilligd en besloten de gevraagde informatie te verstrekken. Omdat eiseres aangeeft eerst te willen weten welk bedrag is verschuldigd voor de verstrekking van informatie wordt de informatie nog niet bij het besluit verstrekt. Het verschuldigde bedrag is € 3,30.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, het primaire besluit gedeeltelijk herroepen, (…).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. (…)”

2.10.

Belanghebbende heeft het tegen die uitspraak bij de Afdeling ingestelde hoger beroep bij brief van 18 februari 2016 ingetrokken en daarbij verzocht om het hoger beroep inzake de aanslag leges door te zenden naar de belastingrechter. Het Hof heeft dat hoger beroep op 1 maart 2016 ontvangen.

3 Geschil in hoger beroep

In geschil is of de rechtbank bij uitspraak van 4 december 2015 heeft beslist op het beroep van belanghebbende inzake de aan haar opgelegde aanslag leges.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende betoogt dat de rechtbank in de onder 1.3 vermelde uitspraak van 4 december 2015 mede heeft beslist op het beroep inzake de aan belanghebbende opgelegde legesaanslag. Volgens belanghebbende is ook beroep inzake de legesaanslag bij de rechtbank ingesteld en is dat beroep gemotiveerd. De rechtbank heeft in haar uitspraak van

4 december 2015 ten onrechte tevens haar beroep inzake de aanslag leges niet-ontvankelijk verklaard, zo stelt belanghebbende.

4.2.1.

Het betoog van belanghebbende faalt reeds omdat het geen enkele steun vindt in de tekst van de uitspraak zelf. Naar het oordeel van het Hof heeft de uitspraak van

4 december 2015 van de rechtbank onmiskenbaar uitsluitend betrekking op het beroep van belanghebbende inzake het besluit van het college van 29 september 2014 (in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als “het bestreden besluit”) op het Wob-verzoek van

28 mei 2014. Ter zake van dit besluit is het Hof (zoals overigens ook belanghebbende heeft onderkend) niet bevoegd, gelet op de ingevolge artikel 8:105 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met hoofdstuk 4 (artikelen 9 tot en met 12) van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak geldende bevoegdheidsverdeling.

4.2.2.

Gelet op de onder 2.8 vermelde faxbrief van 25 januari 2015 kan belanghebbende worden toegegeven dat zij bij de rechtbank tevens beroep inzake de legesaanslag heeft ingesteld. Nu de rechtbank dit kennelijk niet heeft onderkend – althans het Hof is daarvan niet gebleken – en dientengevolge een uitspraak van de rechtbank op het beroep inzake de legesaanslag ontbreekt, dient het Hof zich onbevoegd te verklaren ter zake van het door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 december 2015 gerichte hoger beroep.

Slotsom

4.3.

Het Hof is onbevoegd. Het Hof zal – op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht – het als beroepschrift inzake de legesaanslag aan te merken geschrift van 25 januari 2015 doorzenden naar de rechtbank Noord-Holland om het in behandeling te nemen.

5 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

Het Hof verklaart zich onbevoegd.

De uitspraak is gedaan door mr. H.E. Kostense, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 17 november 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.