Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:452

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
200.154.132/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klaagster verwijt de notaris - samengevat weergegeven -het volgende.

i. De notaris is bij het opstellen van het testament van erflater partijdig geweest. Erflater is beïnvloed door [Y] . Zo is [Y] bij de eerste bespreking en bij het passeren van het testament van erflater aanwezig geweest. Onder deze omstandigheden had de notaris het testament niet mogen passeren.

ii. De notaris heeft misbruik gemaakt van de mogelijkheid om een bewind over een erfdeel op te nemen in het testament van erflater.

iii. Uit de e-mail van [X] aan notaris [Z] valt op te maken dat laatstgenoemde door de notaris negatief is beïnvloed bij zijn oordeelsvorming over klaagster.

iv. Volgens [X] heeft de notaris tegen hem gezegd dat klaagster vanwege haar karakter niet in aanmerking kon komen als executeur.

v. [X] heeft in zijn e-mail aan notaris [Z] gezegd dat hij niet wist waarom klaagster geen vertrouwen in de notaris als boedelnotaris had, terwijl [X] wist dat de reden hiervoor was dat klaagster de notaris niet onafhankelijk vond.

De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard.

Het hof verklaart klaagster in een klachtonderdeel niet-ontvankelijk en bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 99
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.154.132/01 NOT

nummer eerste aanleg : AL/2013/72

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 9 februari 2016

inzake

[naam] ,

wonend te [plaats] ,

appellante,

tegen

[naam] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. G.J. van Oosten en M.M. Olthoff-Worst, advocaten te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante (hierna: klaagster) heeft op 13 augustus 2014 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 29 juli 2014. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) ongegrond verklaard.

1.2.

De notaris heeft op 14 oktober 2014 een verweerschrift bij het hof ingediend.

1.3.

Klaagster heeft bij brief van 1 februari 2015 een reactie op het verweerschrift van de notaris en een reactie op het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg ingediend. Hierop heeft het hof klaagster bij brief van 4 februari 2014 laten weten dat het Procesreglement verzoekschriftprocedures in handels- en insolventiezaken gerechtshoven niet de mogelijkheid biedt om naast het beroepschrift en het verweerschrift verdere reacties/schriftelijke uiteenzettingen in te dienen, tenzij het hof daarom uitdrukkelijk vraagt, en dat de door klaagster ingediende stukken om die reden buiten beschouwing zullen worden gelaten.

1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 26 november 2015. Klaagster, vergezeld van haar echtgenoot [naam] , en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigden, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 Feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3.2.

Samengevat weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

3.2.1.

De notaris heeft op 18 april 2005 een testament van [naam] , de vader van klaagster, (verder: erflater) verleden. In dit testament zijn klaagster en haar broer [naam] (verder: [X] ) tot enig erfgenamen benoemd, waarbij de omvang van het erfdeel van klaagster is vastgesteld op haar legitieme portie. De andere broer van klaagster, [naam] (verder: [Y] ), is van vererving uitgesloten (volgens klaagster om [Y] erfdeel buiten verhaal van [Y] schuldeisers te houden; [Y] zou “zijn” aandeel in de nalatenschap van erflater via [X] krijgen). Verder is [X] tot executeur benoemd en is aan [X] een onherroepelijke volmacht gegeven om de woning van erflater na diens overlijden te verkopen. Voor het geval medewerking van de erfgenamen voor de levering van de woning mocht zijn vereist en zij die medewerking niet verlenen, dan wel voor het geval [X] verkoop van de woning niet wenselijk zou achten, heeft erflater een afwikkelingsbewind ingesteld over de erfdelen en [X] tot bewindvoerder benoemd.

3.2.2.

Erflater is op 3 september 2011 overleden.

3.2.3.

Bij e-mail van 11 april 2012 heeft [X] [naam] , notaris te [plaats] , (verder: notaris [Z] ) verzocht om als boedelnotaris bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater op te treden. In die e-mail staat onder meer het volgende:

hieronder staat een mailtje van [de notaris] aan mij. er is wat gedoe in de familie, mijn zuster wilde niet dat ik [de notaris] zou aanwijzen (die heeft ook het testament gemaakt) omdat ze niet veel vertrouwen in hem heeft, maar ze kan niet onderbouwen waarom niet. [de notaris] is op de hoogte van het gekibbel in de familie.”

4 Standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de notaris het volgende.

i. De notaris is bij het opstellen van het testament van erflater partijdig geweest. Hij heeft meegewerkt aan een vooropgezet plan om broer [Y] te bevoordelen en haar te benadelen en hij is daarbij afgegaan op voor hem oncontroleerbare feiten. Erflater is beïnvloed door [Y] . Zo is [Y] bij de eerste bespreking en bij het passeren van het testament van erflater aanwezig geweest. Onder deze omstandigheden had de notaris het testament van erflater niet mogen passeren.

ii. De notaris heeft misbruik gemaakt van de mogelijkheid om een bewind over een erfdeel op te nemen in het testament van erflater. Hierdoor kon klaagster in de toekomst op een zijspoor worden gezet.

iii. Uit de e-mail van [X] van 11 april 2012 aan notaris [Z] valt op te maken dat laatstgenoemde door de notaris negatief is beïnvloed bij zijn oordeelsvorming over de persoon van klaagster.

iv. Volgens [X] heeft de notaris tegen hem gezegd dat klaagster vanwege haar karakter niet in aanmerking kon komen als executeur. De notaris heeft klaagster echter nooit ontmoet en is dus kennelijk afgegaan op roddels van haar broers.

v. [X] heeft in zijn e-mail van 11 april 2012 aan notaris [Z] gezegd dat hij niet wist waarom klaagster geen vertrouwen in de notaris als boedelnotaris had, terwijl [X] wist dat de reden hiervoor was dat klaagster de notaris niet onafhankelijk vond.

Klaagster heeft klachtonderdeel 5, zoals weergegeven in de beslissing van de kamer, in appel niet langer gehandhaafd.

5 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6 Beoordeling

Gang van zaken eerste aanleg

6.1.

Klaagster heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, onder meer zou de klacht niet in volle omvang zijn behandeld en zou er beperkte tijd voor de mondelinge behandeling zijn uitgetrokken. Deze bezwaren behoeven geen nadere bespreking, nu klaagster in hoger beroep opnieuw alles naar voren heeft kunnen brengen wat haar voor de beoordeling van de klacht dienstig voorkomt.

De klacht

6.2.

Het hof verenigt zich met hetgeen de kamer in haar beslissing in rechtsoverwegingen 4.2. tot en met 4.6. heeft geoordeeld en maakt dit oordeel tot het zijne. In hoger beroep zijn geen argumenten naar voren gekomen die tot een ander oordeel moeten leiden.

Met betrekking tot klachtonderdeel i. merkt het hof nog het volgende op.

De door klaagster op de zitting in hoger beroep geponeerde stelling dat de notaris vermoedelijk bij [Y] ‘in de schaar’ heeft gezeten, is onvoldoende onderbouwd en kan reeds daarom niet tot het oordeel leiden dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klaagster heeft in haar beroepschrift voorts aangevoerd dat uit een e-mail van 11 maart 2013 van [Y] aan notaris [Z] valt af te leiden dat [Y] wel degelijk aanwezig is geweest bij de eerste bespreking tussen de notaris en erflater over het op maken van een testament van erflater. Los van het feit dat deze brief geen onderdeel uitmaakt van deze procedure, is op de zitting in hoger beroep gebleken dat erflater reeds in september 2005 aan haar (en haar echtgenoot) heeft verteld over de betrokkenheid van [Y] bij de totstandkoming het op 18 april 2005 gepasseerde testament van erflater. De onderhavige klacht van klaagster is op 16 mei 2013 ingekomen bij de kamer. Gelet op de vervaltermijn van drie jaren voor het indienen van een klacht zoals bedoeld in artikel 99 lid 15 van de Wet op het notarisambt, is klaagster op dit punt te laat met het indienen van haar klacht. Klaagster dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in klachtonderdeel i. Op dit punt zal de beslissing van de kamer worden vernietigd.

6.3.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.4.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing met betrekking tot klachtonderdeel i. op het punt van de gestelde partijdigheid van de notaris in verband met de betrokkenheid van [Y] bij het op

18 april 2005 gepasseerde testament van erflater;

en, in zoverre opnieuw beslissende:

- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in klachtonderdeel i. op het punt van de gestelde partijdigheid van de notaris in verband met de betrokkenheid van [Y] bij het op 18 april 2005 gepasseerde testament van erflater;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.A. Verscheure, C.H.M. van Altena en B.J.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016 door de rolraadsheer.