Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4513

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
23-002566-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

diefstal kratten door twee of meer ver personen met inklimming, belediging, winkeldiefstal babyvoeding door twee of meer ver personen, diefstal kratten door twee of meer ver personen, GS 264 dagen, waarvan 210 VW, pt 2 jr alg en meerdere bijz voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002566-16

datum uitspraak: 15 november 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-684149-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ter zitting opgegeven adres: [adres 1] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres 2] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 18 maart 2016 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (vanaf een terrein van een bedrijf, gelegen aan/bij de Agriport) heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid pallets met kratten, geheel of ten dele toebehorend aan Pouliersbedrijf [bedrijf] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot dat terrein heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen pallets en/of kratten onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming door over een hek van voornoemd terrein te klimmen en/of te gaan;

1.
subsidiair:
hij op of omstreeks 18 maart 2016 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (vanaf een terrein van een bedrijf, gelegen aan/bij de Agriport) weg te nemen een hoeveelheid pallets en/of kratten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan Pouliersbedrijf [bedrijf] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat terrein te verschaffen en/of die weg te nemen pallets en/of kratten onder zijn/hun bereik te brengen door middel van inklimming, opzettelijk met zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde bedrijf is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s), althans een of meer van hen, over een hek van vboornoemd terrein is/zijn geklommen en/of voornoemde pallets en/of kratten heeft/hebben vastgepakt en/of richting uitgang heeft/hebben meegenomen en/of over voornoemd hek van voornoemd terrein heeft/hebben getild/gebracht;

2:
(gevoegde zaak 741.052/15) hij op of omstreeks 11 maart 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2] (conducteur van het GVB) in het openbaar mondeling, heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "Je bent een kankerlijer.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

3:
(gevoegde zaak 689086-16) hij op of omstreeks 12 december 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee stuks Nutrilon babyvoeding (baby melk), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf het Kruidvat (filiaal [adres 4]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4:
(gevoegde zaak 689086-16) hij op of omstreeks 30 januari 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 20, althans een of meer lege kratten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal [adres 3] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring en kwalificatie alsmede tot een andere beslissing ten aanzien van het in beslag genomen voertuig.

Bewijsoverweging feit 2

Ter terechtzitting heeft de raadsman vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit bepleit. De conducteur van de tram heeft immers verklaard “ze zeiden tegen mij dat dat ik een kankerlijer was”. Niet valt uit te sluiten dat het niet de verdachte maar de medeverdachte is geweest die deze woorden heeft gebezigd, aldus de raadsman.

Het hof is van oordeel dat dit verweer zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen, waaruit het navolgende blijkt. De aangever heeft verklaard dat “dader 1” dit tegen hem heeft gezegd en dat diens vriend zich geheel afzijdig heeft gehouden van het gehele voorval (proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde pagina 1) en de verdachte heeft erkend dat hij een woordenwisseling heeft gehad met de aangever en daarbij scheldwoorden heeft gebruikt (proces-verbaal van verhoor, doorgenummerde pagina 12).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:

hij op 18 maart 2016 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanaf een terrein van een bedrijf, gelegen aan de Agriport) heeft weggenomen een hoeveelheid kratten toebehorend aan Poeliersbedrijf [bedrijf] , waarbij hij, verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot dat terrein hebben verschaft door middel van inklimming, door over een hek van voornoemd terrein te klimmen;

2:

hij op 11 maart 2015 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 2] (conducteur van het GVB) in het openbaar mondeling, heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Je bent een kankerlijer.";

3:

hij op 12 december 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee stuks Nutrilon babyvoeding (baby melk), toebehorende aan winkelbedrijf het Kruidvat (filiaal [adres 4]);

4:

hij op 30 januari 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 20 lege kratten, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal [adres 3] ).

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Het onder 3 en 4 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten aanzien van feit 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 264 dagen, waarvan 210 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, onder algemene en bijzondere voorwaarden. Tevens heeft de rechtbank Amsterdam het in beslag genomen voertuig verbeurd verklaard.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tezamen met anderen kratten gestolen van een omheind bedrijfsterrein, tezamen met een ander een winkeldiefstal gepleegd en eveneens tezamen met een ander op straat staande kratten gestolen. Hiermee heeft de verdachte getoond geen eerbied te hebben voor het eigendomsrecht van een ander en schade en overlast veroorzaakt. Daarnaast heeft de verdachte een tramconducteur beledigd, waardoor deze – blijkens zijn aangifte – diep is geraakt.

Het hof weegt in het nadeel van de verdachte mee dat uit een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2016 blijkt dat hij eerder meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld, onder andere ter zake van vermogensdelicten.

Het hof slaat acht op het door [naam 2] namens Reclassering Nederland opgemaakte reclasseringsadvies van 13 juni 2016, waarin wordt geconcludeerd dat het delictgedrag van de verdachte grotendeels voortkomt uit negatieve beïnvloeding vanuit zijn sociale omgeving, een gebrek aan assertiviteit en het niet goed kunnen overzien van de gevolgen van zijn handelen. Dit wordt in de hand gewerkt door de cognitieve beperking van de verdachte, als gevolg waarvan hij niet goed zelfstandig kan functioneren.

De reclassering adviseert aan de verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met algemene en bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, een behandelverplichting, een locatiegebod door elektronisch toezicht, alsmede andere voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte, te weten: een verplichting om mee te werken aan het realiseren van een dagbesteding, een verplichting om mee te werken aan het realiseren van een stabiele financiële situatie, een verbod om een voertuig van een ander op zijn naam te laten registreren, een verplichting om mee te werken aan het realiseren van een begeleid wonen traject, alsmede controle op zijn cannabisgebruik.

Ook slaat het hof acht op het feit dat [naam 3] , reclasseringsmedewerkster, ter terechtzitting in hoger beroep als getuige en deskundige gehoord, ter terechtzitting heeft verklaard dat betreffend advies inclusief alle daarin genoemde bijzondere voorwaarden nog immer actueel is.

Tevens betrekt het hof bij zijn beslissing dat [naam 4] , als forensisch orthopedagoog werkzaam bij het forensisch jeugdteam van [naam 5] , eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige en deskundige gehoord, ter terechtzitting heeft verklaard dat zij langdurige begeleiding van de verdachte zinvol acht.

Ter terechtzitting heeft de raadsman bepleit de bijzondere voorwaarden te beperken tot reclasseringstoezicht nu de verdachte zijn beste beentje voor zet in de verschillende hulpverleningstrajecten. Het elektronisch toezicht kan worden beperkt tot een maand. Overigens heeft de verdachte al zes weken elektronisch toezicht ondergaan, alhoewel het vonnis van de rechtbank nog niet onherroepelijk was, aldus de raadsman.

Het hof weegt mee dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof acht, alles afwegende, een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf, met na te noemen algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering, van na te melden duur passend en geboden. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het van eminent belang is dat aan de verdachte langs deze weg verdere begeleiding en hulpverlening wordt opgelegd. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen aanleiding de bijzondere voorwaarden te beperken tot reclasseringstoezicht, zoals door de raadsman bepleit, nu het hof ook de overige voorwaarden uit oogpunt van recidivebeperking noodzakelijk acht. Het hof overweegt voorts dat [naam 3] namens de reclassering ter terechtzitting heeft toegezegd dat het reeds ondergane elektronisch toezicht van zes weken in mindering zal worden gebracht op de gestelde termijn van zes maanden indien dit toezicht wordt opgelegd, zodat het hof daarvan uit gaat.

De aard en ernst van de bewezenverklaarde misdrijven alsmede de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie, brengen mee dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, maar dat daarnaast ook een onvoorwaardelijk deel passend en geboden is, gelijk aan de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

In beslag genomen voorwerp

Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp, te weten de Mercedes Benz gekentekend [kenteken] , heeft de advocaat-generaal het hof verzocht dit voertuig verbeurd te verklaren.

Het hof is van oordeel dat verbeurdverklaring van het voertuig, mede gelet op de redelijkerwijs te verwachten waarde ervan, als vermogensstraf niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van het tenlastegelegde, en derhalve terug dient te worden gegeven aan de rechthebbende. Wie dat is kan niet uit het dossier worden afgeleid. Het hof stelt vast dat de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter terechtzitting heeft verklaard dat het voertuig niet aan hem maar aan “een andere jongen” toebehoort.

Het hof acht dientengevolge termen aanwezig de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.852,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 150,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De overige schadeposten waarvan vergoeding wordt gevorderd hebben betrekking op andere pleegdata en houden dus geen rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding. Deze bedraagt € 103,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 50,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 266 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 264 (tweehonderdvierenzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 210 (tweehonderdtien), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

meldplicht

veroordeelde moet zich na oproep daartoe melden bij de Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam en zich vervolgens blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering dit nodig acht en zich houden aan de aanwijzingen die de Reclassering hem geeft ter begeleiding bij en ter controle op de naleving van de bijzondere voorwaarden;

verplichting tot ambulante behandeling

veroordeelde moet zich onder behandeling stellen bij de Forensische Psychiatrische Polikliniek Inforsa (forensisch jeugdteam) of een soortgelijke, door de Reclassering aan te wijzen instelling voor ambulante forensische zorg, teneinde zich te laten behandelen ter vergroting van zijn assertiviteit, zelfstandigheid en het overzien van de gevolgen van zijn handelen en zich houden aan de aanwijzingen die de behandelaar/instelling hem geeft in het kader van die behandeling;

locatiegebod

veroordeelde moet gedurende zes maanden aanwezig zijn op het adres [adres 1] . Daarbij heeft hij op de doordeweekse dagen een aaneengesloten blok van 12 uren ter invulling van zijn dagbesteding, heeft hij op de doordeweekse dagen 2 uren vrij te besteden en in het weekend heeft hij 4 uren per dag vrij te besteden. Ter controle op de nakoming van deze bijzondere voorwaarde zal veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stellen;

begeleid wonen

veroordeelde moet meewerken aan het verkrijgen en behouden van een plek in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ook indien deze buiten Amsterdam is gelegen;

andere voorwaarden het gedrag betreffende

veroordeelde moet meewerken aan het realiseren en behouden van een dagbesteding in de vorm van werk of een opleiding en daartoe meewerken aan het Individual Placement & Support traject van de gemeente Amsterdam of een soortgelijk, door de Reclassering aan te wijzen traject;

veroordeelde moet meewerken aan het realiseren van een stabiele financiële situatie, waartoe hij zal worden aangemeld voor plaatsing onder (beschermings-)bewind, dan wel onder curatele gesteld zal worden;

veroordeelde zal geen voertuigen van een ander of anderen op zijn naam laten registreren;

veroordeelde zal meewerken aan controle op cannabisgebruik, indien dat gebruik in de weg staat aan het behalen van doelen.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00

stk personenauto [kenteken] , Mercedes Benz E 300 1996 kleur; groen 5116491.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 103,00 (honderd en drie euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 103,00 (honderd en drie euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. C.N. Dalebout en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 november 2016.

[.......]