Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4425

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
200.162.890/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Schadestaatprocedure. Teeltcontract uit 1999. Twee van drie termijnen niet betaald. Wanprestatie jegens BV kan bestuurder niet baten. Schade-opstelling moet helder zijn voor rechter en wederpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/316
OR-Updates.nl 2018-0050
INS-Updates.nl 2018-0083
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team IAOF

zaaknummer : 200.162.890/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/14/110847/HAZA 09-506

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 november 2016

inzake

1 [X] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. EVEREG B.V.,

gevestigd te Andijk ,

appellanten,

advocaat: mr. J.M.R. Vlaar te Budel,

tegen

de vennootschap onder firma BLEEKER SMIT V.O.F,

gevestigd te Sint Maarten ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] c.s. (in mannelijk enkelvoud) en Bleeker Smit genoemd.

[X] c.s. is bij dagvaarding van 7 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 juli 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Bleeker Smit als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [X] c.s. als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- akte;

- antwoordakte

- memorie van antwoord, met producties;

- akte;

- antwoordakte.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 22 augustus 2016 doen bepleiten, elk door hun advocaat aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht, [X] c.s. heeft een akte genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] c.s. heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering van Bleeker Smit zal afwijzen, althans slechts zal toewijzen ten aanzien van een termijn van € 63.430,65, rekening houdend met besparing en te bepalen dat het beslag dat bedrag niet mag overschrijden, met beslissing over de proceskosten.

Bleeker Smit heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - afwijzing van de vorderingen van [X] c.s. en beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

a.

[X] is bestuurder van Evereg . Evereg was tot na te noemen faillissement bestuurder van Lico Teelt B.V. (hierna: Lico Teelt).

b.

Lico Teelt en Bleeker Smit hebben in 1999, aanvankelijk mondeling en nadien schriftelijk, een teeltcontract gesloten. Deze overeenkomst hield in dat Bleeker Smit plantmateriaal van Lico Teelt tegen vergoeding zou planten, telen en na de teelt zou afleveren. Over de uitvoering van deze overeenkomst is een geschil ontstaan. Bij exploot van 2 februari 2000 heeft Lico Teelt Bleeker Smit gedagvaard voor de rechtbank Alkmaar en gevorderd dat Bleeker Smit wegens wanprestatie tot schadevergoeding zou worden veroordeeld. In dat geding heeft Bleeker Smit een reconventionele vordering ingesteld, ertoe strekkende dat Lico Teelt zou worden veroordeeld tot voldoening van de laatste twee termijnen, groot elk € 63.430,53, van de vergoeding die Bleeker Smit volgens het teeltcontract toekwam.

c.

[X] was ook bestuurder (en enig aandeelhouder) van Lily Company B.V. (hierna: Lily Company of Lily). Bij overeenkomst van 1 juli 2001 heeft Lico Teelt al haar activa aan Lily Company overgedragen. Lico Teelt is op 27 maart 2003 failliet verklaard.

d.

De curator in dat faillissement heeft de onder c genoemde overeenkomst van 1 juli 2001 als paulianeus aangemerkt, en ter zake met Lily Company een regeling getroffen.

e.

Bleeker Smit heeft haar de onder b genoemde vordering (voor zover het betrof de eerste termijn) ter verificatie in het faillissement aangemeld. De curator heeft deze vordering voorlopig betwist in verband met de toen lopende procedure.

f.

Bij brief van haar advocaat gedateerd 15 april 2004 heeft Bleeker Smit [X] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de schade uit het onbetaald blijven van haar opdrachtloon (de twee resterende termijnen) en hem gesommeerd dat verschuldigde bedrag te voldoen, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten. Bij brief van 19 april 2004 heeft [X] deze aansprakelijkheid van de hand gewezen.

g.

Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de curator tijdens een op 14 mei 2004 gehouden verificatievergadering te kennen gegeven dat hij de vordering van Bleeker Smit ten bedrage van € 63.430,53 niet langer betwistte en verzocht die vordering over te brengen naar de lijst van concurrente crediteuren. Dit proces-verbaal, waarin is vermeld dat ook [X] de verificatievergadering bijwoonde, houdt verder in dat niemand bezwaar maakte tegen verificatie van de vorderingen die de curator alsnog wenste te erkennen, zodat deze vordering van Bleeker Smit is overgebracht naar de lijst van erkende schuldeisers.

h.

De curator heeft vervolgens de onder b bedoelde procedure niet voortgezet.

i.

De rechtbank Alkmaar heeft op vordering van Bleeker Smit bij vonnis van 27 augustus 2008 voor recht verklaard dat [X] c.s. jegens Bleeker Smit uit hoofde van onrechtmatige daad (bestuurdersaansprakelijkheid) hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van Bleeker Smit voortvloeiende uit het onbetaald blijven van de vordering van Bleeker Smit op Lico Teelt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De rechtbank heeft daar aan toegevoegd dat deze schade in de hoofdsom maximaal € 126.861,06 (2 maal € 63.430,53) bedraagt, “nu andere schade is gesteld noch aannemelijk geworden” is. Omdat ten tijde van het wijzen van het vonnis van 27 augustus 2008 nog niet bekend was of (gedeeltelijke) voldoening van dit bedrag uit de boedel van Lico Teelt kon/zou plaatsvinden, heeft de rechtbank in dat vonnis geoordeeld dat nog niet vast stond welk deel van voornoemd bedrag [X] c.s gehoudenis te voldoen, waarna verwijzing naar de schadestaat volgde.

j.

Van het hiervoor onder i genoemde vonnis is [X] c.s. in hoger beroep gekomen. Dit hof heeft bij op 28 februari 2012 uitgesproken arrest (hierna: het arrest van 2012) het vonnis bekrachtigd. Voor zover hier van belang, overweegt het hof over de hoogte van de schade:

“3.8 …Voor zover erover wordt geklaagd dat de rechtbank de vordering van Bleeker Smit op € 126.861,06 heeft bepaald, falen de grieven omdat zij op een verkeerde lezing van het vonnis berusten. Als eindbeslissing houdt het vonnis immers in dat de zaak – zoals Bleeker Smit ook heeft gevorderd – voor begroting van de schade naar de schadestaat is verwezen.

3.9

Kennelijk heeft de rechtbank het wenselijk geacht met haar aan die beslissing voorafgaande overwegingen tot uitdrukking te brengen dat de nog te begroten schade geen hoger bedrag zal kunnen belopen dan het in rov. 4.14 genoemde bedrag van € 126.861,06. Deze betekenis zal die overweging evenwel niet (in de schadestaatprocedure) kunnen worden toegekend, omdat het proces-verbaal van de op 14 mei 2004 gehouden verificatievergadering inhoudt dat op de lijst van erkende schuldeisers van Lico Teelt is geplaatst de vordering “ Bleeker Smit v.o.f. ten bedrage van € 63.430,53”. Aangezien, zoals naar aanleiding van de hiervoor besproken grief werd opgemerkt, het proces-verbaal van de verificatievergadering moet worden beschouwd als gezaghebbende bron van hetgeen aldaar is voorgevallen, en de zojuist aangehaalde woorden geen andere uitleg toelaten, moet worden aangenomen dat de vordering van Bleeker Smit in het faillissement van Lico Teelt is erkend tot het bedrag van € 63.430,53. Die vordering kan dus ook jegens [X] c.s. tot maximaal dat bedrag als vaststaand worden beschouwd. Hieraan doet niet af dat uit andere gedingstukken – die niet de kracht van een authentieke akte hebben – valt af te leiden dat Bleeker Smit meent recht te hebben op tweemaal dat bedrag.

3.10

In zoverre is de zesde grief terecht voorgesteld, maar tot vernietiging van de bestreden uitspraak kan dat om de hierboven onder 3.8 genoemde reden niet leiden. Opmerking verdient dat [X] c.s. zich met succes op het in dit arrest overwogene zullen kunnen beroepen in geval Bleeker Smit in de schadestaatprocedure toch nog staande zou willen houden dat de door [X] c.s. te vergoeden schade ten hoogste het in de overwegingen van de rechtbank genoemde bedrag kan belopen.…”

k.

Bij arrest van 28 juni 2013 heeft de Hoge Raad het door [X] c.s. ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van 2012 verworpen.

l.

Uit het faillissement van Lico Teelt heeft geen betaling plaatsgevonden aan Bleeker Smit .

m.

Evereg c.s. heeft de rechtbank Alkmaar verzocht het proces-verbaal van de verificatievergadering op de voet van art. 137 Fw te verbeteren, aldus dat na verbetering uit het proces-verbaal zal blijken dat de (indirect) bestuurders van de failliet de vordering van Bleeker Smit hebben betwist. Bij beslissing van 5 januari 2010 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Die afwijzing is in hoger beroep (bij beschikking van 11 juni 2010) en in cassatie (bij beschikking van 10 juni 2011) gehandhaafd.

n.

[X] c.s. heeft bij verzoekschriften aan de rechtbank Den Haag (gericht tegen de Staat der Nederlanden), kort samengevat, verzocht dat wordt bepaald dat het proces-verbaal onjuist is en een nieuwe verificatievergadering moet worden uitgeschreven, respectievelijk dat het proces-verbaal nietig is en de daardoor ontstane rechtsgevolgen geregeld dienen te worden. De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 20 mei 2015 deze verzoeken integraal afgewezen. [X] c.s. heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 16 maart 2016 heeft het hof in appel de beschikking bekrachtigd.

3.2

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie [X] c.s. veroordeeld tot betaling aan Bleeker Smit van € 126.861,06 (twee termijnen), alsmede in de proceskosten. In reconventie is de vordering van [X] c.s. afgewezen en is hij eveneens in de kosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [X] c.s. met zijn vijf grieven op.

3.3

[X] c.s. had reeds bij akte van 23 februari 2016 zijn eis gewijzigd en heeft bij gelegenheid van het pleidooi zijn eis weer gewijzigd. Bleeker Smit heeft daartegen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar slaagt. De wijzigingen komen neer op het aanvoeren van nieuwe grieven, bijvoorbeeld ten aanzien van een aftrekpost van € 10.000 in verband met een afwijkende oppervlaktemaat die tot dusver in de procedure niet aan de orde was gesteld. Daarvoor is in appel geen ruimte. De grieven dienen bij memorie van grieven alle kenbaar gemaakt te worden. De stellingen op dit punt geven geen nadere invulling aan of toelichting op de eerder geformuleerde grieven, maar stellen kwesties aan de orde die een nieuw debat zouden vergen.

De eiswijzigingen worden dan ook niet toegelaten en beslist wordt op de oorspronkelijke eis als geformuleerd in de memorie van grieven.

Ter voorkoming van misverstand merkt het hof op, dat bij de akte waarbij de eiswijziging werd ingesteld ook producties zijn gevoegd; tegen overlegging van die nadere producties is geen bezwaar gemaakt en de goede procesorde staat daaraan niet in de weg. Deze behoren dus tot het dossier.

3.4

Het betreft hier de schadestaatprocedure, volgend op de procedure waarin, tot in hoogste instantie en bij inmiddels in kracht van gewijsde gegaan arrest (zie 3.1 k), is beslist dat [X] c.s. aansprakelijk is voor de schade die Bleeker Smit heeft geleden omdat Lico Teelt haar contract niet nakwam. Behalve deze schadestaatprocedure en de hoofdzaak heeft [X] c.s. nog diverse andere procedures aanhangig gemaakt, die onder meer ten doel hebben een van de belangrijke uitgangspunten voor de vastgestelde aansprakelijkheid van [X] c.s. onderuit te halen, te weten dat de vordering van Bleeker Smit op Lico Teelt op de verificatievergadering niet is betwist.

Alvorens de grieven te bespreken stelt het hof voorop dat in deze schadestaatprocedure aan die andere procedures, anders dan [X] c.s. meent, geen rechtstreekse betekenis toekomt. Het hof dient hier tot uitgangspunt te nemen dat [X] c.s. aansprakelijk is voor meerbedoelde schade. Slechts aspecten die zien op die schade, zoals de hoogte daarvan en vragen van verrekening en voordeelstoerekening, kunnen in deze procedure in aanmerking genomen worden.

3.5

De grieven 1, 2 en 3 zien op de beslissing van de rechtbank om een schadevergoeding toe te kennen die, in afwijking van de overwegingen van het hof in het arrest van 2012, niet één, maar twee termijnen groot is. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.1

[X] c.s. heeft, als bestuurder van Lico Teelt, voor Lico Teelt een sterfhuisconstructie opgezet en in dat kader het ertoe geleid dat op 1 juli 2001 alle activa van Lico Teelt aan een andere vennootschap (Lily) werden overgedragen, zonder dat de hiervoor bedoelde vordering van Bleeker Smit werd betaald en zonder dat Bleeker Smit nog verhaal kon nemen, een en ander terwijl andere crediteuren van Lico Teelt wel, tenminste deels, betaald werden. Dat had [X] c.s. niet mogen doen; dat en waarom hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt te maken valt is beslist in het arrest van dit hof van 2012. Daarom is hij als bestuurder van Lico Teelt in dat arrest veroordeeld tot vergoeding van de schade die hij, door die onrechtmatige constructie, aan Bleeker Smit heeft berokkend.

3.5.2

Die schade stelt Bleeker Smit op de twee termijnen die opeisbaar waren, maar niet betaald zijn. Daarin heeft zij in beginsel gelijk.

Immers, partijen hebben in een eerder stadium in rechte gestreden over de precieze inhoud van hun overeenkomst. Vast staat echter, dat tussen Lico Teelt en Bleeker Smit een contractteeltovereenkomst was gesloten, die voorzag in betaling in drie termijnen. Over de hoogte van die termijnen en de momenten waarop zij betaald moesten worden zijn partijen het ook eens. Dat de drie termijnen die waren afgesproken voor de betaling waren verstreken voor 1 juli 2001 staat vast (de laatste betaling had plaats moeten vinden op 1 maart 2000). Dat Lico Teelt slechts één termijn heeft betaald en de beide andere niet staat evenzeer vast. Daaruit vloeit voort dat Bleeker Smit op 1 juli 2001 een opeisbare vordering ter grootte van de twee onbetaalde termijnen van elk € 63.430,53 op Lico Teelt had. De activa-overdracht heeft er toe geleid dat Lico Teelt die vordering niet (meer) kon voldoen, zodat Bleeker Smit als gevolg daarvan in beginsel schade heeft geleden tot een bedrag van € 126.861,06. Naar Nederlands recht is niet juist de impliciete stelling van [X] c.s. dat die betalingsverplichting van Lico Teelt (deels) van rechtswege verviel omdat zij meende dat Bleeker Smit wanprestatie had gepleegd.

3.5.3

Hoogstens zou sprake kunnen zijn van een verrekenbare tegenvordering van Lico Teelt op Bleeker Smit wegens wanprestatie. In dat verband is van belang dat Lico Teelt (en [X] c.s.) en Bleeker Smit het niet eens waren en zijn over het karakter van de overeenkomst. [X] c.s. meent dat sprake was van een resultaatsverbintenis, zodat het, vaststaande, teleurstellende resultaat (slechts ongeveer de helft van de bollen is na de teelt weer aan Lico Teelt teruggeleverd) zonder meer wanprestatie oplevert.

De overeenkomst hield echter volgens Bleeker Smit slechts een inspanningsverbintenis in. Bleeker Smit verplichtte zich immers tot het voor rekening van Lico Teelt planten, telen (in de zin van verzorgen en opkweken) en nadien weer uitgraven en aan Lico Teelt afleveren van door Lico Teelt aan Bleeker Smit ter beschikking gestelde leliebollen. Nu die inspanningen verricht zijn is van wanprestatie geen sprake, ook al is het resultaat teleurstellend.

Op dit punt is nog geen rechterlijk oordeel geveld. Bij het vonnis van 20 augustus 2003 is slechts vastgesteld dat de toepasselijkheid van de contractteeltbepalingen van 19 juli 1999 waarop [X] c.s. zich beriep niet was bewezen. Dat betekent dat dat oordeel in deze procedure geveld dient te worden als dat, zoals [X] c.s. meent, beslissend is voor het lot van de onderhavige vordering.

De stellingen van [X] c.s. aangaande de aard van de gestelde wanprestatie zijn, in elk geval inmiddels, onderbouwd. Bleeker Smit betwist die stellingen, evenzeer gemotiveerd. Het hof komt echter niet aan bewijslevering toe, omdat bewijs van de wanprestatie voor de uitkomst van deze procedure geen verschil maakt. Dat wordt als volgt toegelicht.

3.6

Als veronderstellenderwijs uitgegaan wordt van wanprestatie zijdens Bleeker Smit zou dat een vordering van Lico Teelt op Bleeker Smit opgeleverd hebben, ter grootte van de daardoor door Lico Teelt geleden schade. Dat is echter geen vordering van [X] c.s. op Bleeker Smit . [X] c.s. en Lico Teelt kunnen niet vereenzelvigd worden. Omdat verrekening alleen mogelijk is als partijen over en weer vorderingen op elkaar hebben kan een dergelijke vordering [X] c.s. in het kader van deze procedure dus in zoverre niet baten.

3.7

Mogelijk zou, nog steeds uitgaande van wanprestatie zijdens Bleeker Smit , de onrechtmatige activatransactie aan Bleeker Smit niet een schade ter grootte van

€ 126.861,60 hebben berokkend, doch een geringere schade, ter grootte van het, na verrekening met de door Lico Teelt als gevolg van de wanprestatie geleden schade, resterende deel van de vordering van € 126.861,06 van Bleeker Smit op Lico Teelt.

Als dat is wat [X] c.s. aan de orde heeft willen stellen heeft hij dat echter zo onduidelijk gedaan en met name zo weinig onderbouwd dat dat in het kader van deze schadestaatprocedure in appel volstrekt onvoldoende is. De meest concrete onderbouwing is te vinden in de bundel stukken die [X] c.s. met het oog op het pleidooi heeft ingediend, maar het toelichtende eerste deel van die bundel bevat geen heldere schade-opstelling en het hof kan het niet tot zijn taak rekenen om in de rest van die bundel op zoek te gaan naar een ordentelijke, onderbouwde en begrijpelijke schade-opstelling. Bleeker Smit heeft zich daar ook niet deugdelijk tegen kunnen verweren. Ook dit kan [X] c.s. dus niet baten. Uitgangspunt is derhalve dat de schade van Bleeker Smit bestaat uit de beide onbetaald gebleven termijnen ter grootte van samen € 126.861,06 en dat in de huidige situatie de vraag naar de aard van de overeenkomst en de wanprestatie als irrelevant voor de te nemen beslissing geen beantwoording behoeft.

3.8

Voor zover [X] c.s. meent dat uit de overwegingen van het hof in het arrest van 2012, in het bijzonder 3.9 en 3.10, voortvloeit dat het dit hof niet meer vrijstaat om nu bovenstaande afweging te maken is dat niet juist. Het hof heeft daar, in het kader van de begrenzing van de vordering van Bleeker Smit , overwogen dat de eerste termijn van € 63.430,53 zonder meer vast staat, vanwege de vermelding in het proces-verbaal en het daaraan door de wet toegekende gevolg dat sprake is van erkenning. Voor de tweede termijn geldt dat niet, zodat daarover nog debat in de (deze) schadestaatprocedure mogelijk was. Hiervoor is echter vastgesteld, dat [X] c.s. over dat meerdere ten opzichte van de eerste termijn in het kader van dat debat in deze procedure onvoldoende heeft aangevoerd. In 3.10 van het arrest van 2012 heeft het hof tenslotte duidelijk per abuis de namen van partijen verwisseld waar het in de slotzin overweegt dat Bleeker Smit staande zou willen houden dat de door [X] c.s. te vergoeden schade ten hoogste het bedrag van beide termijnen zou kunnen belopen, zodat daaraan geen betekenis toekomt.

3.9

De enige mogelijke uitzondering op de uit het voorgaande voortvloeiende gehoudenheid om het volle bedrag te betalen zou kunnen worden gevormd door feiten die hebben geleid tot een vermindering van de schade die Bleeker Smit heeft geleden door het niet nakomen van de overeenkomst door Lico Teelt, een besparing. Grieven 4 en 5 zien, zo is bij pleidooi bevestigd, op die besparing, al dan niet bij wijze van voordeelsverrekening, als bedoeld in van artikel 6:100 BW. Het gaat er dan met name om dat volgens [X] c.s. de omstandigheid dat er maar een halve oogst was, in verband met de aanwezigheid van het onkruid kiek, tot aanzienlijke besparingen aan de zijde van Bleeker Smit geleid moet hebben vanwege de vermindering in de te verrichten werkzaamheden en te maken kosten.

Dat sprake is geweest van een dergelijke besparing heeft Bleeker Smit echter gemotiveerd bestreden. In deze schadestaatprocedure had het op de weg van [X] c.s. gelegen om te stellen, uit te werken, te kwantificeren en te onderbouwen dat er een besparing is geweest, hoe groot die is geweest en waarom en in hoeverre die besparing tot een vermindering van de betalingsverplichtingen van Lico Teelt jegens Bleeker Smit zou hebben geleid. Dat heeft hij in onvoldoende mate gedaan. De enkele stelling dat het zo moet zijn dat het verwerken van minder bollen tot minder kosten moet leiden is niet genoeg. Ook de stelling dat van extra werk geen sprake kan zijn geweest omdat de kiek allang weg was is, mede gelet op de stellingen van Bleeker Smit , onvoldoende. Dat betekent dat het hof daaraan, zonder dat ruimte is voor bewijslevering, voorbijgaat.

De grieven falen. Relevante bewijsaanbiedingen zijn niet gedaan. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X] c.s. zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Bleeker Smit begroot op € 5.114,- aan verschotten en € 7.896,- voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.F. Aalders en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.