Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4400

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
200.189.119/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 358 Rv, ontvankelijkheid, mededeling beslissing ter zitting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2017/15
PFR-Updates.nl 2016-0326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 8 november 2016

Zaaknummer: 200.189.119/01

Zaaknummers eerste aanleg: 4542781 BM VERZ 15-2686 en 4542782 MB VERZ 15-446 MK

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellante,

advocaat: mr. F. Westenberg te Hoorn.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

  • -

    mevrouw [A] (hierna te noemen: de moeder);

  • -

    de heer [B] (hierna te noemen: de zoon).

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante wordt hierna de dochter genoemd.

1.2.

De dochter is op 11 april 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de kantonrechter) met kenmerk 4545781 BM VERZ 15-2686 en 4542782 MB VERZ 15-446 MK, die als uitspraakdatum vermeldt 14 januari 2016.

1.3.

De moeder heeft op 20 juli 2016 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 15 september 2016 ter terechtzitting in hoger beroep behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de dochter, bijgestaan door haar advocaat;

- de moeder en de zoon, bijgestaan door mr. M.M. van Wijk te leiden.

2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1.

De vraag dient te worden beantwoord of de dochter ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de onder 1.2. genoemde beschikking. Bij deze beschikking zijn de goederen die aan de moeder (zullen) toebehoren wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand onder bewind gesteld en is ten behoeve van haar een mentorschap ingesteld. Daarbij is de zoon benoemd tot bewindvoerder en mentor.

2.2.

De moeder stelt dat de dochter niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat zij haar beroepschrift buiten de beroepstermijn heeft ingediend. De kantonrechter heeft ter zitting op 6 januari 2016 mondeling uitspraak gedaan, zodat de beroepstermijn op dat moment is ingegaan. Daarbij is niet relevant dat op de schriftelijke beschikking een andere datum vermeld staat, aldus de moeder.

De dochter heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.

2.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 806 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt dat, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 358 Rv, van een beschikking hoger beroep kan worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak dan wel door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking op andere wijze bekend is geworden.

Uit het proces-verbaal van de behandeling ter zitting bij de kantonrechter op 6 januari 2016 blijkt dat de kantonrechter, voor zover hier relevant, ter zitting heeft medegedeeld:

”Ik ga een beslissing nemen. Ik heb met iedereen gesproken. Op basis van het gesprek en op basis van de stukken vind ik het in het belang van betrokkene dat er iemand wordt aangesteld die alles formeel regelt. Voor de keuze van de bewindvoerder en mentor ga ik de wens van betrokkene volgen […..]”.

Het hof overweegt dat onder de dag van de uitspraak wordt verstaan de dag waarop de rechterlijke uitspraak openbaar wordt gemaakt. Aan deze eis voldoen de mededelingen van de kantonrechter op 6 januari 2016 naar het oordeel van het hof niet. De kantonrechter heeft immers gezegd dat zij een beslissing gaat nemen en de wens van betrokkene gaat volgen, hetgeen impliceert dat deze beslissingen niet op dat moment openbaar zijn gemaakt en dat de kantonrechter slechts heeft willen meedelen hoe de uitspraak zal komen te luiden. Bovendien is blijkens het proces-verbaal de aard van de te nemen beschermingsmaatregelen niet als zodanig ter zitting bepaald, noch zijn de gegevens vermeld van degene die de maatregelen zal uitvoeren. Eerst met de beschikking van 14 januari 2016 zijn de maatregelen van bewind- en mentorschap ingesteld en zijn de personalia van de bewindvoerder en mentor genoemd. Deze beschikking is aan belanghebbenden toegezonden, zodat dit de uitspraak betreft die aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Dit oordeel brengt met zich dat de dochter tijdig, te weten binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, in appel is gekomen, zodat zij zal worden ontvangen in haar verzoek.

2.4.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 Beslissing

Het hof:

verklaart de dochter ontvankelijk in haar hoger beroep;

houdt iedere verdere beslissing aan;

gelast de oproeping van partijen tegen een nog nader te bepalen datum.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. M.F.G.H. Beckers en mr. L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.