Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4396

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2016
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
200.182.892/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2017:3148
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:2248
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 8 november 2016

Zaaknummer: 200.182.892/ 01

Zaaknummers eerste aanleg: C/15/181934 / FA RK 11-1831 en

C/15/181983 / FA RK 11-1850.

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.J. Meermans-de Vries te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b]

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.A.M.P. Keijser te Nijmegen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 29 december 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 30 september 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met de kenmerken C/15/181934 / FA RK 11-1831 en C/15/181983 / FA RK 11-1850.

1.3.

De vrouw heeft op 25 februari 2016 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De man heeft op 13 mei 2016 een verweerschrift in het hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5.

De man heeft op 25 maart 2016, 20 mei 2016 en 13 juni 2016 nadere stukken ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 1 april 2016, 13 juni 2016 en 16 juni 2016 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 23 juni 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en mr. M. Fruytier, advocaat te Amsterdam;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mr. C.G.A. van Stratum, advocaat te Den Haag.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] 1990 onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd. Hun huwelijk is op [datum] 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 september 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

In de door partijen op 11 oktober 1990 overeengekomen huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald.

Artikel 1

De echtgenoten zijn gehuwd in gemeenschap van inboedel; elke andere gemeenschap van goederen is tussen hen uitgesloten.(…)

Artikel 6

Echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar. (…)

Artikel 8

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, (…)

worden voldaan uit de netto-inkomens der echtgenoten naar evenredigheid daarvan; (…)

2. Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen (. . .)

Artikel 11

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 8,, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. (…)”

2.2.

De staat van aanbrengsten, onderdeel van de akte van huwelijksvoorwaarden, luidt als volgt:

Door [de vrouw] wordt ten huwelijk aangebracht:

Het compleet door haar te [woonplaats b] uitgeoefende manegebedrijf met de daarbij behorende onroerende en roerende goederen, liquiditeiten, vordering en schulden. De roerende goederen liquiditeiten, vorderingen en schulden zijn de navolgende:

Volkswagen Golf [kentekennummer 1]

Mercedes 608D [kentekennummer 2]

Paarden (2x)

Harnachementen

Tractor McCormick

Kas saldo f 7000,-- (€ 3.176,46)

AMRO-Bank nummer [rekeningnummer] f 9.145,-- (€ 9.149,82)

Debiteuren f 6.923,-- (€ 3.141,52)

Voorts de navolgende schulden:

Een hypothecaire geldlening ten behoeve van de Westland Utrecht Hypotheekbank pro resto f 150.000,-- (€ 68.067,-);

Een geldlening van haar moeder mevrouw [X] groot f 60.000,-- (€ 27.226,80);

Een geldlening van mevrouw [Y] groot f 115.000,-- (€ 52.184,70).”

2.3.

De man is tot 1 juli 2002 in dienst geweest van [bedrijf] Sinds 1 juli 2002 is de man in dienst van de op 10 maart 1994 opgerichte [de B.V.] (hierna: de B.V.), waarvan de man directeur/grootaandeelhouder is. Bij het einde van zijn dienstbetrekking bij [bedrijf] heeft de man een schadeloosstelling wegens te derven inkomsten ontvangen, die de man door [bedrijf] heeft laten storten in de B.V. Op de balans van de B.V. per 31 december 2009 stond een voorziening voor stamrechtverplichtingen van € 97.457,-, waarvan € 74.427,- voor de man en € 23.030,- voor de vrouw.

2.4.

De vrouw is eigenaar van de onroerende zaak aan [het adres] te [woonplaats b] (hierna: [het adres] ). Het manegebedrijf van de vrouw is aldaar gevestigd. [het adres] bevatte op de peildatum naast bedrijfsmatige opstallen een woning (zijnde de voormalig echtelijke woning) en een garage inclusief studiowoning.

Tijdens het huwelijk heeft aan [het adres] een drietal verbouwingen plaatsgevonden.

In de periode van [datum] 1990 (de huwelijksdatum) tot 26 juni 1997 is een bedrag van ƒ 60.000,- (€ 27.227,-) afgelost op de schuld aan mevrouw [X] en een bedrag van afgerond ƒ 17.000,- (7.716,-) op de schuld aan mevrouw [Y] (totaal € 34.943, ). Beide leningen zijn voor het huwelijk door de vrouw aangegaan ten behoeve van de aankoop en de voorafgaand aan het huwelijk verrichte verbouwingen van [het adres] .

In 1997 is een drietal hypothecaire geldleningen afgesloten bij ABN Amro, waarmee de hypothecaire geldlening van WUH van ƒ 150.000,- (€ 68.067,-) en de resterende schuld aan mevrouw [Y] van ƒ 98.000,- zijn afgelost.

De hypothecaire geldleningen bij ABN Amro zijn de volgende:

  • -

    ƒ 200.000,- (€ 90.756,-) spaarhypotheek op naam van de man, waarvan het saldo op de peildatum € 43.672,- bedroeg;

  • -

    ƒ 200.000,- (€ 90.756,-) meegroeihypotheek op naam van de vrouw, waaraan een “meegroei-vrijpolis” op naam van de man en de vrouw is verbonden, waarvan het saldo op de peildatum € 12.929,- bedroeg;

  • -

    ƒ 100.000,- (€ 45.378,-) aflossingsvrije hypotheek op naam van de vrouw.

In 2002 heeft de vrouw uit hoofde van geldlening een bedrag van € 107.275,- van de B.V. ontvangen. Tijdens het huwelijk is niet op deze lening afgelost. Na de peildatum heeft de vrouw het gehele bedrag van deze schuld aan de B.V. voldaan.

2.5.

Het verzoek tot echtscheiding is op 27 december 2010 ingediend. Tijdens het huwelijk heeft geen verrekening van overgespaard inkomen plaatsgevonden. In de tussenbeschikking van 27 september 2011 is - na het bereiken van overeenstemming op dit punt door partijen -31 december 2009 bepaald als de peildatum voor de omvang en de waarde van het te verrekenen vermogen van partijen.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld zoals onder 2.10 tot en met 2.40 in die beschikking is overwogen en is de vrouw veroordeeld ter zake van verrekening aan de man te betalen een bedrag van € 72.762,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 71.981,- vanaf 27 december 2010.

3.2.

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de vorderingen van de man zoals verwoord in rechtsoverweging 2.7 van de beschikking niet zijn toegewezen en het deel waarbij de vorderingen van de man niet geheel zijn toegewezen, en het deel waarbij de vorderingen van de vrouw zijn toegewezen en/of aan haar bedragen ter zake van verrekening zijn toegekend, en voor het overige de bestreden beschikking te bekrachtigen, en:

-te bepalen dat het bedrag dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van het verrekenbeding van overgespaard inkomen aan de man is verschuldigd, vast te stellen op een hoger bedrag dan € 139.418,- en de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een door het hof vastgesteld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de peildatum.

-het bedrag vast te stellen dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de regeling van de vergoedingsrechten aan de man schuldig is en/of uit hoofde van overbedeling en voorts de vrouw te veroordelen om dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de peildatum, aan de man te voldoen;

-het bedrag vast te stellen dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de regeling van de vergoedingsrechten, althans uit hoofde van onverschuldigde betaling, althans ongerechtvaardigde verrijking aan de man als vertegenwoordiger en cessionaris van [de B.V.] schuldig is en de vrouw te veroordelen om dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de peildatum, aan de man te voldoen, onder bepaling dat zij door betaling aan de man jegens [de B.V.] bevrijdend heeft betaald.

3.3.

De vrouw verzoekt in principaal appel de grieven van de man ongegrond te verklaren, althans deze af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

-het door de vrouw aan de man te betalen bedrag uit hoofde van de afwikkeling van het periodiek verrekenbeding vast te stellen op een door het hof vast te stellen lager bedrag dan € 139.418,-, met veroordeling van de man tot terugbetaling van hetgeen de vrouw meer heeft betaald dan waartoe zij op grond van de door het hof te wijzen beschikking verschuldigd zal blijken te zijn, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling;

-het door de man aan de vrouw te betalen bedrag wegens verrekening van de stamrechtverplichting vast te stellen met inachtneming van het gestelde onder de incidentele grieven 2a en b.

-de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.4.

De man verzoekt in het incidenteel appel de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren, althans de verzoeken van de vrouw in het incidenteel appel af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

4 Beoordeling van het hoger beroep

De beslissingen van de rechtbank

4.1.

Voor zover in hoger beroep van belang houden de rechtsoverwegingen 2.10 tot en met 2.40 het volgende in:

A.

[het adres] : Op de voet van artikel 1:133 en 1:135 lid 1 BW in samenhang met artikel 1:141 lid 3 BW moet ervan worden uitgegaan dat de extra waardestijging van € 613.000,- van het manegebedrijf en de woning is verkregen door investeringen met overgespaard inkomen. Dit betekent dat de man aanspraak heeft op betaling van de helft van de waardestijging verminderd met de thans nog drukkende hypothecaire schuld van in totaal € 226.890,- en de schuld aan de B.V. van € 107.275,-, derhalve € 613.000,- -/- (€ 226.890,- + € 107.275,-) = € 278.835,-, derhalve € 139.418,-. (r.o. 2.21 tot en met 2.23). De rechtbank is bij deze beslissing uitgegaan van het taxatierapport van 17 april 2013 van de door haar benoemde deskundige T. de Boer (hierna: De Boer), als productie 28 aan het hof overgelegd volgens de inventarislijst die als productie 98 in het geding is gebracht. Volgens de rechtbank in haar beschikking van 30 september 2015 houdt dit rapport in dat de waarde in het economisch verkeer vrij van gebruik en bewoning van [het adres] op de peildatum € 1.325.000,-, en in 1988 € 115.000,- bedroeg en de autonome waardestijging vanaf 1988 tot 31 december 2009, de verbouwingen van de opstallen weggedacht, (€ 712.660,- -/- € 115.000,-) € 597.660,-.

B. (door de rechtbank A genoemd)

Vordering van de man tot vergoeding van een in [het adres] geïnvesteerd bedrag van € 91.207,-, afkomstig uit de nalatenschap van zijn vader: afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing. (r.o. 2.24)

C. (door de rechtbank B genoemd)

Vordering van de man van een bedrag van € 197.053,-, zijnde de helft van de aflossingen en beleggingen die betrekking hebben op de autonome waardestijging tijdens het huwelijk van [het adres] : afgewezen. De B.V. heeft steeds de hypotheeklasten, de premies voor de kapitaalverzekeringen, de rente en aflossingen op de leningen van de beide moeders en de lening ten behoeve van de garage betaald. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat die betalingen gedaan zijn uit overgespaard inkomen. De aflossingen zullen bij de waardering van de aandelen in de B.V. in aanmerking worden genomen. (r.o. 2.26)

D. (door de rechtbank C genoemd)

Vordering van de man van een bedrag van € 80.663,-, zijnde de helft van de uit overgespaard inkomen gedane investeringen in de verbouwing van [het adres] : afgewezen. De rechtbank heeft al beslist dat de man gerechtigd is tot de helft van de extra waardestijging van [het adres] minus de daarop rustende schulden. De investeringen uit overgespaard inkomen hoeven niet apart te worden becijferd. (r.o. 2.27)

E. (door de rechtbank D genoemd)

Vordering van de man van een bedrag van € 116.225,-, zijnde de helft van de betaalde rente op de hypothecaire lening voor zover deze niet betrekking heeft op de woning, maar op het manegebedrijf, vermeerderd met een rendement van 8% op jaarbasis na 19 jaar: afgewezen. Ook deze betalingen zijn verricht door de B.V. en zijn derhalve niet verricht met overgespaard inkomen. De betalingen komen tot uitdrukking bij de waardering van de aandelen in de B.V. (r.o. 2.28)

F.

Vordering van de vrouw van een bedrag van € 115.000,- uit hoofde van in de B.V. belegd overgespaard inkomen: toegewezen tot een bedrag van € 44.047,-, welk bedrag als volgt is berekend. Het eigen vermogen per 31 december 2009 van (€ 111.457,- -/- de verkrijgingsprijs van € 18.000,-), verminderd met de AB-claim van 25% = € 88.093,- te verrekenen vermogen, waarvan de helft aan de vrouw toekomt. (r.o. 2.29 en 2.30)

G.

Aanspraak van de vrouw op de helft van het stamrecht: toegewezen tot een bedrag van € 23.390,-, gebaseerd op de voorziening stamrechtverplichting op de balans van de B.V. ten bedrage van € 97.458,-, verminderd met de latente belastingclaim van 52% daarvan en derhalve € 50.678,-, zodat het te verrekenen vermogen € 46.780,- bedraagt. (r.o. 2.31)

H.

Meegroei-hypotheek en spaarhypotheek: de waarde op de peildatum van € 56.000,- dient bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. (r.o. 2.32)

I.

Aanspraak van de man op verrekening van de betaalde schenkbelasting naar rato van de waarde op de peildatum van het aandeel van de vrouw in het chalet in Zwitserland dat zij samen met haar zusters door haar ouders geschonken heeft gekregen, door de man berekend op de helft van € 15.650,-: toegewezen tot een bedrag van de helft van de betaalde schenkbelasting, te weten € 781,-. De stelling van de man dat betaling van de schenkbelasting moet worden aangemerkt als een investering kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden gevolgd. (r.o. 2.34)

J.

Aanspraak van de man op de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift. Volgens de rechtbank is de verrekenvordering op grond van de huwelijkse voorwaarden op dat moment ontstaan en opeisbaar geworden en niet, zoals de man primair stelt, op de peildatum. (r.o. 2.36)

Ter zitting heeft het hof op verzoek van partijen op een aantal onderdelen een voorlopig oordeel gegeven. Tijdens de beraadslaging in raadkamer is het hof deels tot andere bevindingen gekomen. Dit verklaart waarom de beschikking op onderdelen afwijkt van het ter zitting gegeven voorlopige oordeel.

[het adres]

4.2.

Grief 1 van de vrouw is gericht tegen de beslissing onder A en houdt het volgende in.

De vrouw betwist de inhoud van het rapport van De Boer. Kort gezegd komen haar bezwaren tegen dit rapport op het volgende neer. De Boer was niet deskundig ter zake van taxatie van een hippisch bedrijf. Een bevriende relatie heeft hem benaderd voor advies bij het kopen van een manegebedrijf. De Boer heeft deze relatie laten weten dat hij ter zake onvoldoende deskundig is. De vrouw biedt hiervan bewijs aan door De Boer als getuige te horen. [het adres] is geen woning waar ook gelegenheid is om paarden te houden, maar een manegebedrijf met bijbehorende bedrijfswoning waarvan de kantoorruimte sinds 2004 is verhuurd aan een ruitervereniging. De vrouw behaalt met de manege een winst uit onderneming van € 25.000,- per jaar. De door De Boer getaxeerde waarde (het hof begrijpt: op de peildatum) brengt zodanig hoge rentelasten met zich dat een eventuele koper geen rendement uit zijn investering zou behalen. Die taxatiewaarde kan daarom niet als een reële marktwaarde worden beschouwd. Er is niet kenbaar rekening gehouden met het feit dat de woning conform het geldende bestemmingsplan een bedrijfswoning is, hetgeen een lagere waarde met zich dient te brengen. In het rapport is geen rekening gehouden met de hoofdgasleiding onder het perceel, asbestdaken op een aantal (delen van) opstallen en de ligging van het perceel bij een cementfabriek. Tot slot wijst de vrouw op een aantal tegenstrijdigheden en de omstandigheid dat De Boer niet, zoals gebruikelijk, het commentaar van partijen in het rapport heeft opgenomen. (1a)

De rechtbank heeft bij haar berekening ten onrechte de waarde per 1988 als uitgangspunt gehanteerd in plaats van de waarde op de huwelijksdatum, [datum] 1990. Voorts heeft de rechtbank een onjuiste rekenmethode gevolgd. Zij verwijst daartoe naar HR 10 juli 2009, RFR 2009, 106, waarin een rekenmethode is gegeven voor de waarde van een kapitaalverzekering. De vrouw benadrukt dat in de onderhavige zaak deze methode uitsluitend ten aanzien van de uit overgespaard inkomen gefinancierde verbouwingen dient te worden gevolgd. (1d)

De zakelijke opstallen mogen niet worden betrokken in de verrekening, omdat uitsluitend voor de verbouwing van de bedrijfswoning inkomsten zijn aangewend. (1b)

Indien het hof de volledige opstallen in de berekening betrekt, dient de waarde op de peildatum te worden verminderd met de latente belastingclaim vanwege het verschil tussen de economische waarde van het aandeel van het manegebedrijf met woning en de op de balans opgenomen boekwaarde. (1c)

4.3.

Grief 2 van de man heeft betrekking op de beslissingen onder C en H. Volgens de man dienen de aflossingen op de schulden aan mevrouw [X] en mevrouw [Y] van totaal € 34.942,- en de waarde van de spaarhypotheek en de meegroei-vrijpolis van totaal € 56.601,-, die evenzeer als aflossing is te beschouwen, in de verrekening te worden betrokken. Met een beroep op artikel 1:136 lid 1 BW berekent de man een bedrag van € 394.106,- aan te verrekenen vermogen, waarvan hem de helft, € 197.053,-, toekomt.

4.4.

In grief 3 betwist de man de door de rechtbank gebezigde rekenmethode. Volgens de man is een totaalbedrag van € 220.681,- uit eigen middelen geïnvesteerd in [het adres] , waarvan € 129.474,- is te traceren in de IB-aangiftes. Het hof begrijpt dat dit bedrag ziet op de verbouwingen.

4.5.

Met zijn grieven 5 en 6 komt de man op tegen de beslissingen onder C, E en H. De man stelt dat de aflossingen aan de ouders rechtstreeks van zijn privérekening zijn voldaan. Voorts zijn de betalingen van de hypotheekrente en de premies kapitaalverzekering door de B.V. niet als kosten ten laste van de onderneming van de vrouw dan wel van de B.V. gebracht – zoals in HR 15 februari 2006, RFR 2007,55, naar welk arrest de rechtbank ten onrechte verwijst – maar werden deze betalingen bijgeboekt in de rekening-courantschuld van de man aan de B.V., welke vervolgens is afgelost uit overgespaard inkomen. De betaling aan de B.V. vond plaats van de bankrekening waarop zijn salaris van [bedrijf] werd gestort.

De man is daarom van mening dat hij recht heeft op verrekening subsidiair op vergoeding op grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. Meer subsidiair heeft de B.V. recht op terugbetaling van het totaal betaalde bedrag van € 121.864,49, welke vordering zij heeft gecedeerd aan de man. Nog meer subsidiair doet de man een beroep op onverschuldigde betaling althans ongerechtvaardigde verrijking.

4.6.

Grief 7 is eveneens gericht tegen de beslissing onder E. De man betoogt dat in totaal een bedrag van € 98.659,- aan overgespaard inkomen is betaald aan rente ten behoeve van de onderneming. In navolging van het hof Den Haag van 19 juni 2013 (ECLI:NL:GHDA:2013:CA4010) stelt hij zich op het standpunt dat deze rente dient te worden aangemerkt als investering in [het adres] . Met een beroep op de beleggingsleer (artikel 1:141 lid 1 BW) berekent de man, uitgaande van het rendement op de aflossingen, dat hem een bedrag van € 83.662,- toekomt.

4.7.

Gelet op de samenhang van deze grieven, die alle betrekking hebben op verrekening van uit overgespaard inkomen gedane investeringen in [het adres] , zal het hof deze gezamenlijk gespreken. Het hof stelt daarbij het volgende voorop.

Artikel 1:136 lid 1 BW luidt als volgt:

Indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie.

Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald.

In zijn arrest van 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4387, heeft de Hoge Raad uiteengezet dat geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang de in het verrekentijdvak verrichte belegging van overgespaarde maar niet verrekende inkomsten betrekking heeft op nieuw verworven goederen, dan wel – zoals in het geval van [het adres] – reeds voor het huwelijk verworven goederen. Dit geldt op overeenkomstige wijze indien ten laste van te verrekenen inkomsten niet de verwerving maar de verbetering van een aan een der echtgenoten toebehorend goed gefinancierd wordt, indien die verbetering een waardevermeerdering van het goed ten gevolge heeft en derhalve leidt tot extra vermogensvorming, zoals bij een ingrijpende verbouwing van een onroerende zaak.

Indien voor de verwerving of de verbouwing van een aan een der echtgenoten toebehorende woning een hypothecaire lening is aangegaan en in verband daarmee tevens een kapitaalverzekering is gesloten die ertoe strekt om (te zijner tijd) met het opgebouwde kapitaal de hypothecaire lening af te lossen, dient betaling van verzekeringspremies uit overgespaarde inkomsten gelijkgesteld te worden met aflossing van de hypothecaire schuld. Dat brengt met zich dat de waarde die de polis op de peildatum heeft in die zin in de verrekening wordt betrokken, dat de hypothecaire lening waarmee de verwerving of de verbouwing is gefinancierd, geacht wordt met dat bedrag te zijn afgelost uit overgespaarde inkomsten. De andere echtgenoot heeft dan ook op de voet van artikel 1:136 lid 1 BW in evenredigheid met dat bedrag aanspraak op verrekening van de waarde(stijging) van de woning, aldus nog steeds de Hoge Raad.

In de zaak waar dit arrest op ziet was uitsluitend de verrekening van de met overgespaard inkomen gefinancierde polis aan de orde. De Hoge Raad heeft daarover beslist dat het bedrag dat tussen partijen moet worden verrekend, kan worden bepaald door de waarde van de kapitaalverzekering op de peildatum te delen door het totaalbedrag dat gevormd wordt door de waarde van de woning voor de verbouwing en het bedrag van de hypothecaire lening waarmee de verbouwing is gefinancierd, en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de waarde van de woning op de peildatum.

4.8.

Tijdens het huwelijk heeft een drietal verbouwingen plaatsgevonden, zijn (hypothecaire) leningen afgelost en andere (hypothecaire) leningen afgesloten, is – voor zover van belang - rente betaald voor zover de (hypothecaire) geldleningen betrekking hebben op het bedrijfsmatige deel van [het adres] (hierna: de rente) en heeft waarde opbouw van polissen plaatsgevonden. Volgens vaste rechtspraak geldt de hiervoor geciteerde rekenmethodiek (in beginsel) tevens voor uit overgespaard inkomen gefinancierde verbouwingen, aflossingen en – mogelijk – rentebetalingen op een hypothecaire geldlening voor zover deze geen betrekking heeft op de echtelijke woning. Kort gezegd komt deze rekenmethodiek neer op: de investering uit overgespaard inkomen gedeeld door de totale investeringen, vermenigvuldigd met de waarde.

4.9.

De vrouw stelt dat de waarde van de polissen, de aflossingen en de rente niet in de verrekening dienen te worden betrokken. Zij voert daartoe het volgende aan. De premies, aflossingen en rente zijn niet voldaan uit overgespaard inkomen. De premies en aflossingen zijn steeds door de B.V. voldaan. De rente is aanvankelijk eveneens door de B.V. voldaan, en daarna door haarzelf, omdat de rente sindsdien in de jaarstukken van de manege is verwerkt als een bedrijfslast, zoals blijkt uit de jaarstukken 2008 van de manege en haar fiscaal rapport, waarnaar zij verwijst. Subsidiair is de vrouw van mening dat op de rente niet de beleggingsleer van toepassing is en hooguit de B.V. een nominale vordering op de manege heeft.

De man heeft daar tegenover aangevoerd dat de aflossingen aan mevrouw [X] en mevrouw [Y] rechtstreeks van zijn privérekening zijn voldaan. De rente en premies werden door de B.V. betaald, waarna de daarbij betrokken bedragen werden bijgeboekt in de rekening-courantschuld van de man aan de B.V. De man heeft maandelijks van zijn privérekening, waarop zijn salaris werd gestort, een bedrag aan de B.V. overgemaakt teneinde de door de betalingen ontstane schuld af te lossen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man uiteengezet dat de betaling aan ABN Amro op deze wijze plaatsvond, omdat de bank wenste dat betaling zou geschieden vanaf een rekening bij ABN Amro en de B.V. over een rekening bij ABN Amro beschikte. Ter onderbouwing heeft de man een aantal bankafschriften in het geding gebracht.

4.10.

De vrouw heeft hier tegenover onvoldoende gesteld om haar in haar standpunt te volgen dat de premies, aflossingen en rente niet zijn voldaan uit overgespaard inkomen.

Evenmin volgt het hof de vrouw in haar standpunt dat op de rente niet de beleggingsleer van toepassing is. De aanschaf en de verbouwingen van [het adres] zouden niet mogelijk zijn geweest zonder dat daartoe (hypothecaire) leningen zijn afgesloten waarover rente verschuldigd is. Aldus heeft de betaalde rente bijgedragen aan de waardevermeerdering. De rente ter zake van het bedrijfsmatige deel van [het adres] is derhalve, evenals de verbouwingen en aflossingen, te beschouwen als investering in [het adres] .

Zoals door de Hoge Raad in het hiervoor besproken arrest beslist, dient betaling van verzekeringspremies uit overgespaard inkomen gelijkgesteld te worden met aflossing van de hypothecaire schuld. De polissen dienen derhalve in de verrekening te worden betrokken.

4.11.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de zakelijke opstallen niet mogen worden betrokken in de verrekening, omdat uitsluitend voor de verbouwing van de bedrijfswoning (het hof begrijpt: overgespaard) inkomen is aangewend. Het hof maakt uit de stukken in het dossier op dat [het adres] ten tijde van het huwelijk bestond uit een aantal zakelijke opstallen en een dagverblijf, en dat bij de drie verbouwingen niet alleen de woning, maar ook een aantal andere bedrijfsmatige opstallen is toegevoegd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt uit het dossier niet op te maken welke aan de diverse verbouwingen uitgegeven bedragen op de woning respectievelijk de bedrijfsmatige opstallen betrekking hebben. Daarbij komt dat ook de aflossingen en premies zijn voldaan uit overgespaard inkomen. Het hof volgt de vrouw daarom niet in haar standpunt.

De vrouw heeft tenslotte betoogd dat het merendeel van de met de verbouwingen gemoeide kosten is voldaan uit de (hypothecaire) leningen. Het hof zal dit betoog hierna bij de kosten van de verbouwingen bespreken.

4.12.

Teneinde het bedrag te kunnen vaststellen dat de man uit hoofde van verrekening toekomt, dient een aantal tijdstippen te worden onderscheiden, en wel als volgt:

[datum] 1990 (datum huwelijk) (I)

De vrouw was eigenaar van [het adres] , waarvan de waarde op dat tijdstip hierna wordt besproken. [het adres] bevatte toen naast de bedrijfsmatig in gebruik zijnde ruimtes geen woning, maar uitsluitend een dagverblijf.

In verband met [het adres] had de vrouw drie schulden, totaal € 147.478,50.

1992/1993 (II)

1e verbouwing van [het adres] . Het dagverblijf en een aantal stallen werden omgebouwd tot een woonkamer en kantoorruimte.

In de periode van [datum] 1990 tot 1992/1993 is een deel van de schulden aan mevrouw [X] en mevrouw [Y] afgelost.

Voor het bedrijfsmatige deel van [het adres] is rente betaald van [datum] 1990 tot 1992/1993.

1997 (III)

2e verbouwing van [het adres] , waarbij de woning tot stand is gekomen.

In de periode van 1992/1993 tot 1997 is opnieuw afgelost op de schulden aan de ouders. De schuld aan mevrouw [X] was in 1997 geheel afgelost, de schuld aan mevrouw [Y] bedroeg medio 1997 afgerond € 44.470,-.

Voor het bedrijfsmatige deel van [het adres] is rente betaald van 1992/1993 tot 1997.

Ten behoeve van de verbouwing is in 1997 een drietal hypothecaire geldleningen bij ABN Amro van totaal € 226.890,- afgesloten. Daarmee zijn de resterende schuld van de vrouw aan mevrouw [Y] en de schuld aan WUH afgelost.

2002/2003 (IV)

3e verbouwing van [het adres] . Bij die gelegenheid zijn de garage met kantoor, het clubhuis met studiowoning en het stalgebouw gebouwd respectievelijk verbouwd.

Ten behoeve van de verbouwing heeft de vrouw een geldlening afgesloten bij de B.V. ten bedrage van € 107.275,-.

Voor het bedrijfsmatige deel van [het adres] is rente betaald van 1997 tot 2002/2003.

Een van de drie in 1997 afgesloten hypothecaire geldleningen betreft een spaarhypotheek. Aan een andere hypothecaire geldlening is een polis verbonden. In de periode van 1997 tot 2002/2003 is voor de polissen premie betaald, waardoor in 2002/2003 op ieder van de beide polissen een waarde is opgebouwd.

31 december 2009 (de peildatum) (V)

De vrouw is eigenaar van [het adres] .

De totale hypothecaire schuld aan ABN Amro bedraagt € 226.890,-.

De schuld van de vrouw aan de B.V. bedraagt € 107.275,-.

Voor het bedrijfsmatige deel van [het adres] is rente betaald van 2002/2003 tot 31 december 2009.

De waarde van de beide polissen bedraagt totaal € 56.601,-.

4.13.

Het vorenstaande brengt met zich dat de volgende berekening dient te worden gemaakt.

I:

de aflossingen + de rente tot de verbouwing in 1992/1993

gedeeld door de waarde van [het adres] op de datum van het huwelijk + de hypothecaire leningen voor de aflossingen + de rente tot de verbouwing in 1992/1993

vermenigvuldigd met de waarde van [het adres] voor de verbouwing in 1992/1993

= de investering uit overgespaard inkomen I

II:

de kosten van de verbouwing + de investering uit overgespaard inkomen I

gedeeld door de waarde van [het adres] voor de verbouwing + de kosten van de verbouwing + het totaalbedrag van de drie leningen na de aflossingen + de investering uit overgespaard inkomen I

vermenigvuldigd met de waarde van [het adres] na de verbouwing

= de investering uit overgespaard inkomen II

III:

de kosten van de verbouwing voldaan uit overgespaard inkomen + de aflossingen voor zover niet voldaan uit de hypothecaire leningen bij ABN Amro + de rente + de investering uit overgespaard inkomen II

gedeeld door de waarde van [het adres] voor de verbouwing + de kosten van de verbouwing voldaan uit overgespaard inkomen + het totaalbedrag van de hypothecaire leningen + de rente + de investering uit overgespaard inkomen II

vermenigvuldigd met de waarde van [het adres] na de verbouwing

= de investering uit overgespaard inkomen III

IV:

de kosten van de verbouwing voldaan uit overgespaard inkomen + de waarde van de polissen + de rente + de investering uit overgespaard inkomen III

gedeeld door de waarde van [het adres] voor de verbouwing + de kosten van de verbouwing voldaan uit overgespaard inkomen + het totaalbedrag van de (hypothecaire) leningen + de rente + de investering uit overgespaard inkomen III

vermenigvuldigd met de waarde van [het adres] na de verbouwing

= de investering uit overgespaard inkomen IV

V

de waarde van de polissen + de rente + de investering uit overgespaard inkomen IV

gedeeld door de waarde van [het adres] na de verbouwing 2002/2003 + het totaalbedrag van de (hypothecaire) leningen + de rente + de investering uit overgespaard inkomen IV

vermenigvuldigd met de waarde van [het adres] op de peildatum

= de investering uit overgespaard inkomen op de peildatum, waarvan de man de helft toekomt.

4.14.

Het hof volgt de vrouw niet in haar standpunt dat de waarde van [het adres] op de peildatum dient te worden verminderd met de latente belastingclaim vanwege het verschil tussen de economische waarde en de op de balans opgenomen boekwaarde. De rechtbank heeft voor haar berekening van het in [het adres] geïnvesteerde overgespaarde inkomen niet de onderneming betrokken, maar uitsluitend de onroerende zaak. Tegen dit door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt is geen grief gericht, zodat het hof daarvan eveneens dient uit te gaan.

4.15.

Voor het maken van de hiervoor beschreven berekening dient het hof te beschikken over de volgende gegevens:

1. de waarde van [het adres]

a. op [datum] 1990

b. voor de verbouwing in 1992/1993

c. na de verbouwing in 1992/1993

d. voor de verbouwing in 1997

e. na de verbouwing in 1997

f. voor de verbouwing in 2002/2003

g. na de verbouwing in 2002/2003

h. op 31 december 2009

2. het bedrag van de aflossingen op de (hypothecaire) leningen

a. in de periode van [datum] 1990 tot de verbouwing in 1992/1993

b. in de periode van de verbouwing in 1992/1993 tot de verbouwing in 1997

3. het bedrag van de betaalde rente voor het bedrijfsmatige deel

a. in de periode van [datum] 1990 tot de verbouwing in 1992/1993

b. in de periode van de verbouwing in 1992/1993 tot de verbouwing in 1997

c. in de periode van de verbouwing in 1997 tot de verbouwing in 2002/2003

d. in de periode van de verbouwing in 2002/2003 tot 31 december 2009

4. de waarde van de spaarhypotheek op naam van de man en van de “meegroei-polis” op naam van de man en de vrouw

a. na de verbouwing in 2002/2003

b. op 31 december 2009

5. het bedrag van de (hypothecaire) leningen

a. na de verbouwing in 1993/1993

b. na de verbouwing in 1997

c. na de verbouwing in 2002/2003

d. op de peildatum

6. de kosten van de verbouwing

a. in 1993/1994

b. in 1977

c. in 2002/2003

4.16.

Het hof begrijpt dat de rechtbank op basis van het taxatierapport van De Boer is uitgegaan van de waarde van [het adres] in 1988 in plaats van de datum van het huwelijk. In verband met het feit dat het hof dient te beschikken over de waarde van [het adres] op een achttal tijdstippen en de waarde op ieder van die tijdstippen langs dezelfde weg dient te worden vastgesteld, zal het hof een deskundige benoemen. Het hof zal daartoe partijen in de gelegenheid stellen ieder een deskundige te kiezen, die gezamenlijk een derde als deskundige zullen aanwijzen. Het hof zal laatstgenoemde deskundige benoemen.

Voorts dienen partijen ieder voor zich het hof de onder 2 tot en met 5 genoemde gegevens te verschaffen. Partijen dienen hun reactie te beperken tot een opsomming van de gegevens in een totaaloverzicht op één A-4 met onderbouwing in de vorm van aangehechte bankafschriften. Partijen dienen zich daarbij te onthouden van het verstrekken van aanvullende informatie en/of standpunten. Gelet op het stadium waarin het geding zich bevindt, zal het hof op zulke aanvullende informatie en/of standpunten geen acht slaan.

De man heeft weliswaar bij verschillende processtukken standpunten ingenomen met betrekking tot de kosten van de drie verbouwingen, maar heeft daarmee het hof onvoldoende inzicht verschaft om die kosten te kunnen vaststellen. Niet alleen lijkt zijn standpunt ten aanzien van de hoogte van het totale bedrag telkens te wisselen, ook de verwijzing naar de producties is onjuist. De brief van de man van 19 mei 2016 heeft in dit laatste geen verandering gebracht. Dit brengt met zich dat de man het hof ook de onder 6 genoemde gegevens dient te verschaffen. De man dient zich daarbij te beperken tot een opsomming van de uitgegeven bedragen op één A-4 per verbouwing, met onderbouwing in de vorm van aangehechte facturen.

De vrouw krijgt vervolgens de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van de gegevens onder 6 om hierop te reageren. Zowel voor de man als voor de vrouw geldt dat zij zich ook ten aanzien van de gegevens onder 6 dienen te beperken tot de door het hof gevraagde gegevens en zich dienen te onthouden van het verstrekken van andere gegevens en/of standpunten. Ook hiervoor geldt dat, gelet op het stadium waarin het geding zich bevindt, het hof geen acht zal slaan op zulke aanvullende informatie en/of standpunten.

Het hof zal bij de vaststelling van de kosten van de verbouwing deze telkens verminderen met de daarvoor aangewende (hypothecaire) leningen, zodat uitsluitend de uit overgespaard inkomen bekostigde verbouwingen overblijven.

4.17.

Te verwachten valt dat met de taxatie op een achttal momenten hoge kosten zullen zijn gemoeid, zodat de vraag opkomt of het financieel belang dat met het onderhavige geschil gemoeid is, deze inspanning wel rechtvaardigt. Het hof geeft partijen daarom in overweging gezamenlijk alsnog te kiezen voor de door het hof gebezigde – en door de rechtbank kennelijk ten aanzien van de verbouwingskosten gevolgde – wijze van berekening in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB7043) ook wel aangeduid als het Stolpboerderijarrest). Deze berekening komt op het volgende neer:

waarde [het adres] op de peildatum €

af: (hypothecaire) leningen €

af: aandeel vrouw geïndexeerd €

waardestijging € , waarvan de man de helft toekomt.

Tussen partijen staat vast dat de verbouwingen mede zijn betaald uit de (hypothecaire) geldleningen. Dit brengt met zich dat deze wijze van berekenen niet alleen heeft te gelden voor de uit overgespaard inkomen betaalde verbouwingen, maar ook voor de aflossingen, de polissen – waarmee de hypothecaire leningen worden geacht te zijn afgelost – en de rente.

Ook indien partijen voor deze wijze van berekenen kiezen dient er een nieuw taxatierapport te komen. Dit rapport kan dan beperkt blijven tot twee tijdstippen - de datum van het huwelijk en de peildatum, alsmede de – aan de hand van door de Nederlandse Vereniging van makelaars (NVM) gepubliceerde cijfers – geïndexeerde waarde. Het hof begrijpt dat de rechtbank op basis van het taxatierapport van De Boer is uitgegaan van de waarde van [het adres] in 1988 in plaats van de datum van het huwelijk. Omdat voorts de waarde op ieder van de twee tijdstippen langs dezelfde weg dient te worden vastgesteld, zal het hof ook in geval partijen voor deze berekeningswijze kiezen een deskundige benoemen, waartoe het hof partijen in de gelegenheid zal stellen ieder een deskundige te kiezen, die gezamenlijk een derde als deskundige zullen aanwijzen. Het hof zal laatstgenoemde deskundige als deskundige benoemen.

De berekeningswijze volgens het Stolpboerderijarrest zal het hof uitsluitend kunnen toepassen indien partijen gezamenlijk daarvoor kiezen. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten.

Investeringen uit het privévermogen van de man

4.18.

Grief 4 van de man is gericht tegen de beslissing van de rechtbank onder B. De man stelt dat hij jegens de vrouw recht heeft op vergoeding van € 91.207,-, welk bedrag hij uit privévermogen heeft geïnvesteerd in de verbouwingen van [het adres] . Hij voert daartoe aan dat partijen totaal € 220.681,- uit eigen middelen hebben betaald, waarvan € 129.474,- is te traceren. Bij gebrek aan andere middelen is het restant van € 91.207,- volgens de man afkomstig van een op zijn naam staande rekening waarop in het verleden een uit een schenking van zijn vader afkomstig bedrag is gestort.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. De man heeft weliswaar een bankafschrift overgelegd waaruit het op die bankrekening uit schenking ontvangen bedrag blijkt, maar bij gebreke van bankafschriften waaruit betalingen voor verbouwingswerkzaamheden blijken kan het hof niet vaststellen dat (een deel van) de verbouwingen zijn bekostigd met gelden van deze bankrekening. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen.

De B.V.

4.19.

Met grief 8 komt de man op tegen de beslissing van de rechtbank onder F. Volgens de man dient de waarde van de aandelen van de B.V. niet in de verrekening te worden betrokken, omdat voor de aanschaf van de aandelen geen overgespaard inkomen is aangewend. Ter onderbouwing voert hij het volgende aan. De B.V. is op 10 maart 1994 opgericht. Het kapitaal bedroeg ƒ 42.400,- (€ 19.080,-). ƒ 2.400,- is gestort door het inbrengen van zes aandelen in [D-B.V.] , die de man in 1993 had verkregen uit de nalatenschap van zijn vader. In 1994 heeft de B.V. de overige aandelen in [D-B.V.] verworven. Het daarvoor benodigde bedrag is voldaan met liquiditeiten binnen (het hof begrijpt:) [D-B.V.] en vanuit het rekening-courantkrediet van ABN Amro, dat vervolgens is afgelost uit het ondernemingsvermogen.

Het resterende bedrag van ƒ 40.000,- is tijdelijk geparkeerd bij de B.V. voor de oprichting en na de oprichting direct weer teruggestort. Daardoor is een rekening-courantvordering van de B.V. op de man ontstaan van ƒ 40.000,-. Deze schuld heeft de man voor een bedrag van ƒ 28.000,- afgelost door de verkoop in privé van een auto, waarvan de aankoopprijs indertijd is voldaan door [V-B.V.] (naar het hof begrijpt: [D-B.V.] ). Inclusief rente bedroeg het saldo van de rekening-courantvordering van de B.V. op de man per 31 december 1994 ƒ 9.428,-.

Voor het geval het hof zou oordelen dat artikel 1:141 lid 4 BW (opgepotte winsten) van toepassing is, dient rekening te worden gehouden met het feit dat het geringe eigen vermogen niet als niet-uitgekeerde winst kan worden gekwalificeerd, omdat het grootste deel van dit bedrag dient om de B.V. van een minimale solvabiliteit te voorzien. Voorts dient rekening te worden gehouden met dividendbelasting van 25%.

4.20.

Het hof stelt voorop dat de aandelen van de B.V. tijdens het huwelijk door de man zijn verkregen en dat de op de peildatum aanwezige aandelen worden vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het is derhalve aan de man om aan te tonen dat de aandelen zijn verkregen uit privévermogen.

Op een bedrag van ƒ 2.400,- na, zijnde de waarde van de geërfde aandelen [D-B.V.] die hij in de B.V. heeft ingebracht, is de man niet geslaagd in het door hem te leveren bewijs. In de eerste plaats valt – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet in te zien dat de aan de B.V. verkochte auto niet aan hem in privé toebehoorde om de enkele reden dat de aankoopprijs van die auto niet rechtstreeks door hem aan de leverancier is voldaan. De vrouw heeft over de rekening-courantvordering van de B.V. op de man aangevoerd, dat uit de IB-aangifte 1995 van de man blijkt dat de schuld eind 1995 was afgelost. De man heeft hier tegenover niet gesteld, laat staan aangetoond, dat die schuld nog bestond op de peildatum. Ook heeft de vrouw betwist dat de verwerving van de overige aandelen in [D-B.V.] voor ƒ 96.045,40 (van de broer van de man) respectievelijk ƒ 375.032,64 (van de echtgenote van zijn vader) is bekostigd op de wijze als door de man uiteengezet. Het hof stelt vast dat de man deze wijze van bekostiging ook in hoger beroep niet heeft onderbouwd.

Nu de man een bedrag van ƒ 2.400,- (€ 1.080,-) uit privévermogen heeft aangewend voor de verwerving van de aandelen van de B.V., dient een deel van het bedrag van € 88.093,- dat de rechtbank heeft aangemerkt als te verrekenen vermogen, buiten beschouwing te blijven. Bij de berekening van dit bedrag gaat het uit van het door de rechtbank vastgestelde eigen vermogen op de peildatum van € 111.457,-. Voor zover de grief van de man tevens is gericht tegen deze vaststelling, gaat het hof wegens gebrek aan onderbouwing daaraan voorbij. Nu de vrouw niet heeft gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde verkrijgingsprijs van € 18.000,-, gaat het hof eveneens daarvan uit. Dit brengt het hof tot de volgende berekening van het bedrag dat buiten beschouwing dient te blijven:

€ 1.080,- gedeeld door € 18.000,-, vermenigvuldigd met € 111.457,- = € 6.687.42,-.

Te verrekenen is derhalve: het eigen vermogen van € 111.457,- -/- de verkrijgingsprijs van € 18.000,- = € 93.457,- -/- € 6.687,42 = € 86.770,- -/- € 21.693,- (de AB claim van 25%) = € 65.077,-, waarvan de vrouw de helft, te weten € 32.539,- toekomt. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel vernietigen en bepalen dat de man € 32.539,- aan de vrouw dient te voldoen.

Stamrecht

4.21.

Grief 9 van de man en grief 2a van de vrouw zien op de beslissing van de rechtbank onder G. De man is van mening dat zijn stamrecht niet voor verrekening in aanmerking komt. Daartoe voert hij primair aan dat de ontslagvergoeding is verknocht en niet in de gemeenschap valt. Subsidiair kan de ontbindingsvergoeding niet als overgespaard inkomen worden aangemerkt. De man verwijst daartoe naar de stamrechtovereenkomst. Door de constructie van het onderbrengen van de ontbindingsvergoeding in de B.V. dient niet de ontbindingsvergoeding, maar de toekomstige (periodieke) uitkering als inkomen te worden aangemerkt. Het onderbrengen van de ontbindingsvergoeding in de B.V. kan op één lijn worden gesteld met het betalen van pensioenpremie door de werkgever. In artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat het netto inkomen voor verrekening in aanmerking komt. Er is dan ook pas sprake van verrekenbaar (netto) inkomen zodra het stamrecht tot uitkering komt. Daarvan is nog geen sprake.

Voorts meent de man dat het stamrecht van de vrouw ten onrechte niet in de verrekening is betrokken. Hij stelt dat dit stamrecht is ontstaan door het parkeren van de stakingswinst na de geruisloze overgang van haar eenmanszaak naar een B.V. in 1992. Nadat deze B.V. in 2003 werd opgeheven en de onderneming weer een eenmanszaak werd, is het stamrecht geparkeerd in de B.V. van de man.

4.22.

Met betrekking tot het stamrecht van de man stelt de vrouw dat dit wel in de verrekening dient te worden betrokken. Van haar kant komt de vrouw op tegen de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de latente belastingclaim van 52%.

De vrouw betwist dat haar stamrecht is ontstaan op de door de man beschreven wijze. In haar herinnering betreft het stamrecht een fiscale oudedagsreserve (FOR); deze valt niet onder het inkomensbegrip in de huwelijkse voorwaarden. Zelfs indien het wel stakingswinst zou zijn geweest, geldt dat dit fictief inkomen is dat nooit daadwerkelijk is genoten en dat met gebruikmaking van een fiscale mogelijkheid is omgezet in een stamrechtverplichting, aldus de vrouw.

4.23.

Met uitzondering van de inboedel zijn partijen niet in enige gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Het primaire standpunt van de man met betrekking tot zijn stamrecht kan daarom niet slagen. Het hof stelt vast dat de man tot de peildatum geen periodieke uitkering uit de B.V. heeft ontvangen. Gelet op artikel 11 juncto 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden is het stamrecht derhalve niet aan te merken als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt. Het hof volgt het standpunt van de man dat eerst sprake kan zijn van verrekenbaar inkomen in de zin van de huwelijkse voorwaarden nadat het stamrecht tot uitkering is gekomen.

4.24.

Ter onderbouwing van de door hem beschreven wijze van ontstaan van het stamrecht van de vrouw heeft de man gewezen op de op 26 mei 1992 tussen de vrouw en de toenmalige B.V. met de naam [S-B.V.] ondertekende stamrechtovereenkomst. Volgens de man blijkt uit de daarin opgenomen tekst “dat A. (de vrouw) ten laste van de stakingswinst een recht op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikelen 19 en 44F van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 –een zogenaamd stamrecht – wenst te bedingen” dat het stamrecht van de vrouw geen FOR betreft.

Daarmee heeft de man evenwel niet aangetoond dat het – na de opheffing van [S-B.V.] – parkeren van het stamrecht van de vrouw in de B.V. gepaard is gegaan met de overdracht van liquide middelen, waaruit de stamrechtuitkeringen kunnen worden gedaan. Het dient dan ook ervoor te worden gehouden dat door het parkeren van het stamrecht van de vrouw in de B.V. uitsluitend gebruik is gemaakt van een fiscaal aantrekkelijke regeling. Het hof zal het verzoek van de man het stamrecht van de vrouw in de verrekening te betrekken afwijzen.

Schenkingsbelasting chalet Zwitserland

4.25.

Grief 11 van de man betreft de beslissing van de rechtbank onder I. Volgens de man maakt de over de schenking van een derde deel van het chalet in Zwitserland betaalde schenkingsbelasting, die door partijen is betaald uit overgespaard inkomen, onderdeel uit van de totale verkrijging. Voor verrekening komt derhalve een bedrag van € 15.650,- in aanmerking, waarvan hem de helft toekomt, aldus de man.

De schuld van de vrouw aan de belastingdienst uit hoofde van schenkingsbelasting is een gevolg van de verkrijging van haar aandeel in het chalet. Hoewel de schenkingsbelasting is betaald uit overgespaard inkomen, kan derhalve niet geoordeeld worden dat overgespaard inkomen is aangewend voor de verkrijging. Het hof zal dan ook de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigen.

Wettelijke rente

4.26.

Grief 12 van de man is gericht tegen de beslissing van de rechtbank onder F. De man stelt zich op het standpunt dat, nu partijen een van de vaste jurisprudentie (HR 2 december 2011, RFR 2012/55) afwijkende peildatum hebben afgesproken, de wettelijke rente over hetgeen hem uit verrekening toekomt dient in te gaan op de door partijen overeengekomen peildatum, 31 december 2009.

Het hof volgt de man niet in dit standpunt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man niet aangetoond dat partijen bij de afspraak over de peildatum tevens zijn overeengekomen dat de wettelijke rente vanaf die peildatum zou ingaan. Gesteld noch gebleken is voorts dat partijen op enig ander tijdstip uitdrukkelijk hebben afgesproken dat de wettelijke rente zou ingaan op een andere datum dan de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen.

Overige grieven

4.27.

De grieven 1 en 13 van de man hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven derhalve geen bespreking.

4.28.

In haar grief 3 betoogt de vrouw dat de rechtbank haar beroep op de Visserijbeschikking en de bevoegdheid tot matiging heeft gepasseerd. Indien het gehele door de man gevorderde bedrag zou worden toegewezen, blijft de vrouw achter met een negatief vermogen. Een dergelijke uitkomst is in strijd met de bedoeling die partijen hadden bij het sluiten van de huwelijkse voorwaarden, namelijk bescherming van het familievermogen aan de zijde van de vrouw. Ook is een dergelijke uitkomst in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen, aldus nog steeds de vrouw.

De vrouw stelt in haar grief 4 dat zij het door de rechtbank vastgestelde door haar aan de man verschuldigde bedrag van € 72.762,- en de daarover verschuldigde rente ten bedrage van € 11.166,30 heeft voldaan. Indien de grieven van de man falen en haar grieven slagen heeft de vrouw onverschuldigd betaald. Zij verzoekt het hof de man in dat geval te veroordelen tot terugbetaling.

Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot [het adres] is overwogen komt het hof thans niet toe aan bespreking van deze grieven. Deze zullen eerst in de eindbeschikking aan de orde kunnen komen.

5 Beslissing

Het hof:

stelt partijen in de gelegenheid zich binnen zes weken na heden uit te laten over het volgende:

  • -

    de vraag of zij gezamenlijk kiezen voor de onder 4.17 omschreven wijze van verrekening;

  • -

    de naam van de door het hof te benoemen deskundige, als gekozen door de door ieder van hen aangewezen deskundigen gezamenlijk, een en ander als beschreven onder 4.16 en 4.17;

en, indien zij niet gezamenlijk kiezen voor de onder 4.17 omschreven wijze van verrekening,

het hof binnen zes weken na heden de volgende gegevens te verschaffen:

de man:

- de onder 4.15 sub 1 tot en met 6 vermelde gegevens;

de vrouw:

- de onder 4.15 sub 1 tot en met 5 vermelde gegevens;

en de vrouw voorts binnen twee weken na ontvangst van de onder 4.15 sub 6 door de man verstrekte gegevens:

- de reactie op de onder 4.15 sub 6 door de man verstrekte gegevens:

houdt de zaak daartoe aan tot 3 januari 2017 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. H.A. van den Berg in tegenwoordigheid van mw. mr. M. Broek-Hartenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2016.