Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4372

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
15/00844
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met het geven van loopbaanadvies, begeleiding van startende ondernemers en het ontwikkeling van taalvaardigheid Nederlands. het Hof acht het aannemelijk dat de activiteiten van belanghebbende (in kwalitatieve zin) rechtstreeks gericht zijn op het dienen van het algemeen belang. Voorts acht het Hof het voldoende aannemelijk dat belanghebbende ook aan het 90%-criterium voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2749
V-N 2017/7.7 met annotatie van Redactie
FutD 2016-3024
NTFR 2017/624 met annotatie van mr. D.N.N. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00844

13 september 2016

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Stichting [BELANGHEBBENDE] te [PLAATS 1] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen te Almere

tegen de uitspraak van 5 november 2015 in de zaak met kenmerk HAA 14/3135 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft bij schrijven, gedagtekend 1 november 2013, een aanvraag gedaan om als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) te worden aangemerkt.
De inspecteur heeft deze aanvraag bij op de voet van artikel 5b, zesde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) genomen beschikking, gedagtekend 16 april 2014, afgewezen.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 4 juli 2014, de beschikking van 16 april 2014 (hierna: de ANBI-beschikking) gehandhaafd.

1.3.

Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 10 december 2015. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van de inspecteur is op 6 juni 2016 een nader stuk ontvangen waarvan de griffier een kopie aan belanghebbende heeft verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2
2. Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 5 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’:


“1. Eiseres is op 13 juni 2013 opgericht door [A.] , [B.] en [C.] .


2. In de statuten die zijn vastgesteld ten tijde van de oprichting van eiseres is onder meer het volgende opgenomen:

Doel

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel:

a. Bewoners en organisaties met een maatschappelijk doel in en om [PLAATS 1] door de inzet van vrijwilligers te ondersteunen en te adviseren, met het oog op hun functioneren in de samenleving;

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door aanvragers te koppelen aan vrijwilligers, met het oog op het volgen van advies- en ondersteuningsdiensten.

3. De stichting heeft geen winstoogmerk.

Vrijwilligers

Artikel 3

1. Er is een vrijwilligersraad waarvan de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze worden geregeld in een door het bestuur vastgesteld vrijwilligersstatuut.

2. Tot lid van de vrijwilligersraad kunnen uitsluitend natuurlijke personen worden benoemd, die zich inzetten voor de stichting en die de statuten onderschrijven.

3. (...)

4. De vrijwilligersraad heeft in ieder geval de bevoegdheid tot:

a. Het doen van bindende voordrachten tot benoeming, schorsing of ontslag van bestuurders;

b. Het goedkeuren van voorgenomen bestuursbesluiten betreffende de structuur, de werkwijze en de inrichting van de stichting, het ontslag van bestuurders, alsmede tot wijziging van de statuten en ontbinding van de stichting;

c. Het goedkeuren van de door het bestuur opgestelde concept (meerjaren)begroting, balans en staat van baten en lasten;

d. Het goedkeuren van door het bestuur voorgestelde wijzigingen van het vrijwilligersstatuut.

e. Het bestuur te adviseren omtrent alle aangelegenheden vrijwilligers betreffend

Bestuur: samenstelling, wijze van benoemen en beloning

Artikel 4

(...)

5. De bestuurders ontvangen geen beloning voor hun werkzaamheden.

Zij hebben wel recht op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte kosten.

(...)

Ontbinding en vereffening

Artikel 13

(...)

3. (...) Het liquidatiesaldo dient te worden besteed ten behoeve van een instelling als bedoeld in artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dan wel op enigerlei andere wijze waarmee het algemeen belang wordt gediend.”

3. Op 14 augustus 2015 zijn de statuten van eiseres gewijzigd (hierna ook: de gewijzigde statuten). Voor zover hier van belang luiden de artikelen 2 en 13 vanaf genoemde datum als volgt:

Doel

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel het functioneren te verbeteren van de samenleving in en om [PLAATS 1] en de daarin actieve burgers en organisaties met een maatschappelijk doel.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

a. bewoners of organisaties te koppelen aan vrijwilligers, met het oog op het volgen van begeleidings- en ondersteuningstrajecten;

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

3. De stichting heeft geen winstoogmerk.

(...)

Ontbinding en vereffening

Artikel 13

(...)

3. Indien het bestuur besluit tot ontbinding wordt een batig liquidatiesaldo besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met een soortgelijke doelstelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke doelstelling heeft.”

4. In het Ondernemingsplan van eiseres is onder meer het volgende opgenomen:

“1.1. Voor wie werken we en wat zijn onze doelgroepen

Wij zijn vrijwilligers die zich inzetten voor de samenleving in en om [PLAATS 1] . Vanuit die maatschappelijke betrokkenheid, onze ervaring en onze kundigheid bieden wij ondersteuning en advies. Onze diensten verlenen wij aan individuele mensen en aan maatschappelijke organisaties en initiatieven. Daarmee helpen wij ze om goed te functioneren in de samenleving.

1.2.

Wat bieden we aan en welke diensten hebben we in huis.

Onze vrijwilligers bieden hun diensten aan vanuit hun eigen ervaring en professionaliteit. En natuurlijk ook vanuit betrokkenheid. Wij kunnen maatwerk leveren aan cliënten omdat onze vrijwilligers vanuit heel veel verschillende achtergronden komen.
Veel van onze diensten bieden wij aan op individuele basis.

Bijvoorbeeld met het versterken van uw taalbeheersing, zowel mondeling als schriftelijk. (...) Zo adviseren en ondersteunen wij bij (her)oriëntatie op de arbeidsmarkt en bij het zoeken naar werk.


Voor wie uiteindelijk besluit om een eigen bedrijf te beginnen, staan ervaren vrijwilligers klaar die startende ondernemers kunnen adviseren en ondersteunen. (...)

Naast de individuele ondersteuning van [INWONERS PLAATS 1] adviseren en ondersteunen wij maatschappelijke organisaties. (...)

Wij willen belangeloos een bijdrage leveren aan de samenleving. We richten ons daarbij vooral op de vraagstukken die van belang zijn voor het goed functioneren van de stad, de regio [PLAATS 1] en haar bewoners. Wij richten ons op vraagstukken van individuele bewoners en van organisaties met een maatschappelijke opdracht. Opdat zij met een steuntje in de rug weer goed kunnen functioneren in de samenleving.”

5. In het jaarverslag 2014 van eiseres is onder meer het volgende opgenomen:

“Zo begon [BELANGHEBBENDE] . Een netwerk van vrijwilligers die hun kennis en ervaring uit de praktijk met plezier en zonder honorering inzetten voor inwoners en non-profitorganisaties van [PLAATS 1] en zijn directe omgeving.

De vier onderdelen Loopbaancoaching, Startende Ondernemers, Organisatieadvies non-profit en Nederlands Spreken bieden kosteloos coaching, advies en praktische ondersteuning. De vrijwilligers geven zo hun stadgenoten een nieuwe kijk op hun kansen en mogelijkheden en helpen hen om hun doelen te realiseren.

(...)

[BELANGHEBBENDE] heeft geen betaald personeel, de organisatie draait volledig op vrijwilligers. Dus ook de coördinatietaken van de vier onderdelen en de permanente en incidentele projectactiviteiten worden door vrijwilligers uitgevoerd.

Dat is mogelijk door intensief gebruik te maken van de aanvraagverwerking via de website aangevuld met inloopspreekuren voor met name Nederlands Spreken en Organisatieadvies non-profit. De via de website verstuurde aanvraagformulieren worden rechtstreeks door de coördinatoren van de onderdelen ontvangen. Zij beoordelen of er nog aanvullende informatie gewenst is en maken vervolgens een koppeling met de best passende vrijwilliger. De cliënt wordt daarna per mail geïnformeerd wie dat is en hoe het eerste intakegesprek tot stand zal worden gebracht. Nederlands Spreken en Organisatieadvies nodigen alvorens de match met de vrijwilliger te maken eerst nog de aanvragers in persoon uit op [WIJK 1] .””


Nu tegen deze door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep geen bezwaren zijn aangevoerd, zal ook het Hof van die feiten uitgaan. Het Hof voegt daar nog de volgende feiten aan toe.

2.2.

Ter zitting van de rechtbank is omtrent de activiteiten van belanghebbende nog het volgende verklaard:


“De activiteiten van eiseres zijn:
1. Advies aan startende ondernemers
Dit betreft mensen die vanuit uitkeringssituatie onderneming starten. Vaak blijkt dat dit onverstandig is. Het advies is dan om een baan te zoeken. Soms wordt aan mensen geadviseerd de onderneming te starten. (…) Tot nu toe zijn er 50-100 aanvragen behandeld.
2. Loopbaan coaching
Tot nu toe zijn er 50-100 aanvragen behandeld.

3. Nederlandse conversatie
Dit betreft tweede generatie gastarbeiders, expats en andere immigranten die thuis een andere taal spreken. Zij worden gekoppeld aan mensen met levenservaring. Eens in de week spreken zij een uur met elkaar in het Nederlands. Inmiddels zijn er meer dan 100 koppels.
4 Organisatieadvies aan non-profit instellingen
Dit betreft organisaties die maatschappelijke problemen aanpakken (…). Per jaar worden 10-15 adviezen uitgebracht.”

2.3.

In het hogerberoepschrift is omtrent de feitelijke activiteiten van belanghebbende het volgende vermeld:


“[Belanghebbende] richt zich op een bevolkingsgroep die de aansluiting met de arbeidsmarkt verliest of dreigt te verliezen en juist niet in staat is om ‘loopbaanadvies’ en ‘coaching’ te kunnen betalen. Weliswaar vraagt [belanghebbende] – om de laagdrempeligheid van de organisatie te waarborgen – in het geheel niet om enig bewijs omtrent financieel onvermogen, toch leert de praktijk – en dat is ook de bedoeling – dat juist diegenen die dergelijke hulp niet kunnen betalen aankloppen bij deze vrijwilligersorganisatie. Commerciële bedrijven richten zich niet op die markt.
(…)
[Tijdens de zitting van de rechtbank] is (…) toelichting verstrekt op het ‘Nederlands spreken’. De secretaris heeft toegelicht dat het hier niet gaat om een ‘cursus Nederlands’. Het gaat hier om niet-Nederlandstaligen die wellicht cursussen volgen, maar in de praktijk geen gelegenheid krijgen om met iemand Nederlands te spreken. [Belanghebbende] koppelt Nederlandstalige vrijwilligers aan deze niet-Nederlandstaligen om hen zo daadwerkelijk Nederlands te laten praten.”

2.4.

In het nader stuk van de inspecteur is onder meer het volgende vermeld:


“ l. lnleiding

In mijn verweerschrift (…) gaf ik (…) aan dat ik voornemens was een onderzoek te laten in stellen bij een aantal instellingen welke belanghebbende noemde in haar reactie van 26 februari 2014 (…).

Gezien de tijdsdruk heeft de Belastingdienst bij wijze van steekproef bedrijfsbezoeken ingesteld bij een 8 tal [ORGANISATIE(S)] . Deze onderzoeken zijn inmiddels afgerond.

In dit nader stuk zal ik u kort over de uitkomsten van deze onderzoeken informeren.

In onderdeel 2 zal ik een overzicht geven van 6 onderzoeken waarbij de eindconclusie luidt dat de ANBI status kan worden voortgezet.

In onderdeel 3 zal ik een overzicht geven van 2 instellingen waarvan de ANBI status zal moeten worden ingetrokken.

Ik merk daarbij verder op dat deze onderzoeken mij aanleiding geven om tevens de andere 10 [ORGANISATIE(S)] in de hierboven genoemde bijlage nader te onderzoeken.

In onderdeel 4 van dit nader stuk zal ik verder ingaan op de in genoemde bijlage genoemde instelling Stichting [D.] .


2. De bevindingen van het onderzoek: van 6 instellingen kan de ANBI status in stand blijven

2.1.

Stichting [ORGANISATIE PLAATS 2]

De doelstelling van deze stichting is: Het vergroten van de mogelijkheden van mensen uit alle

maatschappelijk categorieën om maatschappelijk actief te blijven en maatschappelijk relevante functies te blijven vervullen, alsmede het bevorderen van een positieve beeldvorming rond ouderen en ouder worden.


De activiteiten bestaan uit:

• het verrichten van gratis klussen bij ouderen thuis en verhelpen van technische

onvolkomenheden;

• voorlichting geven over veilig wonen voor ouderen;

• verwijzen naar recreatieve activiteiten en computervaardigheidslessen;

• kinderen in achterstandssituaties begeleiden in hun schoolperiode;

• het organiseren van stadswandelingen in en om [PLAATS 2] en

• het project ‘samenspraak’ waarbij taalcoaches (taalmaatjes/Nederlandstaligen) anderstaligen

op weg helpen in de Nederlandse taal en maatschappij (doelgroep o.a. vluchtelingen).

De conclusie van de controlerend ambtenaar is dat met de doelstelling en de activiteiten een

algemeen belang wordt beoogd (categorie ‘welzijn’). De gemeente [PLAATS 2] verstrekt ieder jaar een subsidie van ongeveer € 6.500, de giftenstroom neemt langzaam af en de gelden worden voor minstens 90% ten algemenen nutte besteed. De eindconclusie luidt dan ook dat de ANBI status kan worden voortgezet.

2.2.

Stichting [ORGANISATIE PLAATS 3]

De doelstelling van deze stichting is: Het bemiddelen voor alle mensen van vijftig jaar en ouder; die belangeloos hun kennis en ervaring willen overdragen. Eveneens het verzorgen van wandelingen en fietstochten in en rond [PLAATS 3] te bevordering van de kennis van de stad.


De activiteiten bestaan uit:

• het aanbieden, organiseren en houden van stadswandelingen met een gids in de historische

stadskern van [PLAATS 3] ;

• het aanbieden van cultuur- en taalcursussen aan allochtone (anderstalige) burgers (o.a.

vluchtelingen) en

• het doen van uitkeringen aan andere ANBI’s die zich richten op het in stand houden van het

historische erfgoed van [PLAATS 3] .

De laatste activiteit behoort echter niet tot de doelstelling en is in de laatste jaren spontaan ontstaan. De stichting heeft toegezegd de statutaire doelstelling aan te passen. Er is verder geconstateerd dat er in 2013 en 2014 enkele uitgaven zijn gedaan waarmee een particulier belang werd gediend zoals een reisje voor alle vrijwilligers en hun echtgenoten. De stichting heeft toegezegd dit soort activiteiten te schrappen.


De conclusie van de controlerend ambtenaar is dat met de doelstelling en de activiteiten een

algemeen belang wordt beoogd (categorie ‘welzijn’). Na aanpassing van de statutaire doelstelling (het zich mede richten op het in standhouden van historisch erfgoed) en het nalaten van de activiteit waarmee wellicht een particulier belang wordt gediend zal deze stichting dan ook uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een algemeen belang beogen en dienen. De eindconclusie van de controlerend ambtenaar is dat de ANBI status onder voorwaarden kan worden voortgezet.


2.3.Stichting [ORGANISATIE PLAATS 4]

De doelstelling van deze stichting is: Het financieren, (doen) uitvoeren van, adviseren over; opzetten van en/of organiseren van binnen de gemeente [PLAATS 4] bestemde sociaal georiënteerde projecten in het algemeen en die van [ORGANISATIE PROJECT 1] en [ORGANISATIE PROJECT 2] , rondleidingen in het bijzonder; alles in de ruimste zin.


De activiteiten bestaan uit:

• het project samenspraak om de laaggeletterdheid (bij anderstaligen waaronder
vluchtelingen) terug te dringen;

• het project Nederlandse taal om via taal- en inburgeringscursussen anderstalige mensen de

Nederlandse taal bij te brengen;


• het project [ORGANISATIE PROJECT 2] om (bijna) ontspoorde jongeren via een mentoraat te behoeden voor
(te veel) schooluitval.

De activiteit ‘rondleidingen’ is geheel gestaakt. Feitelijk zien de activiteiten op het houden van bijeenkomsten, het geven van voorlichting en het leggen en onderhouden van contacten.

De conclusie van de controlerend ambtenaar is dat met de doelstelling en de activiteiten een

algemeen belang wordt beoogd (categorie ‘welzijn’). De eindconclusie luidt dan ook dat de ANBI status kan worden voortgezet.

2.4.

Stichting [ORGANISATIE PLAATS 5]

De doelstelling van deze stichting is: Het bevorderen van de onderlinge samenhang en betrokkenheid binnen de samenleving, in het bijzonder die van de leefgemeenschappen in de gemeente [PLAATS 5] en het verrichten van alle verdere handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

De activiteiten bestaan uit:

• het matchen van taalmaatjes (vrijwilligers) met anderstalige personen die begeleiding
zoeken. De taalmaatjes worden aangestuurd door een coördinator. Die begeleiding kent zijn
grenzen. Het leren Nederlands spreken staat op de voorgrond door één-op-één begeleiding
naar de winkel en familiebezoek. Het is duidelijk niet de bedoeling dat hulp wordt verleend
in bijvoorbeeld conflictsituaties met scholen en/of justitie. Momenteel zijn er dertig
taalmaatjes actief. Met dit aantal is de capaciteit van de instelling in balans en

• het in klassikaal verband Nederlandse taalles geven door aangesloten leraren aan
voornamelijk kinderen die de aansluiting op het primaire en voortgezette onderwijs moeten
vinden.

De conclusie van de controlerend ambtenaar is dat met de doelstelling en de activiteiten een

algemeen belang wordt beoogd (categorie ‘welzijn’). Alle beschikbare (geld)middelen worden ten behoeve van de doelstelling besteed. Afgesproken is dat enkele formele gebreken op korte termijn gerepareerd worden. De eindconclusie van de controlerend ambtenaar is dat de ANBI status onder voorwaarden kan worden voortgezet.

2.5.

Stichting [ORGANISATIE PLAATS 6]

De doelstelling van deze stichting is: Het verlenen van diensten, in het bijzonder het organiseren van-, het coördineren van-, het ondersteunen van-, en het bemiddelen bij het tot stand komen van contacten tussen enerzijds personen die hun kennis en/of ervaring belangeloos ter beschikking willen stellen en anderzijds personen en/of organisaties die van deze kennis en/of ervaring gebruik willen maken.

De activiteiten bestaan uit:

• belangeloos bij oudere mensen klusjes op te knappen. De stichting mag daarbij niet in

concurrentie treden met de reguliere markt. De website: www. [ORGANISATIE PLAATS 6] .nl spreekt

hierin voor zich. Er wordt op een heel breed maatschappelijk terrein belangeloos kennis en

diensten beschikbaar gesteld;

• het geven van stadwandelingen waarbij een kleine vergoeding wordt gevraagd.

Uitgangspunten zijn:

- de stichting gaat uit van het principe er wordt geholpen als het binnen de norm valt van “wat

zou ik aan mijn buurman kunnen vragen” (het mag niet concurrerend zijn en het is
overdracht van kennis en niet het uitvoeren van werkzaamheden) en

- de stichting wil geen specifieke taallessen geven voor asielzoekers (samenspraak

taalmaatjes) maar biedt een taal- en integratieproject waarbij de stichting mensen die het

taalkundig moeilijk hebben verder helpt om beter te kunnen functioneren.
De conclusie van de controlerend ambtenaar is dat met de doelstelling en de activiteiten een

algemeen belang wordt beoogd (categorie ‘welzijn’). Het gaat bij deze stichting om bescheiden geldstromen. De gemeenten [GEMEENTE] , [GEMEENTE] , [GEMEENTE] , [GEMEENTE] en [GEMEENTE] verstrekken ieder jaar een subsidie van ongeveer € 6.000, En er is een bescheiden bedrag van sponsoren (€ 400), de bescheiden opbrengsten van de wandelingen zijn bedoeld om kostendekkend te zijn. Van de beschikbare middelen wordt minstens 90% ten algemenen nutte besteed. De eindconclusie van de controlerend ambtenaar is dat de ANBI status onder voorwaarden kan worden voortgezet

2.6.

Stichting [ORGANISATIE PLAATS 1]

De doelstelling van deze stichting is: Het verlenen van advies en ondersteuning, in het bijzonder het organiseren van- het coördineren van-, het ondersteunen van - en het bemiddelen bij het tot stand komen van contacten tussen enerzijds personen, die hun kennis en/of levenservaring belangeloos ter beschikking willen stellen en anderzijds personen en/of organisaties die van deze kennis gebruik willen maken;

De activiteiten bestaan uit:

• advies en begeleiding van sociaal maatschappelijke organisaties (stichtingen, verenigingen

en buurtinitiatieven);

• loopbaanbegeleiding;

• taalbegeleiding spreken met anderstaligen (samenspraak), taal voor het leven;

• het geven van voorlichting op scholen;

• het geven van stadswandelingen ( [BINNENSTAD] ) en

• het project “Maatje meer voor maatje minder” wat ziet op de aanpak van overgewicht bij de

[PLAATS 1] jeugd (het betreft ongeveer 30.000 kinderen).

De conclusie van de controlerend ambtenaar is dat met de doelstelling en de activiteiten een

algemeen belang wordt beoogd (categorie ‘welzijn’).

De gemeente [PLAATS 1] verstrekte afgelopen jaar een subsidie van € 191.715. Daarnaast zijn er subsidies ontvangen van [F] groot € 10.223 en een bijdrage van de Stichting [G] Project groot € 5.625. Het resultaat in 2015 was €-97


3.De bevindingen van het onderzoek: van 2 instellingen zal de ANBI status worden ingetrokken

3.1.Stichting [ORGANISATIE LAND]

De doelstelling van deze stichting is: Het al dan niet desgevraagd, aanbieden van diensten aan [ORGANISATIE(S)] -instellingen. Onder [ORGANISATIE(S)] dient in het verband van deze statuten te worden verstaan:

plaatselijk opererende vrijwilligersorganisaties, genaamd [ORGANISATIE(S)] , waarbinnen ouderen hun kennis en ervaring, die zij in tientallen jaren in het maatschappelijk verkeer hebben verworven, onbezoldigd en in informele sfeer ter beschikking stellen van anderen, jongeren en ouderen. Het bestuur van de stichting beslist of een [ORGANISATIE(S)] -instelling voldoet aan de voorwaarden voor erkenning als vermeld in het huishoudelijk reglement. Alleen door het bestuur van de stichting erkende [ORGANISATIE(S)] -instellingen kunnen profiteren van en deelnemen aan de activiteiten van de Stichting [ORGANISATIE(S)] Nederland.


De activiteiten bestaan uit:

• belangenbehartiging van de aangesloten [ORGANISATIE(S)] -instellingen op landelijk niveau;

• kennis en kunde ter beschikking stellen aan vrijwilligers door advisering, de verspreiding van relevante informatie, organiseren van landelijke bijeenkomsten;

• aanjagen van projecten;

• verdeling van landelijk ter beschikking gestelde subsidies;

• promotie;

• het stimuleren van innovatie;

• helpdesk en

• bemiddeling.

Het overgrote deel van de activiteiten bestaat uit het faciliteren van de lokale [ORGANISATIE(S)] voorop. De stichting incasseert een soort contributie van de lokale [ORGANISATIE(S)] . Deze stichting doet geen schenkingen in het algemeen belang. De uitgaven hebben voornamelijk betrekking op apparaatskosten en

organisatiekosten.


De conclusie van de controlerend ambtenaar is dat met de doelstelling en de activiteiten niet

rechtstreeks een algemeen belang wordt gediend. Deze stichting is slechts een belangenbehartiger en faciliteert. Daarmee wordt slechts wellicht op indirecte wijze enig algemeen belang gediend.

De eindconclusie is dan ook dat de ANBI status moet worden ingetrokken.

3.2.

Stichting [ORGANISATIE PLAATS 7]

De doelstelling van deze stichting is: Het vergroten van de mogelijkheden van ouderen om

maatschappelijk actief te blijven en maatschappelijk relevante functies te blijven vervullen.

Het bevorderen van een positieve beeldvorming rond ouderen en ouder worden.

De activiteiten van deze stichting bestaan volgens het activiteitenplan 2016 uit:

• cursussen taal conversatie;

• computercursussen;

• foto en videobewerking;

• bewust fotograferen;

• cursus bridge;

• cursus vrije bridge;

• cursussen schilderen/aquarellen;

• mandala schilderen;

• bloemschikken;

• wandelen in de natuur;

• stadswandelingen;

• tennissen;

• bowlen;

• kookcursus;

• wijnproefcursus;

• jeu de boules;

• dagexcursies naar steden en

• meerdaagse steden excursies

Voor bijna alle activiteiten dienen de deelnemers een geldelijke bijdrage te betalen. Er staat een prijslijst op de website.

De conclusie van de controlerend ambtenaar is dat deze stichting primair en vrijwel uitsluitend voorziet in ontspanning en gezellig verkeer waaraan bepaalde personen behoefte hebben en bereid zijn daarvoor een geldelijke bijdrage te leveren. De eindconclusie is dat de ANBI status van deze stichting zal moeten worden ingetrokken.


4. Stichting [D.] .

Zoals ik onder onderdeel 2 van dit nader stuk aangaf is bij deze instelling geen onderzoek ingesteld. (…)


5. Conclusie inspecteur

Ik concludeer dat belanghebbende zich primair en vrijwel uitsluitend richt op particuliere belangen van personen die betaald werk zoeken, bezig zijn met het opstarten van een onderneming of het verbeteren van taalvaardigheden (zie (…) rechtsoverweging 17 in

de uitspraak van de rechtbank).

Uit onderdeel 2 van dit nader stuk blijkt dat enige [ORGANISATIE(S)] zich deels tevens richten op het verbeteren van taalvaardigheden doch dat daarnaast voldoende andere algemeen nuttige activiteiten worden ontplooid die het rechtvaardigen dat de ANBI status in stand kan blijven.

Reeds daardoor acht ik de doelstelling en activiteiten van belanghebbende niet één op één

vergelijkbaar met deze andere [ORGANISATIE(S)] .

Ook de instelling genoemd onder punt 4 van dit nader stuk is op geen enkele wijze vergelijkbaar met belanghebbende.

Ik concludeer daarom dat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel (de

meerderheidsregel) faalt.”

2.5.

Ter zitting van het Hof is omtrent de activiteiten van belanghebbende door haar bestuur onder meer het volgende verklaard:


“ [BELANGHEBBENDE] is ontstaan uit [ORGANISATIE PLAATS 1] . Binnen dat [ORGANISATIE(S)] was onenigheid ontstaan die te maken had met de wijze waarop de subsidie van de gemeente [PLAATS 1] werd besteed.
Wij zijn uit een afsplitsing van dat [ORGANISATIE(S)] voortgekomen en dat betekent dat wij veel van de regels van het [ORGANISATIE PLAATS 1] hebben overgenomen.

Er is een grote verandering in de maatschappij en daardoor ook in de hulp die wordt geboden. In eerste instantie kijken wij niet naar waar iemand vandaan komt. Iedereen die zich bij ons meldt mag meedoen. Sommige mensen weigeren we wel. Zo hebben we een keer een tandarts gehad. Die had geld genoeg en die hebben we daarom geweigerd.

(…)

Het gaat ons om het kunnen laten functioneren van mensen in de samenleving. Zie de oude statuten, onder 1a. en dat hebben we in de nieuwe statuten verduidelijkt. Wij richten ons niet in het bijzonder op ondernemers.

Met betrekking tot de kwantitatieve toets wil ik het volgende opmerken. Wij hebben 150 vrijwilligers. De helft van die vrijwilligers is bezig met taalprojecten. 20 tot 30 vrijwilligers ondersteunen personen die wellicht een onderneming zouden willen starten. Het gaat dan doorgaans om mensen die zich in een uitkeringssituatie bevinden. Ze zijn dan dus nog niet ondernemer, maar ze overwegen een onderneming te starten. Vaak is de conclusie dan dat ze het niet moeten doen. 20 tot 30 vrijwilligers doen aan loopbaanbegeleiding en een stuk of 15 vrijwilligers zijn met sociale projecten bezig, zoals het organiseren van reizen voor ouderen en LGBT-jongeren.

U vraagt mij hoe we deze mensen weten te bereiken. We hebben onderdak bij een instelling in [PLAATS 1] - [WIJK 1] . Daar zitten wij met zo’n 10 tot 15 stichtingen. We doen mee aan beurzen in [PLAATS 1] - [WIJK 2] . Wij staan daar dan op een beurs met meer instellingen op het gebied van welzijn. De stichting [H.] staat er bijvoorbeeld dan ook. We nemen ook deel aan de startersdag van de Kamer van Koophandel Daar komen een paar duizend mensen op af. We hebben een website en daarnaast moeten wij het hebben van mond-tot-mondreclame.

Wij geven geen onderwijs. We helpen anderstaligen bij het spreken van Nederlands. Als mensen uit Turkije en Marokko komen, willen we die mensen helpen door ze een actieve beheersing van het Nederlands te leren. We zien nu een toestroom van Syriërs op gang komen. De mensen die wij helpen met de Nederlandse taal zijn om allerlei redenen naar Nederland gekomen.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals voor de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanvraag van belanghebbende om als ANBI te worden aangemerkt terecht door de inspecteur is afgewezen.
In dat kader is mede in geschil of de inspecteur door belanghebbende niet als ANBI aan te merken heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het geschil als volgt beoordeeld:


“11. Ingevolge artikel 5b, eerste lid, onder a, van de Awr is een algemeen nut beogende instelling een instelling die:

- uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt;

- voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;

- gevestigd is in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij
ministeriële regeling aangewezen staat, en

- door de daartoe bevoegde inspecteur als zodanig is aangemerkt.

12. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt een instelling door de inspecteur slechts als anbi aangemerkt indien en zolang uit de regelgeving en de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient.


13. Onder ‘uitsluitend of nagenoeg uitsluitend’ dient ingevolge vaste jurisprudentie te worden verstaan voor 90% of meer.


14. Ook moet ingevolge artikel 1a van de Uitvoeringsregeling:

- de instelling beschikken over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de
instelling te verrichten werkzaamheden ter verwezenlijking van haar doelstelling, de wijze
van werving van inkomsten, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding
daarvan;

- uit de regelgeving van de instelling blijken dat bij opheffing van de instelling een batig
liquidatiesaldo wordt besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met
een soortgelijke doelstelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke doelstelling heeft;

- de instelling via internet op elektronische wijze informatie met betrekking tot haar
functioneren, openbaar maken. Deze informatie dient te bestaan uit onder andere de
hoofdlijnen van het actuele beleidsplan, een actueel verslag van de uitgeoefende activiteit of
activiteiten van de instelling en de balans en de staat van baten en lasten, met toelichting,
van de instelling.

15. Volgens vaste jurisprudentie moeten de werkzaamheden van een instelling, om te kunnen spreken van het dienen van het algemeen belang – dan wel het beogen van het algemeen nut, welke begrippen naar het oordeel van de rechtbank in dit verband synoniem moeten worden opgevat – rechtstreeks gericht zijn op het dienen van het algemeen belang. Dit blijkt reeds uit het Minerva-arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 1960, nr. 14.413, ECLI:NL:HR:1960:AY1355, waarin de Hoge Raad oordeelde “dat naar spraakgebruik en maatschappelijke opvattingen onder “het algemeen nut beogende instellingen” zijn te verstaan lichamen wier doelstelling een werkzaamheid betreft, welke op zichzelf rechtstreeks het algemeen belang raakt – zoals bijvoorbeeld bejaardenzorg en genezing of verpleging van zieken – en niet lichamen die ten doel hebben een werkzaamheid welke op zichzelf slechts dienstbaar is aan een particulier belang – zoals de ontspanning of het gezellig verkeer, waaraan een bepaalde kring personen behoefte heeft, – ook al moge van de voorziening in dit belang zijdelings een gunstige werking ten algemenen nutte uitgaan.” Dit uitgangspunt is in latere jurisprudentie meermalen bevestigd. Van een algemeen nut beogende instelling is sprake indien de werkzaamheden van de instelling rechtstreeks erop zijn gericht enig algemeen belang te dienen (HR 13 januari 2012, nr. 10/03464, ECLI:NL:HR:2012:BQ0525 en HR 22 juni 2012, nr. 11/03215, ECLI:NL:HR:2012:BW9055). Het gaat daarbij dus niet om de vraag of ten gevolge van die werkzaamheden om enigerlei reden (indirect) het algemeen belang gediend is (HR 12 mei 2006, nr. 40.684, ECLI:NL:HR:2006:AT8202).


Toekenning van de anbi-status

16. Om proceseconomische redenen en op uitdrukkelijk verzoek van partijen zal de rechtbank eerst toetsen of uit de feitelijke werkzaamheden blijkt dat eiseres uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient.


17. De rechtbank is van oordeel dat eiseres primair het particuliere belang dient van de personen op wie de activiteiten zijn gericht. Met de feitelijke werkzaamheden van eiseres, bestaande uit loopbaancoaching, hulp bij het starten van een onderneming en hulp bij het spreken en verstaan van Nederlands wordt niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend rechtstreeks enig algemeen belang gediend. Het vinden van betaald werk, het succesvol opstarten van een onderneming en het verbeteren van de taalvaardigheid zijn allereerst en voornamelijk voor de betrokken individuen van groot belang. In dit verband heeft de rechtbank meegewogen dat dergelijke diensten (deels) door derden onder commerciële voorwaarden worden aangeboden. Niet is gesteld of gebleken dat eiseres bij het besluit om de werkzaamheden al dan niet te verrichten, acht slaat op enige omstandigheid die kan worden beschouwd als van algemeen nut voor de samenleving in [PLAATS 1] en omgeving en niet primair voor de hulpvrager. Dat de samenleving in [PLAATS 1] en omgeving met de activiteiten van eiseres wordt gediend, doet hieraan niet af. Er is slechts sprake van het ten gevolge van de activiteiten van eiseres indirect dienen van het algemeen belang.


18. Ook dat eiseres, naar zij stelt, voldoet aan door het [WIJK 1] gestelde criteria voor de toekenning van een subsidie brengt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer mee dat de feitelijke werkzaamheden van eiseres uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dienen. De rechtbank kan eiseres, zonder nadere gegevens over deze voorwaarden, niet volgen in haar betoog dat aangenomen moet worden dat de door [WIJK 1] gestelde criteria het algemeen nut verwoorden.


19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De overige geschilpunten behoeven geen behandeling meer.”

4.2.1.

In hoger beroep stelt belanghebbende gedreven te worden door het (haar) inzicht dat velen in de samenleving de aansluiting met de arbeidsmarkt onnodig verliezen. Teneinde dat te voorkomen heeft zij een netwerk van vrijwilligers gevormd die daartoe hun kennis en ervaring zonder honorering inzetten. Inwoners die bij het vinden dan wel behouden van aansluiting op de arbeidsmarkt ondersteuning nodig hebben, kunnen met vragen en initia-tieven terecht bij het vrijwilligersnetwerk van belanghebbende. De door haar aangeboden diensten bestaan uit:

  • -

    loopbaanadvies;

  • -

    begeleiding van startende ondernemers, althans vooral zij die overwegen dat te doen;

  • -

    Nederlands spreken, en

  • -

    organisatieadvies (non-profit).


In dit verband heeft belanghebbende aangegeven dat zij, teneinde de laagdrempeligheid van haar activiteiten te waarborgen, daarbij niet om enig bewijs van financieel onvermogen vraagt, maar dat de praktijk uitwijst dat juist diegenen die zich de door haar aangeboden hulp niet kunnen veroorloven zich tot haar wenden. Potentiële cliënten waarvan belanghebbende aanneemt dat ze voldoende draagkrachtig zijn om zelf de door haar aangeboden diensten te kunnen betalen, worden geweigerd, in welk verband belanghebbende een tandarts als voorbeeld heeft genoemd. Waar de activiteiten betrekking hebben op startende ondernemers, houdt dat volgens haar veelal in dat degenen die te kennen geven een onderneming te willen starten, hiervan worden weerhouden door hen juist ook op de nadelen te wijzen. Bij het ‘Nederlands spreken’ gaat het om niet-Nederlandstaligen die in hun omgeving geen gelegenheid krijgen om met iemand Nederlands te spreken.

4.2.2.

Volgens belanghebbende heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij primair het particuliere belang dient van de personen op wie de activiteiten zijn gericht. Volgens haar verricht zij werkzaamheden die – evenals dat bijvoorbeeld het geval is bij bejaardenzorg en genezing of verpleging van zieken – rechtstreeks het algemeen belang dienen. Dat dit inhoudt dat tevens een particulier doel wordt gediend, acht belanghebbende onvermijdelijk, zoals dat ook het geval is bij bejaarden- en ziekenzorg.

4.2.3.

Subsidiair doet belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende baseert deze stelling mede op het nader stuk van de inspecteur, als aangehaald onder 2.3 en op de haars inziens (overheersende) overeenkomsten tussen haar en de in dat stuk beschreven ANBI’s, in het bijzonder waar het de taalactiviteiten betreft. Belanghebbende begrijpt niet waarom de inspecteur de in zijn nader stuk onder 2 vermelde gevallen als een ANBI heeft gekwalificeerd en haar niet. Belanghebbende vraagt zich af of dit kwalificatieverschil verklaring vindt in activiteiten die door de door de inspecteur als ANBI aangemerkte instellingen overigens worden verricht, maar constateert dat dat niet het geval kan zijn, gelet op de aard van die activiteiten, zoals ‘gratis klussen bij ouderen thuis’ en het ‘organiseren van stadswandelingen’.

4.2.4.

Bij dit alles gaat belanghebbende uit van de gewijzigde statuten (als vermeld in onderdeel 3 van de uitspraak van de rechtbank).

4.3.1.

De inspecteur heeft ter zitting van het Hof verklaard er geen bezwaar tegen te hebben als bij de beoordeling van het hoger beroep wordt uitgegaan van de gewijzigde statuten. Tevens heeft de inspecteur verklaard dat deze gewijzigde statuten voldoen aan de voorwaarde dat een batig saldo bij liquidatie ten behoeve van het algemeen nut wordt besteed, als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel h, Uitvoeringsregeling AWR. Het Hof stelt vast dat dit punt derhalve niet meer in geschil is. Ook het Hof zal – voor zover nodig op proceseconomische gronden – van de gewijzigde statuten uitgaan.

4.3.2.

Voorts heeft de inspecteur ter zitting van het Hof verklaard dat hij, gelet op hetgeen omtrent het beleid van belanghebbende op haar website is vermeld, niet meer stelt dat zij niet beschikt over een beleidsplan als bedoeld in artikel 1a, onderdeel f, Uitvoeringsregeling AWR. Het Hof stelt vast dat ook dit punt niet meer in geschil is en volgt partijen daarin.

In dit verband gaat het Hof tevens voorbij aan de in eerste aanleg door de inspecteur ingenomen stelling dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de met ingang van 1 januari 2013 geldende verplichting om haar gegevens op elektronische wijze via het internet openbaar te maken (Stb. 2012, 669), nu niet meer in geschil is dat inmiddels sprake is van vermelding van het beleid op de website, waarbij het Hof het betrekkelijk jonge bestaan van belanghebbende ten tijde van de beoordeling van de aanvraag mede in aanmerking neemt.

4.3.3.

Volgens de inspecteur doet belanghebbende, ook uitgaande van de gewijzigde statuten, niet ervan blijken dat haar statuten en haar feitelijke activiteiten het algemeen belang beogen. De inspecteur sluit zich aan bij de uitspraak van de rechtbank, onderdelen 16 en 17. Volgens de inspecteur zien de activiteiten van belanghebbende primair op particuliere belangen. De omstandigheid dat die activiteiten indirect of mede als nuttig effect hebben dat een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan het oplossen van hedendaagse maatschappelijke problemen acht de inspecteur van onvoldoende gewicht.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet vergeleken kan worden met – zoals genoemd in het arrest HR 12 oktober 1960, nr. 14.413, ECLI:NL:HR:1960:AY1355, BNB 1960/296 (hierna: het Minerva-arrest) – instellingen voor bejaardenzorg en ‘instellingen die medische hulp bieden of instellingen die zich richten op talentontwikkeling van niet academische vaardigheden aan studenten’. Weliswaar wordt met ieder algemeen belang een particulier belang gediend, maar dat betekent niet dat bij belanghebbende het algemeen belang boven het particulier belang prevaleert, aldus de inspecteur.

4.3.4.

Voorts heeft de inspecteur gesteld dat met ‘blijken’ in artikel 1a, eerste lid, onderdeel a, Uitvoeringsregeling AWR is bedoeld dat op belanghebbende een zwaardere bewijslast rust dan in het algemeen in fiscale zaken het geval is en dat zij derhalve overtuigend dient aan te tonen dat aan de in die bepaling gestelde voorwaarde wordt voldaan.

4.3.5.

De inspecteur heeft betwist dat activiteiten die vergelijkbaar zijn met de onder 4.2.1 vermelde activiteiten van belanghebbende niet door derden tegen commerciële voorwaarden worden aangeboden.

4.3.6.

Het gelijkheidsbeginsel acht de inspecteur niet geschonden op grond van de conclusie die is opgenomen in het onder 2.3 opgenomen nader stuk.

4.3.7.

Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur nog het volgende aan zijn standpunt toegevoegd:


“Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel wil ik het volgende opmerken. Wij hebben 18 instellingen aangereikt gekregen. Bij acht van die instellingen hebben wij onderzoek gedaan. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat in zes gevallen de ANBI-status gehandhaafd kan worden en dat deze ANBI’s niet vergelijkbaar zijn met belanghebbende. Bij die vergelijking gaat het niet alleen om taalprojecten, maar om het totale pakket aan activiteiten dat de ANBI aanbiedt. Advies geven aan ouderen omtrent veilig wonen is een algemeen belang en dat geldt ook voor het begeleiden van kinderen op school. Ook bij bijvoorbeeld de [I.] staat het algemeen belang voorop. De aanleg van voetbalveldjes bevordert namelijk de sociale cohesie in een wijk. Ook de rechtbank heeft een afweging gemaakt omtrent hetgeen voorop staat en dat is het particuliere belang.

Wij zijn van mening dat belanghebbende zich meer richt op ondernemers dan op particulieren.

(…)

Bij de beoordeling of sprake is van een ANBI kan het kwartje soms naar de ene kant of naar de andere kant vallen. Het gaat dan om nuanceverschillen. Het is niet zo dat het een optelsom van activiteiten is. Bij de kwalitatieve toets worden zo veel als mogelijk feitelijke werkzaamheden in de beoordeling betrokken.

Zo wordt bijvoorbeeld van belang geacht of het taalonderwijs aan vluchtelingen uit Syrië wordt gegeven dan wel aan Chinezen, Grieken, Spanjaarden en Polen die naar Nederland zijn gekomen uit economische motieven, bijvoorbeeld om een onderneming te starten. Taalonderwijs aan Syrische vluchtelingen dient wel een algemeen belang, maar aan die anderen niet. Wanneer sprake is van taallessen aan mensen die om economische redenen naar Nederland zijn gekomen staat het particuliere belang voorop. (…)

De inspecteur weegt de activiteiten af. Wanneer de activiteiten erop gericht zijn taallessen te geven aan vluchtelingen uit oorlogsgebieden, dan is eerder sprake van een algemeen belang dan bij economische vluchtelingen. In dat verband maakt het verschil waar een buitenlander vandaan komt. Uit de media blijkt dat uit Spanje voornamelijk architecten komen. Taalhulp aan mensen die uit Spanje afkomstig zijn, dient dan vermoedelijk een particulier belang.”

4.4.1.

Het Hof is van oordeel dat met ‘blijken’ in artikel 1a Uitvoeringsregeling AWR niet op een verzwaarde bewijslast kan zijn gedoeld. In artikel 5b AWR komt de term ‘blijken’ niet voor. De introductie van een verzwaarde bewijslast in de uitvoeringsregeling ontbeert derhalve een wettelijke grondslag. Bovendien bevat de toelichting op de uitvoeringsregeling geen aanwijzing dat met ‘blijken’ een verzwaarde bewijslast is bedoeld.
Overigens geldt dat een geschil als het onderhavige zich slechts in beperkte mate op basis van een beslissing over de bewijsmaatstaf laat oplossen. Het gerezen geschil gaat immers in wezen om vraag of de feiten die belanghebbende heeft gesteld de kwalificatie van belanghebbende als ANBI rechtvaardigen.

4.4.2.

Het Hof is het met de rechtbank eens dat (onder meer) het Minerva-arrest als toetsingskader heeft te fungeren. Bij de toetsing (in kwalitatieve zin) van de activiteiten van belanghebbende aan het begrip algemeen belang en de uitleg die daaraan in de jurisprudentie wordt gegeven komt het Hof tot een andere afweging dan de rechtbank. Het Hof acht het, gelet ook op hetgeen in het Ondernemingsplan van belanghebbende is vermeld en de toelichting door het bestuur van belanghebbende ter zitting van de rechtbank en van het Hof, voldoende aannemelijk dat de onder 4.2.1 vermelde activiteiten zijn gericht op het bevorderen van de aansluiting op de arbeidsmarkt van personen die deze verliezen of dreigen te verliezen en op het bevorderen van aansluiting bij de ( [PLAATS 1] ) samenleving van personen die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheersen. Al deze activiteiten vallen naar het oordeel van het Hof onder de categorie ‘welzijn’, als bedoeld in artikel 5b, derde lid, onderdeel a, AWR en zijn rechtstreeks gericht op het dienen van het algemeen belang (categorie welzijn).
Dit is niet anders voor zover belanghebbende zich (naar zij ter zitting van het Hof heeft gesteld) ook nog (in enige mate) bezig houdt met sociale projecten, zoals het organiseren van reizen voor LGBT-jongeren en ouderen, reeds omdat tenminste een deel van deze activiteiten eveneens als gericht op het algemeen belang (welzijn) kan worden aangemerkt, waarbij het Hof er vanuit gaat dat die projecten in het geheel van de activiteiten van belanghebbende een geringe rol spelen, nu deze overigens niet in de stukken zijn vermeld.

4.4.3.

De omstandigheid dat belanghebbende zich ook op (potentiële) ondernemers richt, staat naar het oordeel van het Hof niet in de weg aan het oordeel dat de activiteiten van belanghebbende rechtstreeks gericht zijn op het dienen van het algemeen belang.
Het past in een – als van algemene bekendheid te beschouwen – ontwikkeling in de samenleving waarop belanghebbende zich richt, waarbij betaald werk in toenemende mate buiten traditionele dienstverbanden wordt gevonden en velen de arbeidsmarkt (her)betreden als zogenoemde zzp’er, dat het bevorderen van aansluiting op de arbeidsmarkt ook wordt gerealiseerd door middel van activiteiten die zijn gericht op potentiële zelfstandigen of ondernemers.
Het Hof betrekt hierin mede de toelichting die het bestuur van belanghebbende ter zitting heeft gegeven, waarin – niet weersproken door de inspecteur – is vermeld dat het bij het adviseren van ondernemers doorgaans gaat om personen die zich in een uitkeringssituatie bevinden en dat het bij die activiteit ook in het bijzonder gaat om de vraag of het wel verstandig is om als ondernemer te starten. Het Hof acht het niet aannemelijk dat de activiteiten van belanghebbende bij het geven van advies aan (potentiële) ondernemers zich ook uitstrekken tot personen die het zich kunnen veroorloven dergelijk advies bij een commerciële onderneming in te winnen en die niet tot de kansarmen gerekend kunnen worden waarvoor de activiteiten van belanghebbende zijn bedoeld. Voor zover de beslissing van de inspecteur om belanghebbende niet als ANBI aan te merken is gebaseerd op het adviseren van potentiële ondernemers, kan het Hof hem daarin dan ook niet volgen.

4.4.4.

Ongeveer de helft van de vrijwilligers die zich voor belanghebbende inzetten houdt zich naar het Hof begrijpt bezig met het verzorgen van conversatiemogelijkheden Nederlands voor anderstaligen. Het Hof acht het, mede gelet op de namens belanghebbende ter zitting van het Hof verstrekte toelichting, voldoende aannemelijk dat belanghebbende zich hierbij richt op groeperingen die minder kansen hebben om de Nederlandse taal in het dagelijks leven te gebruiken. Het Hof stelt vast dat belanghebbende zich daarbij niet uitsluitend richt op personen die om reden van onderdrukking of geweld hun land zijn ontvlucht en dat ook personen die om economische redenen naar Nederland zijn gekomen tot haar doelgroep behoren. Voor zover de inspecteur heeft bedoeld dat slechts taallessen voor politieke vluchtelingen als algemeen nut beogend kunnen kwalificeren volgt het Hof hem daarin niet. Ook – zoals belanghebbende die aanbiedt – lessen conversatie Nederlands voor personen die (of waarvan familieleden) om economische redenen naar Nederland zijn gekomen acht het Hof rechtstreeks het algemeen nut beogend (categorie welzijn), nu dergelijke taallessen bijdragen aan de integratie van personen die zich door een gebrek aan kennis van de Nederlandse taal in een achterstandsituatie bevinden. Dat daarbij tevens de individuele belangen van die personen worden gediend, neemt niet weg dat het algemeen belang daarbij voorop staat. Dit zou anders zijn, indien belanghebbende zich meer dan incidenteel richt op personen die zich de taallessen langs commerciële weg (redelijkerwijs) kunnen veroorloven, maar naar het Hof aannemelijk acht richt belanghebbende zich niet op dergelijke personen. Het Hof ziet deze benadering bevestigd in hetgeen belanghebbende (onder meer ter zitting van het Hof) heeft verklaard over de locaties waar zij haar doelgroep vindt. In dit kader mag – anders dan de inspecteur heeft gesteld – van belanghebbende niet worden verlangd dat zij op voorhand gegadigden uit Spanje weigert, omdat ‘uit de media blijkt dat uit Spanje voornamelijk architecten komen’. De weigering om de ANBI-status te verlenen mag niet worden gebaseerd op de grond dat belanghebbende niet op voorhand bepaalde groepen (zoals bijv. Spanjaarden) van hulp uitsluit. Voorts staat aan de kwalificatie ‘algemeen nut’ beogend niet in de weg dat conversatielessen Nederlands door derden (mogelijk) ook op commerciële basis worden aangeboden.

4.4.5.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen acht het Hof het voldoende aannemelijk dat de activiteiten van belanghebbende (in kwalitatieve zin) rechtstreeks gericht zijn op het dienen van het algemeen belang. Dat is niet anders indien in dit oordeel de (gewijzigde) statuten worden betrokken, in welk verband het Hof verwijst naar hetgeen daarover onder 2.1 is vermeld.

4.4.6.

In het standpunt van belanghebbende ligt besloten dat zij met haar activiteiten tevens aan de zogenoemde kwantitatieve toets heeft voldaan, welke inhoudt dat haar feitelijke werkzaamheden voor meer dan 90% gericht zijn op het dienen van het algemeen nut (artikel 5b, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, AWR). Voor zover de inspecteur in hoger beroep mede heeft gesteld dat niet is voldaan aan deze kwantitatieve toets, volgt het Hof hem daarin niet. Op grond van hetgeen belanghebbende omtrent haar feitelijke werkzaamheden heeft aangevoerd, acht het Hof het voldoende aannemelijk dat het geheel van de werkzaamheden van belanghebbende aan het 90%-criterium voldoet. Gelet op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft het op de weg van de inspecteur gelegen nader en gemotiveerd te stellen op welke gronden zij niet aan de kwantitatieve toets zou hebben voldaan. Door zich evenwel – zoals ook blijkt uit het nader stuk – hoofdzakelijk zo al niet uitsluitend te richten op de kwalitatieve aspecten van de activiteiten van belanghebbende, heeft de inspecteur daartoe niet voldoende gesteld en aangevoerd. Dit laatste geldt ook, indien bij de beoordeling van de werkzaamheden van belanghebbende de in de laatste zin van r.o. 4.4.2 vermelde werkzaam-heden mede in aanmerking worden genomen. Het Hof is derhalve van oordeel dat belang-hebbende voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zowel statutair als feitelijk (nage-noeg) uitsluitend het algemeen belang dient.

Slotsom

4.5.1.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de inspecteur vernietigen en belanghebbende met ingang van de datum van haar verzoek (1 november 2013) als ANBI aanmerken.

4.5.2.

Aan de stelling van belanghebbende dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel komt Hof niet toe.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit)

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: € 2.976 [= (4 ter zake van indienen beroepschrift, hogerberoep-schrift, alsmede het bijwonen van de zitting van de rechtbank en het Hof) x € 496 (waarde per punt) x 1,5 (wegingsfactor).
Vergoeding van kosten van bezwaar blijft achterwege, nu uit de stukken niet blijkt dat daarom namens belanghebbende in de bezwaarfase is verzocht.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond,
- kwalificeert belanghebbende met ingang van 1 november 2013 als een Algemeen Nut
Beogende Instelling;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.976, en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 328 (beroep bij de
rechtbank) en € 497 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 825 te vergoeden.


De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, H.E. Kostense en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck, als griffier. De beslissing is op 13 september 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.