Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4348

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
09-11-2016
Zaaknummer
23-002945-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling, geslaagd beroep op noodweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002945-13

datum uitspraak: 6 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-125988-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1982,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

22 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 23 januari 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het - eenmaal of meermalen (met kracht) trekken en/of vastpakken van de (hoofd)haren, in elk geval van het lichaam van voornoemde [slachtoffer], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis met een proeftijd van één jaar.

Vrijspraak

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en derhalve van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen, nu de verdachte door aangeefster geslagen zou zijn en de verdachte ter noodzakelijke verdediging van haarzelf het hoofd van aangeefster vervolgens naar beneden heeft geduwd en aangeefster op die wijze heeft afgehouden, teneinde te voorkomen dat aangeefster de verdachte opnieuw zou slaan. Subsidiair heeft de raadsman een beroep op noodweerexces gedaan.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van de stukken in het dossier en het ter terechtzitting in hoger beroep verhandelde stelt het hof het volgende vast.

Op 23 januari 2012 heeft de verdachte haar auto geparkeerd op het parkeerterrein behorende bij een bedrijvenpand aan de [adres 2] te Amsterdam, van welk bedrijvenpand [slachtoffer] de beheerder is. Hierop is een woordenwisseling ontstaan tussen de verdachte en getuige

[getuige 1]. Op dit tumult is [slachtoffer] afgekomen. [slachtoffer] heeft geprobeerd de verdachte tegen te houden terwijl de verdachte van het parkeerterrein wilde lopen. [slachtoffer] had hierbij een map in haar handen.

Het hof stelt voorts vast dat vanaf dit moment de verklaringen van aangeefster, de verdachte en getuigen uiteen lopen.

Aangeefster heeft, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, verklaard dat zij de verdachte heeft tegengehouden en dat zij vervolgens opzettelijk en met kracht door de verdachte aan de haren werd getrokken. De verdachte zou ook de nek van aangeefster hebben omklemd met haar arm.

De verdachte heeft, voor zover van belang, verklaard dat zij door aangeefster bij haar rechterpols werd vastgepakt. Hierna werd zij door aangeefster in haar gezicht geslagen, waarop zij aangeefster bij haar kraag en haren heeft vastgepakt teneinde te voorkomen dat aangeefster haar opnieuw zou kunnen slaan.

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie onder meer verklaard dat hij zag dat aangeefster de verdachte een klap gaf, waarna de verdachte aangeefster aan de haren trok. Deze verklaring ondersteunt aldus de verklaring van de verdachte.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard het begin van het handgemeen niet te hebben gezien. Gelet hierop zal het hof bij de vraag of sprake is geweest van een noodweersituatie geen acht slaan op deze verklaring.

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat aangeefster de verdachte vastpakte, waarna aangeefster en de verdachte elkaar aanvlogen. Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat aangeefster een arm richting de verdachte bewoog, waarna de verdachte aangeefster zou hebben aangevallen. De verklaring zoals die door [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris is afgelegd wijkt in belangrijke mate af van de verklaring zoals hij die bij de politie heeft afgelegd. Het hof zal om die reden de verklaringen van [getuige 1] buiten beschouwing laten.

Nu de verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 2] en de verklaring van aangeefster geen steun vindt in ander bewijsmateriaal, concludeert het hof dat aangeefster de verdachte heeft geslagen, waarna de verdachte aangeefster aan haar haren en nek heeft vastgepakt, teneinde te voorkomen dat zij opnieuw geslagen zou worden en dat de verdachte aldus heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van haarzelf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het hof acht de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd proportioneel en niet gebleken is dat zij op dat moment anders had kunnen handelen.

Dit leidt ertoe dat de verdachte naar het oordeel van het hof heeft gehandeld uit noodweer en dat het gevoerde verweer slaagt.

Bij deze stand van zaken komt het hof niet toe aan de bespreking van het door de raadsman subsidiair aangevoerde beroep op noodweerexces.

Met de term ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht wordt mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking gebracht. Onder mishandeling wordt daarom verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.

Nu de voor een bewezenverklaring vereiste wederrechtelijkheid ontbreekt, zal de verdachte worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van mr. L.J.M. Klop, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

6 oktober 2016.

Mr. M.F.J.M. de Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen

=========================================================================

[.]