Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4323

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
200.170.588/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHAMS:2016:515. Artikel 29b Ziektewet. Had werknemer een WAO-verleden? Bewijs niet geleverd. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3212
AR-Updates.nl 2016-1277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.170.588/01

zaaknummer rechtbank : C/15/214071 / HA ZA 14-235

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 september 2016

inzake

DE ARBODIENST SERVICE EN ONDERSTEUNING B.V.,

gevestigd te Wormer, gemeente Wormerland,

appellante,

advocaat: mr. E.J.C. de Jong te Utrecht,

tegen:

STICHTING DE ZEVENSTER,

gevestigd te Zevenhuizen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.W.J. Leijs te Hilversum.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna De Arbodienst en De Zevenster genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 16 februari 2016 een tussenarrest uitgesproken. Voor de loop van het geding tot die datum wordt naar het tussenarrest verwezen.

Aan de in het tussenarrest aan De Arbodienst gegeven bewijsopdracht is geen uitvoering gegeven.

Op 28 juni 2016 heeft De Zevenster wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Het gaat er in deze zaak om of De Arbodienst valt te verwijten, en daarom aansprakelijk is voor, de door De Zevenster geleden schade doordat deze geen gebruik heeft kunnen maken van een wettelijke regeling uit hoofde waarvan zij de loonbetalingsverplichting jegens een arbeidsgehandicapte werkneemster met een WAO-verleden (deels) op het UWV had kunnen afwentelen.

2.2

In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat wat ook de aard is van de tussen partijen gesloten overeenkomst, nu De Arbodienst in de probleemanalyse de vraag naar het WAO-verleden van de werkneemster had opgenomen, De Zevenster ervan mocht uitgaan dat het antwoord op die vraag naar beste weten van de bedrijfsarts van De Arbodienst was gegeven. Verder heeft het hof overwogen dat het beroepsgeheim van de bedrijfsarts niet eraan in de weg stond dat door De Arbodienst informatie aan De Zevenster werd doorgegeven. Vast staat dat, anders dan de probleemanalyse vermeldde, de betrokken werkneemster een WAO-verleden had. Tenslotte heeft het hof overwogen dat De Arbodienst niet gemotiveerd heeft bestreden dat De Zevenster van bedoelde wettelijke voorziening gebruik had kunnen maken.

2.3

De Arbodienst heeft bij pleidooi in hoger beroep melding gemaakt van de mogelijkheid dat de werkneemster omtrent haar WAO-verleden tegenover de bedrijfsarts niet de waarheid heeft gesproken. In verband daarmee heeft het hof De Arbodienst toegelaten tot het bewijs van de stelling dat het antwoord dat bedrijfsarts [A] heeft gegeven bij vraag 13 in de probleemanalyse, correspondeert met de informatie waarover zij beschikte.

2.4

De Arbodienst heeft afgezien van bewijslevering. Bij deze stand van zaken slaagt het verweer van De Arbodienst dat zij De Zevenster verkeerd heeft geïnformeerd omdat zij op haar beurt verkeerde informatie van de werkneemster had gekregen niet. Dan valt De Arbodienst inderdaad te verwijten dat zij onjuiste informatie aan De Zevenster heeft verstrekt.

2.5

Het hof heeft in het tussenarrest reeds overwogen dat grief I slaagt, maar dat dit niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Thans moet worden geoordeeld dat gelet op wat is overwogen onder 3.4 de overige grieven falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De Arbodienst zal worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 21 januari 2015 van de rechtbank Noord-Holland met rolnummer C/15/214071/HA ZA 14-235;

veroordeelt De Arbodienst in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van De Zevenster begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, S.F. Schütz en R.T. Terpstra en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 september 2016.