Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4317

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
200.186.641/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzing na cassatie (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009). Getuigenverhoor.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:3395.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.641/01

zaak- en rolnummer rechtbank Dordrecht: 91244/HA ZA 11-2085

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 november 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.Th. de Haan te Alblasserdam,

tegen

[X] BEHEER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.G. van Twist te ‘s-Gravendeel.

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

De partijen worden hierna [appellant] en [X] Beheer genoemd.

Bij arrest van 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad onder rolnummer 14/04328 (ECLI:NL:HR:2015:3009) het in deze zaak tussen [appellant] en Beheer onder zaaknummer 200.107.288/01 gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 april 2014 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Bij exploot van 26 februari 2016 heeft [appellant] [X] Beheer opgeroepen om voort te procederen.

[appellant] heeft een memorie na verwijzing genomen, waarin hij heeft geconcludeerd dat de in die memorie vermelde personen als getuigen zullen worden gehoord.

In haar memorie van antwoord na verwijzing heeft [X] Beheer zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met dien verstande dat zij heeft geconcludeerd dat het hof in contra-enquête de door haar genoemde personen als getuigen zal horen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

Het hof zal uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 onder 3.1 heeft vermeld, alsmede van de feitenvaststelling door het hof Den Haag, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is. Voor zover thans van belang gaat het in deze zaak om het volgende:

2.1.

Er is een schriftelijke conceptovereenkomst met de volgende inhoud:

“SCHULDBEKENTENIS WEGENS TER LEEN ONTVANGEN GELDEN

de ondergetekenden:

1.

Naam: de besloten vennootschap in oprichting Siloam B.V. i.o.

(...)

ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar bestuurder/directeur, Kamhoot Management B.V.,

ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [appellant]

2.

Naam: de besloten vennootschap Vivo-biss B.V.

(...)

ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar bestuurder/directeur, Kamhoot Management B.V.,

ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar directeur [appellant]

3.

Naam: [appellant]

(...)

Hierna zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk te noemen schuldenaar,

verklaart heden wegens ter leen ontvangen gelden een bedrag van € 100.000,= (...) schuldig te zijn aan

Naam: de besloten vennootschap [X] Beheer B.V.

(...)

verder te noemen schuldeiser,

(...)

In aanmerking nemende dat:

(...)

– schuldeiser en schuldenaar in deze overeenkomst de condities van deze geldlening nader vaststellen

Zijn overeengekomen als volgt:

1. Schuldenaar verklaart heden wegens ter leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan schuldeiser, die verklaart ter leen te hebben verstrekt aan schuldenaar, een bedrag van € 100.000,=.

2. Schuldenaar zal ingaande 17 januari 2007 een rente betalen van 5% per jaar. Gedurende periode a,b,c en d blijkens bijlage 1 (aflossingsschema) wordt maandelijks uitsluitend de rentetermijn betaald, voor het eerst op 1 februari 2007.

3. Schuldenaar is verplicht per maand een bedrag van € 2997,09 af te lossen, inclusief de verschuldigde rente (...). De eerste termijn vervalt per 1 mei 2007.

(...)

10. Schuldeiser is te allen tijde bevoegd om aanvullende zekerheid te verlangen van schuldenaar indien en voor zover de kredietrisico’s daartoe aanleiding geven. (...)

Aldus opgemaakt en ondertekend te [plaats] , op dinsdag 16 januari 2007 (...)”

Het concept is niet ondertekend.

2.2.

Op 17 januari 2007 heeft [X] Beheer 19% van de aandelen in het kapitaal van Vivo-Biss B.V. (hierna: Vivo-Biss) verkregen.

2.3.

Op 18, 19 en 30 januari 2007 heeft [X] Beheer in drie betalingen een totaalbedrag van € 100.000,= overgemaakt op de bankrekening van Vivo-Biss.

2.4.

Op 13 oktober 2009 en 11 januari 2010 heeft de rechtbank Dordrecht op verzoek van [X] Beheer in een voorlopig getuigenverhoor blijkens daarvan opgemaakte processen-verbaal als getuigen in enquête gehoord haar bestuurder [X] , [A] , zelfstandig bedrijfsadviseur, [B] , directeur van Siloam B.V., en [appellant] . Partijen waren daarbij aanwezig en vertegenwoordigd.

3 Beoordeling

3.1.

In deze procedure vordert [X] Beheer primair dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 103.500,-, zijnde de totale hoofdsom van de door [X] Beheer aan [appellant] ter leen verstrekte gelden, vermeerderd met contractuele rente van 5% over de lening van € 100.000,-, alsmede met rente en kosten.

Bij vonnis van 8 februari 2012 heeft de rechtbank Dordrecht geoordeeld (i) dat een overeenkomst tot lening van € 100.000,- is tot stand gekomen, (ii) dat [appellant] het geleende bedrag, te vermeerderen met contractuele rente aan [X] Beheer is verschuldigd, (iii) dat [appellant] voorts een bedrag van € 3.500,- aan [X] Beheer is verschuldigd uit hoofde van een lening in contanten. De rechtbank heeft de vordering van [X] Beheer grotendeels toegewezen.

3.2.

[appellant] is tegen dat vonnis in hoger beroep gekomen. Hij betwist dat een leningovereenkomst van € 100.000,- is tot stand gekomen, althans dat hij zich in deze leningovereenkomst als schuldenaar jegens [X] Beheer heeft verbonden. Daartoe heeft [appellant] onder meer gesteld dat hij in het bijzijn van [C] , [D] , [E] , en [F] aan [A] heeft meegedeeld dat hij ( [appellant] ) niet garant wil staan. [appellant] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden door het horen van deze vier personen en van zichzelf.

3.3.

In het arrest van 1 april 2014 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft geoordeeld dat [appellant] zich persoonlijk tot terugbetaling van het geleende bedrag van € 100.000,- heeft verbonden (rov. 10). Het hof heeft het bewijsaanbod van [appellant] gepasseerd (rov. 7 en 15). Voorts heeft het hof de grief, gericht tegen de toewijzing van de vordering op grond van een lening in contanten van € 3.500,- verworpen.

3.4.

In cassatie is [appellant] niet opgekomen tegen de toewijzing van de vordering op grond van de lening in contanten zodat het oordeel van het hof in zoverre onaantastbaar is geworden. De cassatieklachten zijn uitsluitend gericht tegen het passeren van zijn bewijsaanbod. De Hoge Raad heeft de hierop gerichte klachten gegrond geoordeeld. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof het bewijsaanbod van [appellant] ten onrechte gepasseerd.

3.5.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt het op de weg van [X] Beheer om te bewijzen dat [appellant] zich jegens [X] Beheer tot terugbetaling van het geleende bedrag heeft gebonden. In het oordeel van het hof Den Haag dat [appellant] zich daartoe heeft verplicht ligt besloten dat het hof Den Haag, na het getuigenaanbod van [appellant] te hebben gepasseerd, [X] Beheer in dat bewijs geslaagd heeft geacht.

3.6.

Ingevolge voormeld arrest van de Hoge Raad zal het hof [appellant] toelaten tot het tegenbewijs van het onder 3.5 bedoelde bewijsoordeel door het horen van getuigen.

3.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe tot het leveren van het onder 3.6 bedoelde tegenbewijs;

beveelt dat een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. J.M. de Jongh, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] uiterlijk op 15 november 2016 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van partijen, hun advocaten en de voor te brengen getuigen in de periode van december 2016 tot en met februari 2017 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, J.M. de Jongh en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.