Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4310

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
200.172.118/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Chauffeur vrachtwagen komt ten val op metalen weegplaat op bedrijfsterrein. Eigenaar van het terrein niet aansprakelijk op grond van 6:162 BW en ook niet op grond van 6:174 BW. Toetsing aan kelderluikcriteria.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/68
JA 2017/1
PS-Updates.nl 2016-0433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.172.118/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/5688893 / HA ZA 14-705

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 november 2016

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , [land]

appellant,

advocaat: mr. J.J. Baltus te Landgraaf,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MONDO MINERALS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Streefkerk te Voorburg.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Mondo genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 17 juni 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2015 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Mondo als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen volledig zal toewijzen met beslissing over de proceskosten.

Mondo heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende:

2.1.

[appellant] was op woensdag 16 januari 2013 omstreeks 18.40 uur met zijn vrachtwagen aanwezig op het bedrijfsterrein van Mondo te Katwijk. Aldaar heeft hij zijn vrachtwagen op de op het terrein aanwezige weegbrug (een ijzeren plaat) gezet en is hij uitgestapt om naar de portacabin naast de weegbrug te lopen en de vrachtwagen te (laten) wegen. Daarna is hij, over de weegbrug, vóór de vrachtwagen langsgelopen en ten val gekomen.

2.2

In het ziekenhuis is vastgesteld dat zijn enkel op drie plaatsen was gebroken, zijn enkelbanden waren gescheurd, althans beschadigd en dat hij geopereerd diende te worden.

2.3.

[X] Grondwerken B.V. heeft ter plaatse in opdracht van Mondo op 14 en 15 januari 2013 aan ‘gladheidsbestrijding’ gedaan. De omschrijving op de daarop betreffende factuur vermeldt onder meer:

Datum

Aantal

Eenheid

Omschrijving

Werk: Gladheidsbestrijding

14-01-2013

Strooien

200.00

kg

Zout

15-01-2013

Strooien

200.00

kg

Zout

1.00

uur

Sneeuw schuiven

Strooien

200.00

kg

Zout

21-01-2013

Strooien

200.00

kg

Zout

3 Beoordeling

3.1

Bij dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellant] - kort samengevat - een verklaring voor recht gevorderd dat Mondo aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade op grond van artikel 6:162 BW, en veroordeling van Mondo tot betaling van een schadesom op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede buitengerechtelijke incassokosten en rente. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met tien grieven op.

3.2

Grief 1 tot en met 6 zijn gericht tegen rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis die heeft geleid tot de conclusie van de rechtbank dat geen sprake is geweest van onrechtmatig, gevaarscheppend gedrag, althans van een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt met betrekking tot het nemen van maatregelen tegen gladheid. Grief 7 klaagt over de vaststelling van de rechtbank dat onbetwist is gebleven dat er op 16 januari 2013 geen sneeuw is gevallen. Met grief 8 en 9 klaagt [appellant] over de conclusie dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarvoor Mondo niet aansprakelijk is, zodat Mondo niet onrechtmatig heeft gehandeld en de vorderingen aldus zijn afgewezen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

Grief 10 ziet tenslotte op de proceskostenveroordeling van [appellant] als de partij die in het ongelijk werd gesteld.

3.3

[appellant] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Mondo heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens het maatschappelijk verkeer betaamt, nu zij een op haar rustende zorgplicht heeft verzaakt door niet de benodigde voorzorgsmaatregelen te treffen ter voorkoming van schade als gevolg van een gevaarlijke situatie. Of voldoende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen moet worden beoordeeld aan de hand van de Kelderluikcriteria. Volgens [appellant] heeft er op 16 januari 2013 ten onrechte geen gladheidsbestrijding plaatsgevonden en zijn er geen waarschuwingsborden geplaatst.

Mondo betwist dat van haar meer verlangd had kunnen worden dan zij heeft gedaan. Daarbij acht zij van belang dat het gebruik van het bedrijfsterrein niet intensief was en dat er niet met hoge snelheden wordt gereden. Het was in januari 2013 winters weer. Mondo had een gespecialiseerd bedrijf opgedragen aan gladheidsbestrijding te doen, hetgeen de dag voor het ongeval nog was gebeurd. Sindsdien was er geen neerslag meer gevallen en er waren die dag geen signalen geweest dat het glad zou zijn ter plaatse.

3.4

Partijen zijn het erover eens dat de vraag of Mondo onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] beantwoord dient te worden aan de hand van de zogeheten Kelderluikcriteria. Volgens deze criteria kan alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval worden beoordeeld of en in hoeverre aan iemand die een situatie in het leven roept die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen treft.

Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

3.5

Het hof stelt voorop dat de metalen weegplaat waarover het in deze zaak gaat bij winterse omstandigheden glad kan worden. Dat van winterse omstandigheden sprake was, is tussen partijen niet in geschil. Evenmin is in geschil dat het kan voorkomen dat de chauffeur van een vrachtwagen die gebruik maakt van de weegplaat, in voorkomend geval zal uitstappen en over de plaat zal lopen. Bij winters weer levert dit een gevaar van vallen op. Daarmee ligt de vraag voor of Mondo voldoende en adequate maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van dit gevaar.

3.6

Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Mondo heeft, onder overlegging van een factuur, onderbouwd dat een door haar ingeschakeld, in gladheidsbestrijding gespecialiseerd bedrijf op 14 januari 2013 200 kg zout heeft gestrooid en dat dit bedrijf op 15 januari 2015 tweemaal 200 kg zout heeft gestrooid en een uur sneeuw heeft geruimd. Mondo heeft verder onder verwijzing naar een weerjournaal aangevoerd dat op 16 januari 2013 geen neerslag is gevallen. Voorts heeft Mondo een foto overgelegd die, naar zij onbestreden heeft gesteld, de situatie ter plaatse een dag na het ongeval weergeeft. Op die foto is geen noemenswaardige sneeuw op de weegplaat zichtbaar. Tegen deze achtergrond had het op de weg van [appellant] gelegen om nader te onderbouwen dat de weegplaat ten tijde van het ongeval was besneeuwd. Nu [appellant] dat heeft nagelaten, kan niet als vaststaand worden aangenomen dat er op het moment van de val sprake was (geweest) van sneeuwval en dat er sneeuw op de weegplaat lag. Grief 7 faalt derhalve.

3.7

Naar het oordeel van het hof moeten de door Mondo getroffen maatregelen, bestaande in het hiervoor genoemde vegen en herhaaldelijk strooien van het terrein op de dagen dat winterse neerslag viel, in het algemeen als voldoende worden beschouwd ter voorkoming van het gevaar van vallen. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat het hier gaat om een bedrijventerrein dat - naar door Mondo gesteld en door [appellant] onvoldoende weersproken - niet intensief werd gebruikt. Geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de conclusie rechtvaardigden dat in deze situatie meer of andere maatregelen van Mondo konden worden verlangd, temeer nu Mondo na de laatste strooi- en veegwerkzaamheden geen meldingen of signalen had ontvangen van gladheid. [appellant] heeft aldus geen omstandigheden gesteld op grond waarvan Mondo gehouden was meer maatregelen te nemen ter bestrijding van gladheid dan zij heeft gedaan. In elk geval kan niet als juist worden aanvaard dat de getroffen maatregelen reeds als onvoldoende moeten worden gekwalificeerd als op enig moment ergens op het terrein gladheid voorkomt.

3.8

[appellant] heeft nog aangevoerd dat van Mondo verlangd had kunnen worden dat hij waarschuwingsborden had geplaatst teneinde chauffeurs opmerkzaam te maken op mogelijke gladheid, zijnde dit een niet-bezwaarlijke maatregel. Mensen passen in het algemeen na het zien van een waarschuwingsbord hun handelwijze meer aan de omstandigheden aan dan wanneer zij niet zijn gewaarschuwd, aldus [appellant] . Mondo betwist dat zij zou zijn gehouden te waarschuwen voor hetgeen als algemeen bekend mag worden verondersteld.

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of het plaatsen van waarschuwingsborden in deze situatie redelijkerwijs van Mondo verlangd kon worden, reeds nu het vereiste causale verband met het ongeval ontbreekt. [appellant] heeft immers gesteld dat hij wist dat hij voorzichtiger moest lopen omdat het al een paar dagen had gesneeuwd. Hij verklaarde tijdens de comparitie in eerste aanleg dat hij ook daadwerkelijk voorzichtig liep en dat hij stevige werkschoenen droeg met goed profiel. Het valt dan ook - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet dadelijk in te zien waartoe een waarschuwingsbord in dit geval had geleid. [appellant] heeft met name niet gesteld dat en op welke wijze hij anders had gehandeld indien hij was gewaarschuwd voor gladheid, en dat daarmee de val zou zijn voorkomen.

3.9

Het hof komt aldus tot de conclusie dat van onrechtmatig handelen van Mondo in de zin van artikel 6:162 BW geen sprake is geweest. Als deze zaak beoordeeld zou worden langs de criteria van artikel 6:174 BW, dan leidt dit niet tot een andere uitkomst. Immers, bij het antwoord op de vraag of de weegplaat - ten tijde van de val van [appellant] - voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld, en dus niet gebrekkig was, komt het aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de Kelderluikcriteria. (vgl. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283). Als hierboven uiteengezet, leidt toetsing aan deze Kelderluikcriteria niet tot aansprakelijkheid van Mondo.

3.10

Het voorgaande brengt mee dat de grieven 1 tot en met 9 falen, nu deze niet tot een andere beslissing kunnen leiden. Grief 10 deelt daarmee het zelfde lot. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Mondo begroot op € 711,- aan verschotten en € 894,- voor salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W.H. Vink, J.F. Aalders en J.M. de Jongh en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.