Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4303

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
200.143.483/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van ECLI:NL:RBAMS:2013:7705. Na bewijs komt ook het hof tot het oordeel dat de appellante als contractuele wederpartij van de geïntimeerde heeft te gelden. Bekrachtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.143.483/01

zaak- en rolnummer rechtbank: C/13/546377 / HA ZA 13-784 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MAGNUS TECHNOLOGY CONSULTANTS B.V.,

gevestigd te Naarden,

appellante,

advocaat: mr. A.J. Tekstra te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROND CONSULTING B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.D. van de Kant te Amsterdam,

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom Magnus en Rond genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 18 november 2014 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Ingevolge het tussenarrest heeft Rond op 19 maart 2015 twee getuigen en op 30 april 2015 nog één getuige doen horen. De daarvan opgemaakte processen-verbaal, met de door de getuigen overgelegde stukken, zijn bij de gedingstukken gevoegd.

Magnus heeft een memorie na enquête genomen. Op de door Rond ingestelde incidentele vordering is bij arrest van 19 januari 2016 beslist. Daarna heeft Magnus een nadere akte genomen en heeft Rond voor memorie van antwoord na enquête geconcludeerd.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest is Rond toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat Magnus als haar wederpartij bij de overeenkomst van 2 november 2011 heeft te gelden.

Zij heeft in dat kader als getuigen voorgebracht [getuige 1] , directeur van Rond, [getuige 2] , en [getuige 3] . Deze getuigen (die hierna met hun achternaam worden aangeduid) hebben, voor zover thans van belang, als volgt verklaard:

2.1.1.

[getuige 1] :

“Ik heb van 1998 tot 2003 bij Magnus gewerkt, ik weet niet welke juridische entiteit uit de Magnus groep er op mijn arbeidscontract stond, maar ik werkte bij het onderdeel Magnus Management Consultants.

(…) Ik heb toen een gesprek gehad met [getuige 2] , hij vroeg drie dagen bedenk tijd voordat hij besliste of hij bij ons kwam werken. Dat was een gesprek op de inhoud. Ik heb met hem niet in detail besproken hoe zijn positie bij zijn huidige werkgever in elkaar zat, ik heb ook niet een arbeidscontract gezien. Ik wist echter dat hij was ingezet bij NS en ik weet uit de praktijk dat er in dat soort situaties eigenlijk altijd een relatiebeding geldt. Ik heb daarom geprobeerd om met zijn werkgever daarover in contact te komen, dat was Topforce. (…) Ik wist echter dat de aandelen Topforce waren overgenomen door het Magnus concern, waar ik zelf gewerkt heb. Bij Magnus kende ik dus ook mensen. Het was inmiddels eind september 2011 en [getuige 2] zou op 1 oktober 2011 voor ons bij NS verder gaan en daarom heb ik eind september contact opgenomen met [getuige 3] die ik uit mijn Magnus tijd ken. Ik heb hem gevraagd, telefonisch, of er wat te regelen zou zijn. Mij wordt de e-mail van 27 september 2011 getoond, ik kan mij niet herinneren of ik daarvoor of daarna met hem gebeld heb. (…) Ik heb vervolgens met [getuige 3] afgesproken op kantoor in Amersfoort. Ik zoek voor u in mijn Google agenda uit 2011 op dat dat geweest is op 5 oktober. Wij kennen elkaar goed, het was een prettig zakelijk gesprek, waar verder niemand bij was. Ik had begrepen dat [getuige 3] de eindbaas was bij Magnus, dat wil zeggen dat hij mocht tekenen. Ik wist niet wat zijn positie bij Topforce eventueel was. Ik wist wel dat hij niet de CEO bij Magnus was. Een groot deel van dat gesprek ging over de ergernis aan de kant van Magnus over het ronselen van mensen. [getuige 2] zou de tweede in twee jaar tijd zijn (…). Verder is nog ter sprake gekomen dat Magnus wilde groeien en misschien wel geïnteresseerd was in overname van Rond. Over Topforce had ik, van mijn office manager mevrouw [X] , gehoord dat dat bedrijf het financieel niet goed maakte. Het staat mij zo bij dat zij mij meldde over Topforce “die hut is zo goed als failliet.” Zij had dat weer gehoord van haar partner, die daar meer zicht op had dan ik. Ik heb daarom in het gesprek met [getuige 3] gezegd dat ik had gehoord dat het niet goed ging met Topforce en dat ik me daar zorgen om maakte. [getuige 3] ging daar niet op in. Ik heb niet aangedrongen, ik ken hem goed en aandringen zou geen zin gehad hebben. Omdat het hele gesprek ging over kwesties die het concern Magnus aangingen vond ik het ook niet nodig om daar meer over te zeggen. Aan het einde van dat gesprek heeft [getuige 3] gezegd dat hij wat huiswerk ging doen en het ging kortsluiten. Hij dacht in de richting van het terugbrengen van het relatiebeding van [getuige 2] van 12 naar 8 maanden, [getuige 2] zou dan ingezet kunnen blijven bij NS maar er moest wel een bedrag tussen zitten. Definitieve afspraken hebben we toen niet gemaakt, hij zou zorgen voor draagvlak. (…) Ik heb er vervolgens, voor zover ik mij kan herinneren, niets meer over gehoord totdat de brief die als productie 1 bij dagvaarding is gevoegd binnenkwam, met daarbij ook het tot productie 1 horende contract en de daarbij gevoegde bijlagen A en B. Ik kan mij niet meer herinneren of dat contract door [getuige 3] al getekend was of niet, ik denk het wel. Ik heb in dat contract, in het bijzonder in de vermelding Magnus/Topforce B.V. niets bijzonders gezien. Het is in de branche gebruikelijk dat wanneer er zaken gedaan wordt met een organisatie die meerdere labels gebruikt dat een dergelijk label wordt vermeld. Het is heel normaal dat er uit verschillende juridische entiteiten wordt gewerkt en dat bijvoorbeeld de facturen via een andere entiteit lopen dan de gene waarmee het contract gesloten is. Uit mijn eigen tijd bij Magnus weet ik dat het contractnummer toen bestond uit het acroniem van de specifieke vennootschap in dit geval MTC. Die afkorting bestond toen ik daar werkte nog niet, maar ik heb het opgevat als Magnus Technology Consultants, vervolgens het jaar 2011, dan de maand, 11 dat wil zeggen november, de dag, 2. Achter de schuine streep EA voor [getuige 3] en MR voor de administratief medewerkster. Van mijn eigen office manager had ik voor het sluiten van het contract begrepen dat dit geen Topforce contract was; van haar begreep ik dat Topforce zijn contracten niet op deze manier nummerde, daar werd gewoon doorgenummerd, zonder vermelding van jaar, maand en dag. Daar werden ook geen initialen in het contractnummer verwerkt. Wat mij betreft was dit dus, precies zoals ik het had verwacht, een contract tussen Rond en de Magnus groep. Ik heb daarover geen juridisch advies ingewonnen, het leek mij eigenlijk duidelijk. Ik heb bovendien gezien dat het adres van Magnus/Topforce het mij bekende adres van Magnus in Naarden was, terwijl Topforce in Rotterdam zit. Inmiddels heb ik begrepen dat Magnus stelt dat haar administratieve organisatie in Naarden zat, ik weet niet of dat klopt maar ik wist dat in elk geval toen niet. Ik heb getekend en het is door mijn office manager teruggestuurd, ik weet niet waar naartoe precies. [getuige 2] is gewoon bij NS aan het werk gebleven en ik heb aan deze kwestie verder geen aandacht besteed en daarover, voor zover ik mij kan herinneren, ook met niemand gesproken. (…) Toen Topforce eenmaal failliet was gegaan is in het faillissement geen vordering ingediend vanwege deze facturen.“

2.1.2

[getuige 3] :

“Ik werk sinds 2012 niet meer bij Magnus Technology Consultants B.V. (MTC), (…) In 2011 was ik in dienst bij mijn eigen beheer B.V. en die B.V. had een managementovereenkomst met MTC, ik was feitelijk managing director en bestuurder van MTC. MTC had in het voorjaar van 2011 onder mijn leiding de aandelen overgenomen in de 100% moedervennootschap van Topforce. Ik was dus indirect ook bestuurder van Topforce. Topforce was door ons overgenomen omdat zij een iets andere invalshoek in het consultancy werk vertegenwoordigde, meer de web kant, dan MTC. Het ging met Topforce ten tijde van de overname niet erg goed. Met name om die reden is er door MTC voor gekozen om, anders dan bij eerdere overnames, het bedrijf niet te integreren in de Magnus groep maar voort te laten bestaan als zelfstandige vennootschap. Dat is overigens niet naar buiten toe gecommuniceerd. Mede tegen die achtergrond is de naam die Topforce voerde ook gehandhaafd en is formeel niet een handelsnaam waarin het woord Magnus voorkwam aangenomen. Informeel was het wel zo dat het bedrijf als Magnus/Topforce werd aangeduid.

Rond Consulting was een concurrent van MTC in de markt. Omdat ik de heer [getuige 1] , die daar directeur was, al jaren kende was mijn verhouding met Rond echter niet onplezierig.

Ik kan mij niet herinneren hoe ik op de hoogte ben gekomen van het probleem met de heer [getuige 2] . (…) Ik heb met het oog op deze zitting nog wel in de archieven gezocht, maar ik ben behalve de e-mail van mij aan [getuige 1] die al in de procedure is overgelegd geen relevante stukken tegengekomen. In het algemeen is het niet ongebruikelijk dat consultants relatiebedingen hebben. Als zo’n consultant dan overstapt naar een ander werkgever, maar dezelfde klant wil blijven bedienen is dat dus een probleem. Dat is iets dat ik in het algemeen gesproken vaker ben tegengekomen. Ik kan mij niet herinneren dat ik specifiek met Rond dat probleem eerder had gehad. Voor mijzelf reconstruerend moet het zo zijn geweest (...) dat [getuige 1] mij op enig moment gebeld heeft om te vragen of wij dat probleem met [getuige 2] , die bij NS wilde blijven werken, konden oplossen. Als [getuige 1] zelf zegt dat dat gesprek eind september 2011 geweest is kan dat best kloppen. Ik herinner mij dat ik [getuige 1] in ieder geval één keer maar mogelijk ook een tweede keer heb gesproken op zijn nieuwe kantoor. Ik heb geprobeerd om op te zoeken wanneer dat geweest is, maar ik kan dat niet meer terugvinden. Als [getuige 1] zegt dat dat 5 oktober 2011 geweest is kan dat best, het was in elk geval wel in dat najaar. Aan dat gesprek, en ook aan het mogelijke vervolggesprek, heb ik geen duidelijke herinneringen. Ik weet dat we het hebben gehad over de mogelijke overname van Rond door MTC. (…) Op enig moment zal in dat gesprek het probleem [getuige 2] vast ter sprake zijn geweest, maar wat wij daarover precies tegen elkaar hebben gezegd zou ik niet meer weten. (…) Het is best mogelijk dat ik in algemene zin tegen [getuige 1] gezegd heb dat [A] en [B] moeite hadden met het overnemen van werknemers door Rond; dat is met name vervelend als daarmee ook een klant overgaat naar een concurrent, zeker als dat een goede klant is zoals NS. (…) . U houdt mij voor dat [getuige 1] heeft verklaard dat hij mij heeft gevraagd naar de financiële situatie van Topforce. Ik weet dat niet meer, maar als die vraag gesteld is zal ik daar geen antwoord op hebben gegeven. Rond was tenslotte een concurrent.

Ik heb vervolgens die mail gestuurd waarover ik al sprak. Volgens mij moet [getuige 1] daaruit begrepen hebben dat het ging om een overeenkomst tussen Rond en Topforce. [getuige 2] was een Topforce man, NS was een Topforce klant. Als hem dat niet duidelijk was zou ik verwacht hebben dat hij daar verder op doorgevraagd had.

Vervolgens is een overeenkomst opgemaakt en door mij namens Topforce en door [getuige 1] namens Rond getekend. Die overeenkomst lijkt erg op andere overeenkomsten die MTC sloot, want die is op basis van het MTC template opgesteld. Dit contract is in de markt heel gebruikelijk, zowel qua formulering als qua voorwaarden. Ik kan dat zeggen omdat ik in de markt heel veel van dit soort contracten heb gezien. Nadat MTC Topforce had overgenomen was het de bedoeling dat alle nieuwe contracten van Topforce via dit template werden opgemaakt. Dat had ik graag zo, want dan wist ik zeker dat alles er netjes in stond en kon ik tekenen. De nummering van die contracten werd aangebracht op de administratieve afdeling in Naarden. Die is inderdaad zo opgebouwd dat daar eerst MTC staat, dan een gecodeerde datum, de initialen van de ondertekenaar en de initialen van de betrokken medewerkster van de financiële administratie. Wel is het zo dat in de overeenkomst in deze zaak duidelijk Magnus/Topforce B.V. staat. Ik overhandig u een kopie van een ander contract uit diezelfde tijd van MTC, ook door mij ondertekend en op dezelfde wijze opgesteld met gebruikmaking van dezelfde template. U ziet dat daar duidelijk MTC B.V. als contractant vermeld is. (…)

In de interne administratie was het zo dat weliswaar de financiële afdeling die werd geleid door [C] de administratie van zowel Topforce als MTC voerde, maar gescheiden van elkaar. Het was namelijk zo dat er met de oude eigenaren van Topforce, [1] , [2] en [3] , earn-out afspraken gemaakt waren. Het was dus zaak dat in de administratie geen grijs gebied ontstond, het moest volstrekt duidelijk zijn welke inkomsten en uitgaven op Topforce zagen en welke op MTC. Daar werd ook op toegezien, [C] wist van het belang daarvan. [C] heeft ook contact opgenomen over de tenaamstelling van de facturen. (…) Mijn bemoeienis met Topforce hield in dat ik zo nu en dan op het kantoor in Rotterdam kwam. (…) Tot mijn vertrek bij MTC, toen het faillissement van Topforce al voor driekwart was afgewikkeld, heb ik niet geweten dat Rond de facturen waar het hierom gaat niet in het faillissement had ingediend. Ik heb daar [getuige 1] ook niet meer over gesproken

(…)”

2.1.3

De verklaring van [getuige 2] komt erop neer dat hij aanvankelijk in dienst was bij Topforce, dat hij toen werkte aan een project bij NS, dat hij een relatiebeding had en dat hij met [getuige 1] besproken heeft dat hij, als hij overstapte naar Rond, niet voor NS zou kunnen blijven werken als er niet iets aan dat relatiebeding werd gedaan. Hij heeft vervolgens met [getuige 1] besproken dat deze dat probleem met [getuige 3] zou regelen. Later heeft [getuige 1] hem medegedeeld dat hij [getuige 3] gesproken had en dat het geregeld was. De stukken -het contract, de aanbiedingsbrief en de bijlagen- heeft [getuige 2] niet gezien.

2.2

Het komt er bij de vraag of Rond geslaagd is in het bewijs niet zozeer op aan wat partijen destijds hebben bedoeld; de interne bedoelingen van, in dit geval, [getuige 3] als directeur van zowel Magnus als Topforce zijn immers niet zonder meer kenbaar voor de andere partij, ( [getuige 1] als directeur van) Rond. Het gaat om de betekenis die Rond, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs heeft mogen toekennen aan de verklaringen en gedragingen van [getuige 3] (art. 3:35 BW). Het is dus voldoende als Rond op grond van de bewezen feiten en omstandigheden in redelijkheid hetgeen rond het sluiten van de overeenkomst is gezegd en geschreven zo kon opvatten dat zij de overeenkomst sloot met Magnus.

2.3

Het hof is van oordeel dat het bewijs geleverd is. Bij de bewijswaardering heeft de verklaring van [getuige 1] , naar Magnus terecht aanvoert, te gelden als verklaring van een partijgetuige. Die verklaring heeft gediend ter aanvulling van het schriftelijk bewijsmateriaal en de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] .

De bewijsbeoordeling wordt hierna toegelicht.

2.3.1

[getuige 2] was bezig met een opdracht bij NS. Zowel hij als Rond wilden dat hij die werkzaamheden zou kunnen voortzetten nadat hij was overgestapt van Topforce naar Rond. Omdat het relatiebeding van [getuige 2] daaraan in de weg stond wilde [getuige 1] , directeur van Rond, een regeling treffen. [getuige 1] wist dat Topforce was overgenomen door het Magnus-concern. (Uit de verklaring van [getuige 3] blijkt dat Topforce weliswaar niet in het concern geïntegreerd was, maar ook dat daaraan naar buiten toe geen ruchtbaarheid gegeven was.) Tegen die achtergrond lag het voor de hand dat [getuige 1] dacht dat hij zaken kon doen met [getuige 3] , die hij kende uit de tijd dat zij allebei bij de Magnus-organisatie werkten en die gepresenteerd was als de eindverantwoordelijke van Magnus. ( [getuige 3] was, naar uit zijn eigen verklaring blijkt, ook inderdaad bevoegd om Topforce te vertegenwoordigen.) In het kader van de onderhandelingen heeft [getuige 3] in de mail van 27 september 2011 geschreven: is het voorstel dat Magnus 15 Euro marge krijgt… het contract met de NS via Magnus loopt. Vervolgens hebben [getuige 3] en [getuige 1] op 5 oktober 2011 een gesprek gevoerd. In dat gesprek heeft [getuige 3] zich voornamelijk als vertegenwoordiger van Magnus gepresenteerd, zo valt uit hun beider verklaringen op te maken. De mogelijkheid van een overname van Rond door het Magnus-concern was immers een belangrijk gespreksonderwerp. Volgens Rond heeft [getuige 3] aan het eind van het gesprek gezegd dat hij dacht aan een regeling waarbij het relatiebeding teruggebracht zou worden, [getuige 2] bij NS ingezet zou blijven en er een bedrag tussen zou zitten. [getuige 3] heeft daar geen specifieke herinnering aan, maar dit is geheel in lijn met voornoemde mail van 27 september 2011. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van deze verklaring. Vervolgens heeft [getuige 1] een overeenkomst ter ondertekening ontvangen die daarmee in overeenstemming is. Die overeenkomst d.d. 2 november 2011 is, naar [getuige 3] als getuige bevestigt, opgemaakt volgens een template van Magnus. [getuige 1] kende en herkende dat template, uit zijn tijd bij het Magnus-concern. Bij de overeenkomst was een aanbiedingsbrief gevoegd, op briefpapier waarop groot Magnus (en klein Topforce) staat. Die brief, en de overeenkomst, waren door [getuige 3] ondertekend in zijn hoedanigheid van directeur Magnus/Topforce.

In die situatie kon [getuige 1] , zoals hij heeft verklaard, redelijkerwijs begrijpen dat Magnus de contractuele wederpartij van Rond was. De e-mail van 27 september 2011 wees daarop, evenals het Magnus-template van de overeenkomst en de omstandigheid dat [getuige 3] , die hij kende als behorende tot de Magnus-organisatie en die bevoegd was Magnus te vertegenwoordigen, de kwestie met hem op 5 oktober 2011 had besproken.

[getuige 3] heeft in de mail noch in het gesprek duidelijk gemaakt dat hij, desalniettemin, louter voor Topforce en niet voor Magnus sprak. De gang van zaken en de inhoud van de afspraken gaven [getuige 1] ook geen aanleiding om dat aan te nemen. Topforce is in het gesprek ter sprake geweest en [getuige 1] heeft daarover gezegd dat hij had gehoord dat die onderneming het financieel niet goed maakte. [getuige 3] heeft daarop niet gereageerd. Hij heeft daarin kennelijk geen aanleiding gezien meer duidelijkheid omtrent de positie van Topforce te scheppen. Dat had wel op zijn weg gelegen. Hij had immers, gelet op de totale situatie, kunnen en moeten begrijpen dat [getuige 1] in de veronderstelling verkeerde dat hij, [getuige 3] , namens Magnus althans namens de Magnus-organisatie sprak. De toevoeging ‘Topforce’ aan Magnus behoefde voor Rond niet meer of anders in te houden dan de aanduiding van een inmiddels door Magnus ingelijfde onderneming.

2.3.2

Dat Rond toen daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat [getuige 3] voor Magnus was opgetreden blijkt uit de omstandigheid dat de facturen op naam van Magnus zijn gezet en naar Magnus in Naarden (en niet naar Topforce in Rotterdam) zijn gestuurd. Dat Rond dat ook later nog meende blijkt uit de omstandigheid dat de facturen niet bij de curator zijn ingediend ter verificatie in het faillissement van Topforce.

2.4

Magnus wijst op een aantal aspecten die er volgens haar toe moeten leiden dat het bewijs niet geleverd is.

2.4.1

Voor een deel gaat het daarbij om interne, voor [getuige 1] niet kenbare, kwesties zoals de administratieve scheiding tussen Topforce en Magnus wegens de met de oude eigenaren van Topforce gemaakte afspraken. Die kunnen bij de vraag wat Rond redelijkerwijs mocht begrijpen geen rol spelen.

2.4.2

Vervolgens wijst Magnus op de wetenschap bij Rond dat [getuige 2] bij Topforce had gewerkt en door Topforce bij NS was geplaatst.

Dat [getuige 1] wist dat [getuige 2] bij Topforce gewerkt had, dat NS een klant van Topforce was en dat [getuige 2] dus door Topforce bij NS geplaatst was staat vast. Dat brengt echter niet mee dat [getuige 1] daarom had moeten begrijpen dat niet Magnus maar Topforce zijn wederpartij zou zijn. [getuige 1] en [getuige 3] wilden immers, blijkens de bereikte oplossing, beiden dat NS buiten de kwestie werd gehouden in die zin dat jegens NS zou worden gehandeld alsof de situatie onveranderd was. Daarbij paste een overeenkomst met Magnus net zo goed als een overeenkomst met Topforce. De meer genoemde mail van 27 september 2011 repte bovendien van een marge voor Magnus, niet voor Topforce.

Voormelde wetenschap brengt dus niet mee dat het bewijs niet geleverd is.

2.4.3

Ten slotte wijst Magnus op de omstandigheid dat na verzending van de eerste factuur de tenaamstelling op de volgende facturen op verzoek van Topforce B.V. is gewijzigd van Magnus/Topforce B.V. in Topforce B.V. en het feit dat enkele daarop volgende facturen door Topforce B.V. zijn voldaan.

Dit zijn omstandigheden die op het moment van het sluiten van de overeenkomst geen rol gespeeld hebben en dus niet rechtstreeks van belang zijn voor het bewijs wie volgens Rond toen haar contractspartner was.

Als Magnus daarmee heeft bedoeld te stellen dat uit de gedragingen van Rond na het sluiten van de overeenkomst blijkt, dat zij van meet af aan wist dat Topforce en niet Magnus haar wederpartij was wordt die stelling verworpen. De omstandigheid dat Rond, achteraf, (op administratief niveau) heeft ingestemd met een andere tenaamstelling van de facturen wijst er niet ondubbelzinnig op dat Rond wist dat Topforce en niet Magnus haar contractuele wederpartij was. De instemming met de gewijzigde adressering in een later stadium laat zich evenzeer verklaren door de wens de wederpartij ter wille te zijn. [getuige 1] heeft als getuige verklaard heeft dat het in de branche niet ongebruikelijk is dat desgewenst aan een andere juridische entiteit dan de contractuele wederpartij gefactureerd wordt. Bij het factureren aan een andere juridische entiteit hoort ook het betaald worden door die ander. Meer in het algemeen kan uit de acceptatie van een betaling niet zonder meer de conclusie worden getrokken omtrent de verhouding tussen de betaler en de ontvanger, nu betalingen ook door derden kunnen geschieden.

2.5

Voor zover nog een rol speelt dat juist deze vennootschap uit het Magnus-concern de contractuele wederpartij van Rond was en niet een andere, merkt het hof op, dat volgens zowel [getuige 1] als [getuige 3] binnen het Magnus-concern werd gewerkt met een codering, waarbij de diverse entiteiten elk hun eigen afkorting hadden. Op de onderhavige overeenkomst en correspondentie is MTC vermeld, hetgeen volgens deze getuigen op deze specifieke vennootschap slaat.

2.6

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Magnus zal als in het ongelijk gestelde partijen worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep, met dien verstande dat de kosten van het incident voor rekening van Rond komen, zoals reeds in het tussenarrest is beslist.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Magnus in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Rond begroot op € 1.920,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt Rond in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van Magnus begroot op € 894,= voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, A.S. Arnold en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.