Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4293

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2016
Datum publicatie
04-11-2016
Zaaknummer
23-000357-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Exploitant coffeeshop. Verwerping verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf (9a Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000357-16

datum uitspraak: 3 november 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 19 januari 2016 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 december 2012 in de strafzaak onder parketnummer 09-860015-11 tegen

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [vestigingsadres] Lisse .

Procesgang

De rechtbank 's-Gravenhage heeft de verdachte bij vonnis van 21 december 2012 schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft in hoger beroep bij arrest van 2 juli 2014 het vonnis vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging.

De advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 19 januari 2016 het arrest van het gerechtshof van

2 juli 2014 vernietigd, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam verwezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg van 20 april 2012, 8 juni 2012, 27 augustus 2012, 14 november 2012, 30 november 2012 en 4, 5, 6 en 7 december 2012 en, na verwijzing op de terechtzitting van dit hof van 20 oktober 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadslieden van de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

(zaaksdossiers 2, 4, 6, 8, 9, 12 en 15)

[verdachte] B.V. in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 28 november 2011 te Noordwijk en/of Noordwijkerhout en/of Leiden en/of Hillegom en/of Lisse en/of Nieuw Vennep, althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (in elk geval) (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid hennep en/of een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of hasjiesj (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd) te weten (onder meer):

  1. in het pand aan de [adres] te Noordwijk op of omstreeks 20 juni 2011 een (grote) hoeveelheid hennep en/of hasjiesj van in totaal (ongeveer) 30.000 gram (zaaksdossier 2) en/of

  2. in het pand aan de [adres] te Noordwijkerhout op of omstreeks 20 juni 2011 (ongeveer) 80 hennepplanten (zaaksdossier 4) en/of

  3. in het pand aan de [adres] te Nieuw-Vennep op of omstreeks 7 mei 2011 en/of 20 juni 2011 een (grote) hoeveelheid van in totaal (ongeveer) 17.800 gram hennep en/of hasjiesj (zaaksdossier 9) en/of

  4. in het pand aan de [adres] te Hillegom op of omstreeks 20 juni 2011 een (grote) hoeveelheid van in totaal (ongeveer) 19.180 gram hennep en/of hasjiesj (zaaksdossier 12) en/of

  5. in het pand aan de [adres] te Leiden (coffeeshop [coffeeshop 1] ) op of omstreeks 20 juni 2011 een (grote) hoeveelheid van in totaal (ongeveer) 575,71 gram hennep en/of hasjiesj (zaaksdossier 6) en/of

  6. in het pand aan de [adres] te Leiden (coffeeshop [coffeeshop 1] ) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 januari 2008 tot en met 2 januari 2011 een of meer(grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of hasjiesj (zaaksdossier 6) en/of

  7. in het pand aan de [adres] te Lisse (coffeeshop [coffeeshop 2] ) op of omstreeks 20 juni 2011 een (grote) hoeveelheid van in totaal (ongeveer) 1.601,25 gram hennep en/of hasjiesj (zaaksdossier 8) en/of

  8. in het pand aan de [adres] te Lisse (coffeeshop [coffeeshop 2] ) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 januari 2008 tot en met 27 november 2010 een of meer (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of hasjiesj (zaaksdossier 8) en/of

  9. in het pand aan de [adres] te Leiden (coffeeshop [coffeeshop 3] ) op of omstreeks 20 juni 2011 een (grote) hoeveelheid van in totaal (ongeveer) 243,96 gram hennep en/of hasjiesj (zaaksdossier 15) en/of

  10. in het pand aan de [adres] te Leiden (coffeeshop [coffeeshop 3] ) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juli 2008 tot en met 12 juni 2011 een of meer (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep en/of hasjiesj (zaaksdossier 15),

althans (telkens) meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj en/of marihuana, zijnde hennep en/of hasjiesj, (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

2.

(zaaksdossier 19)

[verdachte] B.V. in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2011 te Noordwijk en/of Leiden en/of Lisse , althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (gewoonte) witwassen, hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s), (een of meer) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 10.500.000 euro, althans in totaal (ongeveer) 7.000.000 euro, in elk geval enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die

voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en), onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

(zaaksdossier 22)

[verdachte] B.V. in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 28 november 2011 te Noordwijk en/of Leiden en/of Lisse , in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van haar, verdachte, en/of een of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten in elk geval [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [verdachte 4] B.V. en/of een of meer (andere) natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijf/misdrijven, namelijk het overtreden van

- artikel 3 Opiumwet en artikel ii tweede en/of derde en/of vijfde lid Opiumwet, te weten het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, en/of (in elk geval) (telkens) opzettelijk aanwezig hebben van (grote) hoeveelheid/hoeveelheden hennep(planten)

en/of delen daarvan en/of hasjiesj (een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), althans (telkens) (een)

hoeveelheid/hoeveelheden meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of een middel als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet vermeld op de bij die wet behorende lijst II

en/of

- artikel 420bis (opzettelijk witwassen) Wetboek van Strafrecht en/of artikel 420ter (gewoontewitwassen) Wetboek van Strafrecht, te weten het (telkens) verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten althans gebruik maken van (een) voorwerp(en), te weten onder meer een of meer

geldbedrag(en), terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat voornoemd(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

In het vervolg van dit arrest zullen de verdachte en de gelijktijdig terechtstaande verdachten [verdachte 2] , [verdachte 4] B.V. en [verdachte 3] mede met hun eigen naam worden aangeduid.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging. Dit verweer is gestoeld op twee pijlers.

De verdachte kon en mocht erop vertrouwen dat tegen haar geen strafvervolging zou worden ingesteld. In het onderhavige geval doet de uitzonderlijke situatie zich voor dat vervolging is ingesteld, nadat aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen c.q. daarmee gelijk te stellen gedragingen bij de verdachte en de haren het vertrouwen hebben gewekt dat geen vervolging zou worden ingesteld voor de gedragingen als die in de onderhavige zaak zijn tenlastegelegd. Meer in het bijzonder is de aanvoer van hennep(producten) vanuit een externe locatie door de lokale driehoek steeds op de koop toe genomen en maakt aldus deel uit van het naar de verdachte en de haren uitgedragen beleid. Daarbij komt, dat het hof ’s-Gravenhage in het arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:1566) in een vergelijkbare casus terecht heeft geoordeeld dat de Aanwijzing Opiumwet op één lijn moet worden gesteld met een voldoende concrete uitlating van het Openbaar Ministerie om aan vervolging in de weg te staan, zolang de coffeeshop volgens de (gedoog)regels wordt geëxploiteerd.

De tweede pijler van de onderbouwing van het verweer houdt het volgende in. Geconcludeerd moet worden dat de vervolgingsbeslissing getuigt van aperte onevenredigheid, omdat die beslissing onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Nimmer heeft het Openbaar Ministerie van zich doen spreken bij verlengingen van de exploitatievergunningen. Na veel jaren van uitdrukkelijk gedogen kan bezwaarlijk worden volgehouden dat plotsklaps enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang aan de orde is. Zo bezien kan van de onderhavige vervolging niet worden gezegd dat een redelijk handelend officier van justitie heeft kunnen oordelen dat met die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang aan de orde is.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft namens het Openbaar Ministerie geconcludeerd tot verwerping van dit verweer. Zij heeft daarbij gewezen op achtereenvolgens het in de artikelen 167, tweede lid en 242, tweede lid, Sv verankerde positieve opportuniteitsbeginsel en op de inhoud van de arresten van de Hoge Raad, in het bijzonder die welke zijn gewezen inzake Checkpoint op 2 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:7) op 26 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:740). Tot slot heeft zij aandacht gevraagd voor de inhoud van het arrest van de Hoge Raad dat in de onderhavige zaak op 19 januari 2016 is gewezen.

Het oordeel van het hof

De feitelijke gang van zaken

In deze zaak staan [verdachte 2] , [verdachte 4] , [verdachte] en [verdachte 3] gelijktijdig terecht.

[verdachte 4] exploiteert de coffeeshops [coffeeshop 3] in Leiden en [coffeeshop 2] in Lisse en [verdachte] exploiteert coffeeshop [coffeeshop 1] in Leiden. [verdachte 3] is directeur van voornoemde rechtspersonen. Op grond van de stukken in het dossier moet het ervoor worden gehouden dat [verdachte 2] een aanmerkelijk belang heeft in de vennootschappen [verdachte 4] en [verdachte] . Voorts is gebleken dat [verdachte 4] en [verdachte] over en weer de overige aandelen van elkaar bezitten.

De gemeenten Leiden en Lisse hebben exploitatievergunningen ( Lisse ) en verlofbeschikkingen (Leiden) voor de exploitatie van voornoemde coffeeshops (af)gegeven, die telkens werden verlengd, ook tijdens de tenlastegelegde periodes. De verdachte rechtspersoon streefde ernaar aan alle gedoogvoorwaarden, waaronder de zogenoemde AHOJG-criteria, te voldoen. Niet is gebleken dat er in de tenlastegelegde periode meer voorraad aanwezig was in de ruimten waarin de coffeeshops zijn geëxploiteerd dan de gedoogde voorraad van ten hoogste 500 gram hennepproducten. Van overlast door de coffeeshops is niet gebleken en van overtreding van de overige gedoogvoorwaarden is evenmin gebleken.

De coffeeshops genereerden hoge omzetten, hetgeen meebracht dat de voorraad van 500 gram meermalen per dag moest worden aangevuld. Daartoe beschikte de verdachte over voorraden op verschillende locaties buiten de coffeeshops. De omzet van de coffeeshops was aan de overheid (belastingdienst) bekend; de verschuldigde belasting werd betaald. Aan de verdachte was in het overleg tussen gemeente, politie, GGD en coffeeshophouders te kennen gegeven dat niet actief op ‘de achterdeur’ zou worden gecontroleerd. De politie had de coffeeshophouders laten weten dat zij zich 'mak' moesten houden en niet met al te veel voorraad over straat moesten gaan.

Uiteindelijk is toch een opsporingsonderzoek gestart naar onder anderen de verdachte. Aanleiding daarvoor waren een anonieme melding (2008) dat familie van de eigenaar van de coffeeshops geld witwast en handelt in harddrugs en drie CIE-processen-verbaal (oktober 2009) waarin is gerelateerd dat de eigenaar en zijn broer veel onroerend goed bezitten en zelf zorgen voor de aanvoer van weed in hun coffeeshops, waarvoor zolderkamertjes en loodsen worden gebruikt, hetgeen iemand voor de eigenaar van de coffeeshops zou regelen. Daarop zijn gegevens van de belastingdienst betreffende de inkomsten en uitgaven van [verdachte 2] over de periode vanaf 1 januari 2003 gevorderd. Uit al deze informatie kwam naar voren dat [verdachte 2] zich mogelijk schuldig maakte aan witwassen. Nadien zijn op basis van het onderzoek tegen [verdachte 2] dwangmiddelen ingezet, te beginnen met een vordering tot het openen van een strafrechtelijk financieel onderzoek. De rechter-commissaris heeft deze vordering op 10 september 2010 toegewezen. Uit het onderzoek is het vermoeden naar voren gekomen dat [verdachte 2] en [verdachte 3] betrokken waren bij de bevoorrading van de coffeeshops die eigendom zijn van [verdachte 4] en [verdachte] en indirect van [verdachte 2] als groot-aandeelhouder.

In 2011 ingezette observanten stelden op grond van hun waarnemingen vast dat [verdachte 2] bij verschillende personen hennep aankocht voor zijn coffeeshops. Nadat het onderzoeksteam te weten was gekomen dat er op 7 mei 2011 een levering van ‘dozen’ plaatsvond en observanten vervolgens gezien hadden dat [verdachte 2] en [verdachte 3] na een overdracht van twee donkere voorwerpen naar de [adres] te Nieuw-Vennep reden, vond in dit pand een doorzoeking ter inbeslagneming plaats. Daarbij zijn voorraden softdrugs gevonden en in beslag genomen. Het was bekend dat [verdachte 4] het pand sedert 2006 huurde. De softdrugs waren bestemd voor de coffeeshops. [verdachte 2] en [verdachte 3] werden aangehouden, maar de volgende dag weer in vrijheid gesteld.

Op 20 juni 2011 vonden onaangekondigde doorzoekingen plaats. De opslagplaatsen voor de

exploitatievoorraden, de locaties waar administratie werd bewaard en de coffeeshops werden doorzocht. In totaal is in de tenlastegelegde periode een voorraad van ongeveer 70 kilogram hennepproducten aangetroffen, waarvan ongeveer 60 kilo bij gelegenheid van de doorzoekingen op 20 juni 2011.

Het vertrouwensbeginsel en het verbod van willekeur

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2013 in de zaak Checkpoint heeft overwogen, leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Naast het geval waarin bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is opgewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd, doet zo’n geval zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (i.e. het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 januari 2016 in de onderhavige zaak overwogen dat de overwegingen van het hof ’s-Gravenhage niet inhouden dat van de zijde van het Openbaar Ministerie of door aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen of gedragingen van functionarissen, concrete toezeggingen zijn gedaan aan de verdachte van niet-vervolging ter zake van overtreding van de gedoogcriteria, meer in het bijzonder met betrekking tot het buiten de coffeeshops houden van exploitatievoorraden van (ruimschoots) meer dan 500 gram. Voorts acht de Hoge Raad het oordeel van het hof ’s-Gravenhage ‘dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de onderhavige vervolging van deze verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn’, niet begrijpelijk. Dat sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, valt uit de overwegingen van het hof

‘s-Gravenhage niet af te leiden, aldus de Hoge Raad.

Het hof is van oordeel dat ook hetgeen de verdediging – in aanvulling op wat zij reeds bij de rechtbank en het hof ’s-Gravenhage heeft aangevoerd – naar voren heeft gebracht niet één van de twee uitzonderlijke situaties oplevert zoals door de Hoge Raad in zijn toetsingsmaatstaf is verwoord.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de Aanwijzing Opiumwet, de Notitie softdrugsbeleid van de gemeente Lisse van 29 september 1998 en de Evaluatie Coffeeshopbeleid van de gemeente Leiden van februari 2005 dienen te worden gezien als een door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlating (of daarmee gelijk te stellen gedragingen), kan het hof de verdediging daarin niet volgen. Uit de Aanwijzing Opiumwet volgt niet dat het Openbaar Ministerie niet vervolgt in het geval dat buiten de ruimte waarin een coffeeshop wordt geëxploiteerd de aanwezigheid van een exploitatievoorraad van (ruimschoots) meer dan 500 gram wordt vastgesteld, zodat de verdachte op grond van die Aanwijzing er nimmer op heeft kunnen vertrouwen dat zij niet zou worden vervolgd. De inhoud van de door de gemeenten Lisse en Leiden uitgebrachte respectievelijk notitie en evaluatie kunnen op zichzelf beschouwd niet op één lijn worden gesteld met een voldoende concrete toezegging van het Openbaar Ministerie of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlating of gedraging, waaraan de verdachte het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij niet zou worden vervolgd. Hetgeen daarover door de verdediging is gesteld en geconcludeerd maakt dit oordeel niet anders.

De weegperikelen

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt slechts in uitzonderlijke gevallen aangenomen dat sprake is van een schending van de beginselen van behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Naar het oordeel van het hof doet zulk een geval zich hier niet voor. Het kan de verdediging worden nagegeven dat de omtrent het wegen van de verdovende middelen opgemaakte processen-verbaal onderling tegenstrijdig en onduidelijk zijn, maar doelbewuste benadeling van de verdachte of grove veronachtzaming van haar belangen leveren deze omissies niet op. De

nagezonden processen-verbaal getuigen naar de overtuiging van het hof veeleer van een (deels of geheel) mislukte poging tot het scheppen van helderheid in een wat diffuse materie die ook de verbalisanten na bijna anderhalf jaar niet meer helder voor ogen stond. Hoe het ook zij, het geval waarin opzettelijke misleiding aannemelijk is geworden levert dit een en ander niet op.

Wel stelt het hof, vooruitlopend op de beoordeling van het bewijs, op deze plaats vast dat de stukken die betrekking hebben op weegresultaten naar aanleiding van de cannabis(producten) die bij gelegenheid van

de doorzoekingen ter inbeslagneming in de drie coffeeshops zijn gevonden en inbeslaggenomen, voor het bewijs van de tenlastegelegde hoeveelheden ongenoegzaam zijn, gelet op de even bedoelde manco’s. Om die reden zullen deze bescheiden niet worden gebezigd voor het bewijs, voor zover het gaat om de in de coffeeshops aangetroffen hoeveelheden softdrugs.

Zoals hierna zal blijken zal het hof de verdachte, bij gebrek aan andere bewijsmiddelen, vrijspreken van de onder feit 1 onder E, G en I genoemde hoeveelheden drugs. Wel zal het hof bewezen achten dat in de coffeeshops een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en hasjiesj aanwezig was, hetgeen door de verdediging ook niet is betwist.

Beslissing

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het hof het verweer dat strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op ieder onderdeel verwerpt.

Vrijspraken

Standpunten van het Openbaar Ministerie en van de verdediging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 onder B tenlastegelegde en de onder feit 1 onder E, G en I genoemde hoeveelheden.

De verdediging heeft zich hierbij aangesloten.

Oordeel van het hof

Ten aanzien van feit 1

Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat zij tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen artikel 3 van de Opiumwet heeft overtreden, in de gevallen die met de letters A tot en met J zijn aangeduid.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen haar onder feit 1 onder B ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Zoals hiervoor reeds onder ‘De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie’ is overwogen en aangekondigd zal het hof de verdachte ook vrijspreken van de onder feit 1 onder E, G en I genoemde hoeveelheden drugs.

Het hof acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [verdachte 4] het onder 1 tenlastegelegde feit tezamen en in vereniging met elkaar hebben gepleegd. Het enkele feit dat de beide rechtspersonen ieder 2,5 procent van de aandelen in de ander bezitten is voor het bewijs van dat medeplegen ontoereikend. Het hof zal dan ook komen tot vrijspraak van het ten laste gelegde medeplegen.

Vorenstaande maakt dat het hof dient te bepalen welke van de (impliciet cumulatief) ten laste gelegde overtredingen van artikel 3 van de Opiumwet aan [verdachte 4] (en niet aan [verdachte] ), en welke aan [verdachte] (en niet aan [verdachte 4] ) dienen te worden toegerekend.

Het hof is van oordeel dat aan [verdachte 4] wat betreft de tenlastegelegde overtreding van artikel 3 van de Opiumwet niet de gedragingen kunnen worden toegerekend, die in het kader van de exploitatie (door [verdachte] ) van de coffeeshop [coffeeshop 1] zijn verricht en dat aan [verdachte] niet de gedragingen kunnen worden toegerekend die in het kader van de exploitatie (door [verdachte 4] ) van de coffeeshops [coffeeshop 2] en [coffeeshop 3] zijn verricht. Het zal de respectieve rechtspersonen dan ook in zoverre vrijspreken.

Het hof zal het aanwezig hebben van de hoeveelheden hennep en hasjiesj op de [adres] te Nieuw-Vennep en de [adres] te Hillegom niet toerekenen aan [verdachte] , nu moet worden aangenomen dat het [verdachte 4] is geweest, dat deze panden huurde, omdat de huur van die panden werd voldaan van de rekening van [verdachte 4] . Het zal [verdachte] in zoverre vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2

Ook met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 4] en [verdachte] dit feit tezamen en in vereniging met elkaar hebben gepleegd. Het hof verwijst naar hetgeen hierover ten aanzien daarvan bij feit 1 is overwogen.

Ten aanzien van feit 3

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat witwassen een gemeenschappelijk doel van de organisatie was. Van dit onderdeel van het onder feit 3 tenlastegelegde zal [verdachte] daarom eveneens worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 28 november 2011 te Noordwijk en Leiden, telkens in de uitoefening van een bedrijf, telkens opzettelijk heeft verkocht (F) en telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad (A en E) een (grote) hoeveelheid hennep en hasjiesj, te weten:

A. in het pand aan de [adres] te Noordwijk op 20 juni 2011 een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj en

in het pand aan de [adres] te Leiden (coffeeshop [coffeeshop 1] ) op 20 juni 2011 een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en hasjiesj en

in het pand aan de [adres] te Leiden (coffeeshop [coffeeshop 1] ) op tijdstippen in de periode van 28 januari 2008 tot en met 2 januari 2011 hoeveelheden hennep en hasjiesj.

2.

zij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2011 in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van gewoonte witwassen, hebbende zij, verdachte, geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet, terwijl zij, verdachte, wist dat die geldbedragen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

zij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 28 november 2011 te Noordwijk en Leiden en Lisse , telkens opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van haar, verdachte, en een of meer natuurlijke personen en rechtspersonen, te weten in elk geval [verdachte 2] en [verdachte 3] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [verdachte 4] B.V. en andere natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het al dan niet in de uitoefening van een bedrijf telkens opzettelijk telen en bereiden en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren, en telkens opzettelijk aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hennep en hasjiesj.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals zijn opgenomen in de aangehechte bijlage bij dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Standpunt van de verdediging

- witwassen

De raadslieden hebben bepleit dat [verdachte] wordt ontslagen van rechtsvervolging ter zake het onder 2 bewezenverklaarde feit, omdat dit niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Zij hebben hiertoe het volgende naar voren gebracht.

De witgewassen gelden zijn afkomstig van eigen misdrijf. Daarvoor geldt dat in ieder geval het verwerven en voorhanden hebben ervan buiten de kwalificatie van witwassen vallen, wanneer niet van verhullingshandelingen is gebleken. Dat heeft in het onderhavige geval echter ook te gelden voor het vervolgens uitgeven, sparen of investeren van die gelden teneinde zich van materieel bezit te verzekeren, omdat daardoor niets wezenlijks anders wordt gedaan dan in gevallen waarin [verdachte 4] zich met het verwerven of voorhanden hebben automatisch schuldig zou maken aan witwassen. Dat zijn net zulke ‘natuurlijke’ handelingen ten aanzien van opbrengsten uit een onderneming als het enkel uit eigen misdrijf voorhanden hebben daarvan. Gelet op de fiscale transparantie daarvan is in het geheel geen sprake van een op het daadwerkelijk verhullen van de ‘criminele’ herkomst van die gelden gerichte gedraging.

- criminele organisatie

De verdediging heeft met een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid gesteld dat bij een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde dit feit niet valt te kwalificeren als het in artikel 140 Wetboek van Strafrecht (Sr) strafbaar gestelde misdrijf. Op die grond is bepleit dat het hof [verdachte] zal ontslaan van alle rechtsvervolging. De grondslag van dit verweer laat zich als volgt samenvatten.

Gelijk geen bakker brood kan verkopen zonder eerst het meel te bestellen, daarvan deeg te kneden en te bakken in de oven, om daarna het versgebakken brood aan zijn klanten aan te bieden, kan geen houder van een coffeeshop cannabis(producten) verkopen als daaraan geen aanvoer, aflevering, bewerking en aanwezig hebben van cannabis(producten) vooraf is gegaan. Nu het verkopen van hennep en hasj in de coffeeshop onder voorwaarden door de lokale overheden is gedoogd kan het in redelijkheid niet anders zijn dan dat ook die andere noodzakelijke, aan verkoop vooraf te gane gedragingen onder het bereik van dat gedogen vallen. Het niettemin brengen van dit samenstel van gedragingen onder het bereik van artikel 140 Sr doet geen recht aan de omstandigheden van dit geval, omdat door het metterdaad gedogen door het bevoegd gezag de wederrechtelijkheid aan die gedragingen is komen te ontvallen.

- ontbreken materiële wederrechtelijkheid/noodtoestand

De verdediging heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat voor alle bewezenverklaarde feiten de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. Hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd is mede ten grondslag gelegd aan het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich gesteld heeft gezien voor een conflict van plichten en zij in die situatie verkerend gerechtvaardigd de keuze heeft gemaakt om zo te handelen zoals zij heeft gedaan. Haar komt een beroep op noodtoestand toe met gevolg dat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte, om haar klanten in de coffeeshops te vrijwaren van onveilige en kwalitatief laagwaardige producten, zich uitsluitend heeft verenigd met betrouwbare aanbieders van kwalitatief hoogwaardige hennep(producten). Daarom heeft zij uitsluitend van die aanbieders willen afnemen en heeft zij mede met het oog op het door haar nagestreefde belang van (economische) continuïteit ervoor gekozen van hen af te nemen zodra dat feitelijk kon, ook als dat betekende dat zij daardoor niet voldeed aan de op voorraadvoering betrekkelijke gedoogvoorwaarde. Als de verdachte deze wijze van aanvoer en voorraadvoering niet op deze manier zou hebben ingericht, zou zij feitelijk zijn verworden tot doorgeefluik van de criminele organisaties, met alle daaraan verbonden (gezondheid)risico’s voor haar klanten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

- witwassen

Ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde witwassen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de beide rechtspersonen [verdachte] en [verdachte 4] heeft te gelden dat het verrichten van alle uitgaven zonder meer kan worden gekwalificeerd als witwassen in de zin van gebruikmaken, omzetten en overdragen. Ook de door de beide rechtspersonen ontvangen inkomsten kunnen als witwassen worden gekwalificeerd, aangezien de verkoopopbrengsten van de coffeeshops (deels) door [verdachte 2] aan [verdachte 3] werden overgemaakt en gestort op de respectieve bankrekeningen van de rechtspersonen. Ook de inkomsten die de rechtspersonen naar elkaar overmaakten vallen onder die noemer. Daarbij is geen sprake van een dubbeltelling, aangezien ten aanzien van [verdachte 2] en [verdachte 3] slechts kan worden bewezen dat zij gelden afkomstig uit eigen misdrijf voor handen hebben gehad zonder, naar het hof de advocaat-generaal begrijpt, enige verhullingshandeling met betrekking tot de criminele herkomst van die gelden te hebben verricht.

- criminele organisatie

De advocaat-generaal is van mening dat het onder feit 3 bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

- ontbreken materiële wederrechtelijkheid/noodtoestand

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand verworpen dient te worden, nu het handelen van de verdachte niet is ingegeven door de belangen die de Opiumwet dient. Hetgeen is aangevoerd door de verdediging kan niet aan kwalificatie in de weg staan.

Oordeel van het hof

- witwassen

Het hof heeft bewezenverklaard dat het onder 2 tenlastegelegde feit is begaan door [verdachte] als (enige) dader en dat [verdachte 2] en [verdachte 3] aan dat aan [verdachte] als rechtspersoon toe te rekenen handelen feitelijk leiding hebben gegeven. De geldbedragen waarop de bewezenverklaring betrekking heeft, zijn in contanten verkregen in het kader van de verkoop van softdrugs in de door de respectieve rechtspersonen geëxploiteerde coffeeshop(s) en vervolgens op de bankrekening van de rechtspersoon gestort. De stelling van de advocaat-generaal dat de verkoopopbrengsten door [verdachte 2] aan [verdachte 3] werden overgemaakt en (kennelijk: vervolgens) werden gestort op de bankrekening van de rechtspersoon mist feitelijke grondslag.

Het is dan ook de rechtspersoon die deze gelden heeft verworven, voorhanden gehad, uitgegeven en omgezet. De feitelijk leidinggevers hadden over deze gelden geen beschikkingsmacht. Het bewezenverklaarde betreft derhalve geen eigen misdrijf van deze natuurlijke personen.

Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet worden aangenomen dat, als vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Het hof is van oordeel dat die situatie zich in de onderhavige zaak voordoet. Dit betekent dat het onder 2 bewezenverklaarde, voor zover het betreft het verwerven en voorhanden hebben niet kan

worden gekwalificeerd als (gewoonte) witwassen en daarom geen strafbaar feit oplevert. [verdachte 4] dient derhalve in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Op de bewezenverklaarde bestanddelen ‘omzetten’ en ‘overdragen’ heeft genoemde jurisprudentie geen betrekking. Het hof verwerpt de stelling van de verdediging dat het omzetten en overdragen in het

onderhavige geval niet wezenlijk verschilt van het verwerven en voorhanden hebben. Doordat de betreffende geldbedragen van de bankrekening van [verdachte 4] , respectievelijk [verdachte] zijn overgeboekt naar de bankrekeningen van anderen, onder wie [verdachte 2] en [verdachte 3] , zijn zij uit de beschikkingsmacht van de betreffende rechtspersoon, en in de beschikkingsmacht van die anderen, onder wie [verdachte 2] en [verdachte 3] , geraakt. Het hof ziet dat, ook waar het [verdachte 2] en [verdachte 3] betreft, als een wezenlijk andere situatie dan het voorhanden hebben door de rechtspersoon, die immers een van haar aandeelhouder en bestuurder afgescheiden vermogen heeft. Het hof acht het bewezenverklaarde dan ook in zoverre strafbaar.

- criminele organisatie

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd kan haar niet baten. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt, dat de verdachte rechtspersoon als deelnemer van het gestructureerde samenwerkingsverband dat zag op de exploitatie van een drietal coffeeshops zich welbewust heeft begeven buiten de aan het gemeentelijk gedogen verbonden grenzen. Het hof is dan ook van oordeel dat reeds gelet daarop sprake is van een organisatie die gericht is op het plegen van strafbare gedragingen.

Zo is onder meer in een in de directe omgeving van coffeeshop [coffeeshop 2] geparkeerde auto, maar ook op drie andere locaties die het samenwerkingsverband ter beschikking stonden, door de politie een handelshoeveelheid hennep aangetroffen en inbeslaggenomen. Uit hetgeen het hof ten aanzien van het bewijs heeft vastgesteld volgt, dat een of meer deelnemers aan dat samenwerkingsverband die handelshoeveelheid aanwezig hebben gehad, kennelijk met het oog op bevoorrading van die coffeeshop. Daarbij komt dat een andere deelnemer aan dat samenwerkingsverband zich heeft bezig gehouden met het telen van hennep.

De stelling dat ook deze – in de visie van de verdediging: onontkoombare – grensoverschrijdingen door de onder de gedoogvlag gefiatteerde exploitatie van een coffeeshop worden gelegitimeerd gaat niet op, reeds omdat de even bedoelde gedragingen in de Opiumwet zijn strafbaar gesteld en bovendien niet door het gemeentelijk gedogen kunnen worden gelegitimeerd.

Bij die stand van zaken is niet aannemelijk geworden dat de verdachte met haar bewezenverklaarde gedraging weliswaar een in het Wetboek van Strafrecht als misdrijf tegen de openbare orde strafbaar gesteld feit heeft gepleegd, doch dat een algemeen gedragen maatschappelijke opvatting meebrengt dat die gedraging daardoor moet worden gerechtvaardigd. Dat overigens in dit geval aan die gedraging in het licht van de vraag naar strafoplegging wel een relativerende kleur kan worden toegekend, zal hierna blijken.

Op grond van het voorgaande verwerpt het hof het gevoerde verweer en zal het bewezen geachte feit als na te noemen misdrijf worden gekwalificeerd.

- overmacht in de zin van noodtoestand

Bij de beoordeling van een beroep op noodtoestand, moet worden vooropgesteld dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht. Dit is onder meer het geval indien moet worden aangenomen dat is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.

Het hof is van oordeel dat er in casu geen sprake was van een botsing van rechtsbelangen, waaruit de verdachte zich diende te redden door het plegen van strafbare feiten. Het coffeeshopbeleid is een veelbesproken en niet-onomstreden beleid. Om die reden is de verkoop van softdrugs in verregaande mate gereguleerd en wordt deze slechts onder strikte voorwaarden gedoogd. De verdachte kende deze

voorwaarden. Niettemin heeft zij een te grote voorraad aanwezig gehad. De verdachte was naar het oordeel van het hof niet op grond van enig rechtsbelang gehouden om een grotere handelsvoorraad dan toegestaan aan te houden.

Het hof verwerpt het verweer.

Conclusie

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

(F)

in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd,

en

(E)

in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon,

en

(A)

in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van feit 2:

gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voorts gesteld dat de verdachte zich verontschuldigbaar heeft vergist ter zake de feitelijke werking van het objectieve recht op grond van het coffeeshopbeleid, alsook gelet op de uitlatingen van de bij controle en handhaving van het gedoogbeleid betrokken politie- en gemeentefunctionarissen. Om die reden dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In het bijzonder het uitblijven van handhaving van de aanvoer door “de achterdeur” heeft bij de verdachte de gedachte doen postvatten dat de aanvoer zoals die feitelijk was ingericht binnen de grenzen van het materiële recht viel.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Van verontschuldigbare rechtsdwaling is volgens de advocaat-generaal geen sprake. De verdachte wist dat haar handelen strafbaar was en zij is hier door politieambtenaren bij herhaling op gewezen. De achterdeurproblematiek had weliswaar geen opsporingsprioriteit, maar bij betrapping op heterdaad zou wel degelijk vervolging volgen.

Oordeel van het hof

Het hof verwerpt het verweer. Een beroep op rechtsdwaling als grond voor uitsluiting van schuld komt de verdachte toe als een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de verweten gedraging aan de zijde van de verdachte aannemelijk wordt. Daarvoor is nodig dat de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging leefde in het geheel geen strafbaar feit te plegen;ij moet immers dwalen ten aanzien van de 'wederrechtelijkheid' van hetgeen ten laste is gelegd.

De verdachte weet en wist ten tijde van het begaan van het feit dat het verboden is hennep en hasjiesj aanwezig te hebben en te verkopen. Dat de verboden gedragingen in het kader van de exploitatie van de coffeeshops voor een deel werden gedoogd en voor een ander deel (de stashes) niet actief werden opgespoord en vervolgd maakt dit niet anders. Een situatie waarin zekere wetsovertredingen onder voorwaarden lokaal worden gedoogd houdt niet ook in dat daardoor geen sprake (meer) zou zijn van wetsovertredingen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 250.000, -.

De advocaat-generaal heeft zich subsidiair verzet tegen een toepassing geven door het hof aan artikel 9a Sr. Zij heeft daartoe gesteld dat in het geval waarin de strafrechter in de categorie van zaken als de onderhavige afziet van oplegging van straf die rechter zodoende ten onrechte plaatsneemt op de stoel van de wetgever, waarbij komt, dat toepassing van artikel 9a Sr in strijd komt met internationale regelgeving.

Het hof stelt voorop dat de rechter op grond van de wettelijke regeling bevoegd is tot toepassing van artikel 9a Sr op grond van drie onderscheiden criteria: de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader én de omstandigheden van het geval. Aldus is het aan de strafrechter overgelaten om in het voorkomende geval van strafoplegging af te zien. Dit betreft een brede discretionaire bevoegdheid die, zolang de rechter komt tot een geïndividualiseerd oordeel over de noodzaak van oplegging van enige sanctie in een concreet geval, bij uitstek strookt met het strafrechtelijk stelsel en de daarin aan de strafrechter toegekende bevoegdheden.

De door de advocaat-generaal aangeroepen internationale verplichtingen – zo begrijpt het hof de advocaat-generaal – zien er op dat gedragingen die betrekking hebben op de stof cannabis bij wet strafbaar zijn gesteld en dat de sancties voor overtreding daarvan in de wet zijn voorzien. Internationale regelgeving dwingt als zodanig de rechter niet tot oplegging van een (bepaalde) straf in bepaalde omstandigheden. Aan de individualisering van de straftoemeting of zelfs het afzien van strafoplegging in een concrete zaak staan internationale verplichtingen vanzelfsprekend niet in de weg.

In de onderhavige zaak heeft de verdachte rechtspersoon twee coffeeshops geëxploiteerd. De verdachte is schuldig bevonden aan overtreding van artikel 3 van de Opiumwet, gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Het hof is in het onderhavige geval van oordeel dat deze feiten een rechtstreeks uitvloeisel en tevens onlosmakelijk gevolg zijn van (het feitelijk leidinggeven aan) de exploitatie van de gedoogde coffeeshops.

Het hof stelt vast dat de coffeeshops werden gedoogd. Weliswaar is gebleken dat de coffeeshops enige gedoogvoorwaarde hebben overtreden doch in het ter berechting voorliggende geval leidt die overtreding niet tot het oordeel dat daarmee strafoplegging is aangewezen. Uit de hierna aan te halen verklaringen van – onder meer – wijkagenten en burgemeesters blijkt dat de autoriteiten wisten of sterk vermoedden dat er grotere handelsvoorraden werden aangehouden dan die welke op grond van de voorwaarden werden gedoogd, doch dat zij hiervan welbewust hebben weggekeken. Alles overziend opereerde de verdachte kennelijk in een goede verstandhouding met de lokale overheden, en van overlast door of vanwege de coffeeshops is niet gebleken.

[burgemeester 1] , burgemeester van Leiden vanaf 2003, heeft verklaard dat de 500 gram-grens een spannende grens is en dat er niet actief naar voorraden wordt gezocht. [juridisch medewerker] , juridisch medewerker te Leiden, heeft verklaard dat hij weet dat de achterdeurproblematiek bestaat, maar dat dit bestuursrechtelijk irrelevant is. Meer in het bijzonder: ‘Wat het Leidse beleid betreft, deden wij daar nooit wat aan.’ [politiemedewerker] , medewerker bij de politie te Leiden, heeft aangegeven dat er niet op de aanvoer werd gecontroleerd. [politiemedewerker] was aanwezig bij structurele overleggen tussen – onder meer – de gemeente Leiden, politie en coffeeshophouders. De overleggen werden georganiseerd door de gemeente. [politiemedewerker] gaf de coffeeshophouders aan: ‘Houd jezelf mak, dan val je niet op’.

[burgemeester 2] , burgemeester van Lisse van 1998 tot 2012, heeft gesteld dat zij steeds aan de raad heeft geadviseerd de coffeeshop in Lisse in stand te houden. Er was een goede relatie tussen de politie en de coffeeshop en de vergunningen zijn telkens probleemloos verlengd.

[burgemeester 2] verklaart dat het achterdeurgebeuren haar ontgaat, maar dat zij dit ook niet wil weten, omdat zij hier niets mee kan. Volgens de ervaring van [wijkagent] , wijkagent te Lisse van 1996 tot 2008, verliep de communicatie met [coffeeshop 2] goed; hij wist dat dat de handelsvoorraad tussentijds werd aangevuld gelet op de hoeveelheid bezoekers en dat er niet actief werd gecontroleerd op de (omvang van de) voorraden.

Uit het dossier blijkt voorts dat op 7 mei 2016 een voorraad van ruim 10 kilo hennep werd aangetroffen in het pand aan de [adres] te Nieuw-Vennep. Op 20 juni 2016 werd in totaal in de verschillende panden bijna 60 kilogram hennep en hasjiesj aangetroffen. Het Openbaar Ministerie heeft in het geding niet naar voren gebracht en ook overigens is niet gebleken dat de vennootschappen of de verdachte hennepproducten aanwezig hebben gehad voor andere doeleinden dan met bestemming – de door de lokale driehoek gedoogde – verkoop vanuit de drie coffeeshops.

Voornoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien maken dat het hof van oordeel is dat met het oog op normhandhaving door berechting kan worden volstaan met de constatering dat de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd en daarvoor strafbaar is. Aldus gaat het hof voorbij aan hetgeen in de sleutel van straftoemeting door de advocaat-generaal naar voren is gebracht en zal het hof, toepassing gevend aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte geen straf of maatregel opleggen.

Het beslag

Onder de verdachte zijn een Opel Corsa met kenteken [kenteken] , een Chrysler Voyager met kenteken [kenteken] en een Mitsubishi Colt met kenteken [kenteken] in beslag genomen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting medegedeeld dat voornoemde auto’s inmiddels ex artikel 117, vierde lid, Sv tegen baat zijn vervreemd voor geldbedragen van respectievelijk € 6.458, -, € 7.500, - en € 5.357, - en dat het beslag rust op de verkregen opbrengsten van voornoemde auto’s. De advocaat-generaal heeft gevorderd tot teruggave van deze geldbedragen aan de verdachte.

Het hof zal de teruggave van voornoemde geldbedragen aan de verdachte gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Ontslaat de verdachte van rechtsvervolging, telkens voor zover het betreft het onder 2 bewezenverklaarde verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen, terwijl de verdachte wist dat die geldbedragen

– onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Verklaart het bewezenverklaarde overigens strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Het hof gelast de teruggave aan de verdachte van de opbrengsten van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. Personenauto [kenteken]

Opel Corsa Kl:zwart

Vervreemd voor € 6.548, -;

2. Personenauto [kenteken]

Chrysler Voyager kl:grijs

Vervreemd voor € 7.500, -;

3. Personenauto [kenteken]

Mitsubishi Colt kl:zwart

Vervreemd voor € 5.357, -.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, voorzitter, mrs. R. Veldhuisen en H.S.G. Verhoeff, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november 2016.

BIJLAGE BEWIJSMIDDELEN

[verdachte] B.V.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde:

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 1106120830.BEV, van 12 juli 2011, in de

wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant

[verbalisant] , met bijlage (zaaksdossier 19, pagina 26 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Uit het strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [verdachte 2] blijkt dat hij in relatie staat tot de ondernemingen [verdachte 4] B.V., [verdachte] B.V., [bv] B.V., [bv] B.V. en de [bv] B.V. Uit door de belastingdienst Holland Midden en de Kamer van Koophandel verstrekte gegevens blijkt dat [verdachte 2] bestuurder dan wel aandeelhouder is c.q. is geweest van vorenstaande ondernemingen. Uit de door de belastingdienst verstrekte gegevens is geen duidelijkheid verkregen omtrent de aandelenverhoudingen in de besloten vennootschappen [verdachte 4] en [verdachte] B.V. In verband met deze onduidelijkheid heb ik op 1 juni 2011 aan een medewerker van de belastingdienst Holland Midden om nadere uitleg verzocht. Op 11 juli 2011 heb ik van [belastingmedewerker] een schriftelijke verklaring hieromtrent ontvangen. Uit deze verklaring blijkt kort en zakelijk samengevat het volgende:

Dat [belastingmedewerker] , op basis van de bij de belastingdienst geregistreerde gegevens, vermoedt dat de exacte aandeelhoudersbelangen als volgt zijn:

1: [verdachte 2] bezit 97,5% van de aandelen in [verdachte 4] B.V. en 97,5% in [verdachte] B.V.;

2: [verdachte 4] B.V. bezit 2,5% van de aandelen in [verdachte] B.V.;

3: [verdachte] B.V. bezit 2,5% van de aandelen in [verdachte 4] B.V.

(…)

Volgens de ingediende aangiften Inkomstenbelasting 2005 t/m 2010 heeft [verdachte 2] een aanmerkelijk belang in de besloten vennootschappen [verdachte 4] B.V. en [verdachte] B.V.

2. Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel

betreffende [verdachte] B.V., vervaardigd op 27 juli 2009 (zaaksdossier 19, pagina 24).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel

Rechtspersoon:

Rechtsvorm: Besloten vennootschap

Naam: [verdachte] B.V.

Statutaire zetel: Leiden
Akte van oprichting: 04-06-1996

Adres: [vestigingsadres] Lisse

Bestuurder: [verdachte 3]

Geboortedatum en –plaats: [geboortedatum] , [geboorteplaats]

Infunctietreding: 17-07-2007

Titel: Directeur

Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd

Vestiging:

Handelsnaam: [coffeeshop 1] Koffieshop

Adres: [adres] Leiden

Uittreksel is vervaardigd te Woerden, 27-07-2009.

3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 2] van 21 juni 2011, in de

wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten] (dossier V-01).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

De locatie op de [adres] te Nieuw-Vennep wordt gehuurd door [verdachte 4] B.V.. Dat is een BV waar twee coffeeshops in zitten. [coffeeshop 2] (het hof begrijpt: in Lisse ) en [coffeeshop 1] in Leiden. De derde coffeeshop zit in een BV met de naam [verdachte] B.V. Ik wil verklaren dat alle softdrugs die door jullie is aangetroffen onder mijn verantwoordelijkheid valt en dat de distributie van de softdrugs eveneens onder mijn verantwoordelijkheid valt.

4. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 3] van 20 juni 2011, met

nummer 20110620_1, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten] (dossier V-02).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Over mijn werk kan ik zeggen dat ik directeur ben van de drie coffeeshops. Ik ben leidinggevende over de verschillende werknemers in de verschillende coffeeshops. De vergunning van de shops staat ook op mijn naam, ik ben ook de contactpersoon van de gemeente en andere instanties. De eigenaar van de drie coffeeshops is meneer [verdachte 2] . De structuur is als volgt: er is een eigenaar, een directeur, bedrijfsleiders en personeel. Ik doe de administratie van de shops. Er zijn twee BV’s, [verdachte 4] en [verdachte] .

Opmerking verbalisant: [verdachte 3] ziet op de tafel aantekeningen gemaakt over het aangetroffen goed in de Chrysler (het hof begrijpt: de personenauto type Chrysler, die op 20 juni 2011 vlak voor coffeeshop [coffeeshop 2] te Lisse stond geparkeerd).

[verdachte 3] verklaarde daarover:

Het is inderdaad werk gerelateerd. De drie titels [afkortingen coffeeshops] staan voor de drie coffeeshops, [coffeeshop 1] te Leiden, [coffeeshop 2] in Lisse en [coffeeshop 3] in Leiden. De andere letters zoals Q, HB, BUBB, AMN, X, zijn weedsoorten. De getallen er achter slaan op die weedsoorten.

De auto staat op naam stond van [verdachte] B.V.. Ik ben zelf een van de mensen die er in rijdt. Ik werk 10 jaar in de shop en ben opgeklommen tot directeur. Dat doe ik nu (het hof begrijpt: op 20 juni 2011) sinds drie jaar.

5. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 29 november 2011,

in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten] (zaaksdossier 6).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik ben bedrijfsleider bij de coffeeshops [coffeeshop 3] , [coffeeshop 2] en [coffeeshop 1] . Ik ben aangenomen door [verdachte 2] . Dat is de eigenaar. Soms komt hij alleen de afdracht ophalen, maar de andere keer is dat [verdachte 3] weer. Ik leg verantwoording af aan [verdachte 3] . De verkoopprijzen hoor ik van [verdachte 2] of [verdachte 3] (het hof begrijpt: [verdachte 3] ) via een sms’je of het staat al op de menulijst.

A ( [adres] te Noordwijk)

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer FO-VM-85 2011, van 14 juli 2011, in de

wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 2, pagina’s 9 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen

van de verbalisant:

Als in dit proces-verbaal wordt gesproken over hennepkwekerij en/of hennepplanten, hennepstekjes/stekkerij en/of hennepresten kan ik mededelen, dat ik dit herkende aan de mij bekende kleur en vormgeving en dat ik daarbij de mij bekende, typische, geur van hennep rook. Dit geldt ook voor zogenaamde joints, hashish en/of andere relevante goederen, afkomstig uit/bestemd voor een zogenaamde coffeeshop.

Op verzoek van de collega’s van de Divisie Regionale Opsporing heb ik op 20 juni 2011 een onderzoek ingesteld in een woning, [adres] in de gemeente Noordwijk zh. In een badmeubel werden 8 gripzakken met hasjiesj aangetroffen. Na onderzoek betrof het:

A: 38 gripzakjes met ras aanduiding Polm. Na weging zag ik, dat er in 1 zakje een stuk hasjiesj van 3,8 gram zat. Dit betekent in totaal 144,4 gram,

B: 88 gripzakjes met ras aanduiding Polm. Na weging zag ik, dat er in 1 zakje een stuk hasjiesj van 1,1 gram zat. Dit betekent in totaal 96,8 gram,

C: 50 gripzakjes. Na weging zag ik, dat er in 1 zakje een stuk hasjiesj van 0,9 gram zat. Dit betekent in totaal 45 gram,

D: 7 gripzakjes met ras aanduiding BB. Na weging zag ik, dat er in 1 zakje een stuk hasjiesj van 3,8 gram zat. Dit betekent in totaal 26,6 gram,

E: 52 gripzakjes met ras aanduiding Primera. Na weging zag ik, dat er in 1 zakje een stuk hasjiesj van 3,1 gram zat. Dit betekent in totaal 161,2 gram,

F: 73 gripzakjes met ras aanduiding Polm. Na weging zag ik, dat er in 1 zakje een stuk hasjiesj van 1 gram zat. Dit betekent in totaal 73 gram,

G: 24 gripzakjes met ras aanduiding BB. Na weging zag ik, dat er in 1 zakje een stuk hasjiesj van 0,9 gram zat. Dit betekent in totaal 21,6 gram,

H: 139 gripzakjes met ras aanduiding SM. Na weging zag ik, dat er in 1 zakje een stuk hasjiesj van 2,3 gram zat. Dit betekent in totaal 319,7 gram,

Onder in de lade zag ik een grote hoeveelheid bewerkte / verwerkte joints. Ik zag een zwarte tas.

Ik zag daarin plakken hasjiesj.

Na onderzoek betrof dit:

A :een zak met 5 plakken hasjiesj. Na weging zag ik, dat het totale gewicht 0,49 kilogram betrof.

B: zak met 5 plakken hasjiesj. Na weging zag ik, dat het totale gewicht 0,5 kilogram betrof,

C: zak met 5 plakken hasjiesj. Na weging zag ik, dat het totale gewicht 0,86 kilogram betrof,

D: zak met 4 plakken hasjiesj. Na weging zag ik, dat het totale gewicht 0,39 kilogram betrof.

Ik zag hierbij ook nog een plak hasjiesj. Na weging zag ik, dat het gewicht 0,04 kilogram betrof,

E: zak met een brok hasjiesj. Na weging zag ik, dat het gewicht 0,09 kilogram betrof,

F: tien stukken hasjiesj in de vorm van een bal. Na weging zag ik, dat het gewicht van de 10 ballen in totaal 2,3 kilogram betrof. Tevens zag ik nog 2 Curver bakjes met gesneden hasjiesj. Op een bakje met opschrift zwart zag ik een hoeveelheid van 0,06 kilogram hasjiesj en opeen bakje met opschrift blond zag ik een hoeveelheid van 0,16 kilogram hasjiesj.

Ik zag, dat er in totaal 24.800 joints aanwezig waren.

Bij de woning behoorde een losstaande schuur/tuinhuis. Daar zag ik:

• op de grond een groot model tas. Ik zag in deze tas zes zakken met gedroogde henneptoppen.

Na weging zag ik 5 zakken met 1 kilo hennep en 1 zak met 0,8 kilo hennep.

• op een plank zag ik een soortgelijke tas. Hierin zag ik 2 zakken met gedroogde henneptoppen.

Na weging zag ik in beide zakken 1 kilo hennep.

Ik zag bij de woning een auto, merk Fiat en gekentekend [kenteken] . In de kofferbak zag ik een soortgelijke tas als bovengenoemd. Hierin zag ik zakken met gedroogde hen neptoppen.

Na weging zag ik 5 zakken met 1 kilo hennep, 1 zak met 0,8 kilo hennep en een zak met 0,38 kilo hennep.

Tenslotte werd mij nog een tas overhandigd met daarin eveneens zakken met gedroogde

henneptoppen. Na weging zag ik in elke zak 1 kilo hennep. In totaal zag ik hier 5 zakken henneptoppen van elk 1 kilo.

7 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer FO-VM-104-2010, van 18

augustus 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 2, 1e aanvulling).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Op verzoek van de collega’s van de Divisie Regionale Opsporing te Leiderdorp heb ik een aantal monsters verstuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut. Het betrof hier het onderzoek Borium en de verdachte J.G. [verdachte 2] . Ik heb verstuurd:

SINcode AACU2702N: monster met 2 joints,

SINcode AACU2703NL: monster met 2joints,

SINcode AACU2704NL: monster met 2 joints,

SINcode AACU2705NL: monster met 2joints,

SINcode AACU2706NL: monster met 2 joints,

SINcode AACU2707NL: monster met 2 joints,

SINcode AACU2708NL: monster met 2 joints,

SINcode AACU2709NL: monster met 2 joints,

SINcode AACU2710NL: monster met 2joints,

SINcode AACU2711NL: monster met gedroogde henneptop.

8. Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 oktober

2011, opgesteld door ing. [rapporteur] (zaaksdossier 2, 1e aanvulling).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het THC-gehalte van het materiaal met kenmerk AACU2711NL bedraagt circa 15%.

E (coffeeshop [coffeeshop 1] , [adres] te Leiden – 20 juni 2016)

9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 1106210826.AMB, van 21 juni 2011, in de

wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 6).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Op 20 juli 2011 (het hof begrijpt 20 juni 2011) vond een doorzoeking plaats in perceel [adres] te Leiden. In dit pand is een coffeeshop genaamd [coffeeshop 1] gevestigd. Ik zag dat in het gedeelte waar de softdrugs werd verkocht een raam met een klein loket was gemaakt. Aan de binnenzijde van de ruimte was een toonbank met laden en planken gemaakt. In lade A1 lagen 31 gripzakjes met als inhoud gedroogde henneptoppen. Op de zakjes stond de merknaam ‘Q’. In lade A2 lagen gripzakjes met als inhoud in totaal 230 voorgedraaide joints. Op de gripzakjes stonden de merknamen ‘Haze’, ‘MIX’, ‘Weed’ en ‘skunk’. In lade A3 lagen 41 gripzakjes met als inhoud hasj. Op de gripzakjes stond ‘Primera 10’, ‘Primera 25’, ‘BB 8’, ‘BB 25’, ‘Polm 25’, ‘SM’ en ‘LUCF’. Op plank B1 lagen 4 plastic doosjes met gedroogde hennep. Op de doosjes stond ‘Q’, ‘AMNESIA’, ‘HAZE BERRY’ of ‘MEA’. Op plank B2 lagen 2 plastic doosjes met gedroogde hennep en 1 plastic doosje met 15 voorgedraaide joints. Op de plastic doosjes met gedroogde hennep stond ‘X’ en ‘Bubbels’. Op plank B3 lagen 3 plastic doosjes met in totaal 55 voorgedraaide joints. Op de plastic doosjes met gedroogde hennep stond ‘Polm’, ‘MIX’ en ‘Primera joints’. Op de toonbank stonden plastic doosjes met als inhoud 109 voorgedraaide joints met als opschrift ‘Big Weed’, ‘BB’, ‘Hasj’, ‘kleine Weed’ en ‘Hasj klein’. In een hoek van de ruimte werden 6 plastic groot model gripzakken met gedroogde henneptoppen aangetroffen. Op de gripzakken stonden opschriften als ‘MEA’, ‘X’, ‘Q’, ‘HB’, ‘BvB’ en ‘AMN’.

F (coffeeshop [coffeeshop 1] – 28 januari 2008 tot en met 2 januari 2011)

10 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 20111122.0844.AMB, van 1 december

2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 15, pagina 33 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Op maandag 20 juni 2011 vond op last van de officier van justitie een doorzoeking plaats ten

behoeve van het onderzoek 169Borium, in het bedrijfspand aan [adres] te Noordwijk. In de,

als kantoor ingerichte, ruimte op de eerste verdieping is een aanzienlijk aantal ordners met

administratieve bescheiden aangetroffen. Onderdeel van deze bescheiden is de kasadministratie

van [verdachte] B.V. en [verdachte 4] B.V. over de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 juni 2011. De kasadministratie van [verdachte] B.V. heeft volledig betrekking op de contante geldstromen van de

coffeeshop [coffeeshop 1] , gevestigd aan de [adres] te Leiden. In de kasadministratie van de coffeeshops [coffeeshop 2] en [coffeeshop 1] wordt vanaf 28 januari 2008 per week een voorraadlijst van de verdovende middelen toegevoegd.

Over de periode van 28 januari 2008 tot en met 2 januari 2011 zijn er totaal 154 voorraadlijsten

aangetroffen in de boekhouding. Op 148 van deze lijsten is de voorraad softdrugs van de

coffeeshop [coffeeshop 1] geregistreerd. In de genoemde periode is er de volgende hoeveelheid softdrugs

verkocht via coffeeshop [coffeeshop 1] :

2008: 203.124 gram softdrugs;

2009: 198.647 gram softdrugs;

2010: 192.814 gram softdrugs:

Totaal: 594.584 gram 594,6 kilo softdrugs.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

11. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte 3] van 21 juni 2011, met

nummer 20110621, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten] (dossier V-02).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik ben een van de mensen die de dagomzetten van de verschillende winkels aan de bank afstort. Ook de heer [verdachte 2] doet dat af en toe.

12. Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen met nummer

PL1609/RF10-90176, van 23 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 19, pagina 2 e.v.).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Uit het strafrechtelijk financiële onderzoek op [verdachte 2] is het volgende gebleken met betrekking tot de geldstromen vanuit de rechtspersoon [verdachte] B.V. naar [verdachte 2] :

Over de periode van 1 januari 2008 tot en met 21 januari 2011 zijn op de bankrekening van [verdachte]

B.V. onder andere de volgende inkomsten zichtbaar:

o Contante stortingen € 1.563.495

o Ontvangsten van [verdachte 4] B.V. € 167.678

o Ontvangsten van [verdachte 2] € 90.000

o Overige ontvangsten € 60.670

o Totale ontvangsten € 1.881.843

Uit de kasadministratie van [verdachte] B.V. is gebleken dat de contante stortingen bestaan uit de, door

verkoop in de coffeeshop, ontvangen contante gelden welke deels worden afgestort op de

bankrekening van [verdachte] B.V. en deels worden gebruikt om contant de softdrugs in te kopen.

De uitgaven op de bankrekening van [verdachte] B.V. over genoemde periode zijn onder andere:

o Betalingen aan [verdachte 2] € 593.528

o Betalingen aan [verdachte 4] B.V. € 11.420

o Betalingen aan notarissen € 85.000

o Salarisbetalingen € 171.374

o Betalingen aan belastingdienst € 422.564

o Overige uitgaven € 289.403

o Totale uitgaven € 1.573.290

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

13. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1609/RF10-90176, van 11 augustus

2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 22, pagina 34 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Gedurende het onderzoek is vastgesteld dat [verdachte 2] gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Uit onderzoek bij het Centraal Informatiepunt Onderzoek. Telecommunicatie bleek dat dit telefoonnummer is uitgegeven door de provider Vodafone en op naam staat gesteld van [verdachte 4] BV, [postbus] te Lisse . Tijdens opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken van verdachte [verdachte 2] voornoemd bleek dat hij onder meer contact heeft met een medeverdachte genaamd [betrokkene 2] die gebruik maakt van telefoonnummer

[telefoonnummer] .

PV 0BS057.BF-2010:

Op woensdag 3 november 2010 omstreeks 12:17 uur wordt waargenomen dat [betrokkene 2] een witte doos van ongeveer 30 x 40 x 55 cm uit de kofferbak van de Escort pakt en plaatst deze in de kofferbak van de Punto.

PV 0BS057.BF-2010:

Op woensdag 3 november 2010 omstreeks 12:3 1 uur wordt waargenomen dat [verdachte 2] de Punto aan de [adres] te Lisse parkeert. [verdachte 2] pakt de witte doos van ongeveer 30 x 40 x 55 cm uit de kofferbak en draagt deze in zijn handen. [verdachte 2] gaat met de witte doos “ [coffeeshop 2] ” gevestigd aan de [adres] te Lisse binnen.

Gespreksgegevens :

004 [-] 272283327

Op donderdag 7 april 2011, omstreeks 20:29 uur, praat [verdachte 2] met [betrokkene 2] . [betrokkene 2] vraagt of [verdachte 2] het nog op het nieuws gezien heeft over het verzwaren van de straffen als er gevaar voor anderen is ontstaan. [betrokkene 2] vraagt zich vervolgens af hoeveel er dan nog blijven kweken. [verdachte 2] vraagt hoeveel mensen zullen stoppen met het roken van weed. Niemand zegt [verdachte 2] vervolgens. [betrokkene 2] zegt dat zij ( [betrokkene 2] en [verdachte 2] ) er gewoon mee door zullen gaan. [verdachte 2] moet lachen.

Gespreksgegevens :

004 [-] 272306134

Op donderdag 14 april 2011, omstreeks 18:52 uur praat [verdachte 2] met [betrokkene 2] . [verdachte 2] zegt als het goed is morgen geld te hebben voor [betrokkene 2] . [verdachte 2] zegt dat er bij [betrokkene 2] nooit gruis in zit. Er zit ook nooit een “takkie” in en er hoeft geen blaadje ergens vanaf gehaald te worden. Het kan zo a la minuut in het zakje en deals maken.

Gespreksgegevens :

004 [-] 272387617

Op maandag 23 mei 2011, omstreeks 19:28 uur, praat [verdachte 2] met [betrokkene 2]

. [verdachte 2] en [betrokkene 2] hebben het over een huis dat [verdachte 2] zoekt. [verdachte 2]

wil het gebruiken om 1 keer per dag met een auto de garage in te rijden en een half uur later weer naar buiten te rijden. Beiden concluderen dat dit opvalt. [betrokkene 2] vraagt uiteindelijk wat hij allemaal in de garage moet doen. [betrokkene 2] vraagt of [verdachte 2] daar ook stuff moet snijden. De bestelling klaar maken? [verdachte 2] zegt bestelling klaar maken. Zijn dagbestelling. [verdachte 2] zegt daar dan 6 zakken met weed te hebben staan. Daar rijdt iemand heen die afweegt wat nodig is voor de winkels. Even dichtstrijken daar. [verdachte 2] zegt verderop in het gesprek, buiten het gruis om, tussen de 8 en 10 kilo per week te gebruiken. [verdachte 2] zegt er dus 1 keer 10 kilo neer te zetten en er komt twee keer per week 5 kilo naar binnen. [verdachte 2] zegt dus nooit meer dan 10 kilo te hebben. [verdachte 2] zegt dat hij ook heeft zitten denken aan ...(niet te verstaan)... huizencomplex. Vervolgens spreken beiden nog over de soorten tassen die gebruikt kunnen worden. Zoals tennistassen met een racket er in of een computertas.

14. Een proces-verbaal van bevindingen van 28 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt

door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 1,

pagina 38 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Op 24 oktober 2011 bevond ik mij in de woning op de [adres] te Santpoort-Noord. De bewoner van de [adres] is [betrokkene 3] . Bij de doorzoeking van de woning zijn enkele goederen in beslag genomen. Zolder:

  • -

    2 stuks ronde koolstoffilters;

  • -

    een vierkant filterblok;

  • -

    een afzuiger;

  • -

    een assimilatiekap zonder lamp;

  • -

    7 grijze plastic lekbakken;

  • -

    isolatiemateriaal;

  • -

    4 kachels;

  • -

    4 PH-waarde meters;

  • -

    2 irrigatiesystemen 25x21,2;

  • -

    2 waterthermometers;

  • -

    2 filterbuizen;

  • -

    3 verdeelkastjes;

  • -

    4 ventilatoren;

  • -

    1 vierkante filterbox.

Noot verbalisant: Het is mij ambtshalve bekend dat deze goederen gebruikt kunnen worden bij de opzet van een zogenaamde hennepkwekerij.

15. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [betrokkene 3] van 25 oktober 2011, in de

wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten] (zaaksdossier 1, pagina 65 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 3] :

Aan de verdachte wordt een foto van [betrokkene 2] getoond. Dat is [betrokkene 2] . [naam] bracht mij in contact met [betrokkene 2] . [naam] kwam samen met [betrokkene 2] bij mij thuis langs. [betrokkene 2] heeft toen op de zolder gekeken en zei dat het een mooie zolder was. Hij bedoelde hiermee een mooie zolder om weed te kweken. Hij had het voer twintig of dertig duizend per oogst. Ik zou dus een derde krijgen en [betrokkene 2] een derde en [naam] een derde. [betrokkene 2] had twee hulpjes die meekwamen om te helpen. [betrokkene 4] , die woont in Lisse . De andere heet [naam] en die woont bij [betrokkene 4] in huis. Ik gaf water, ik maakte voeding aan, ik plaatste de stekken. Ik hield het verder in de gaten. Het oogsten dat deed [betrokkene 2] . Het opruimen van de kwekerij deden de jongens en ik. [betrokkene 2] heeft de kwekerij opgezet en heeft lopen timmeren. [betrokkene 2] deed dat samen met [betrokkene 4] of [naam] . Vanaf 2008 zijn er een oogst of tien geweest.

16. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [betrokkene 4] van 2 november 2011, in de

wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisanten]

(zaaksdossier 1, pagina 100 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 4] :

Bij [betrokkene 3] heb ik een keer hennep zitten knippen en daar was [naam] ook bij. Ik ben bij [betrokkene 3] terecht gekomen via mijn opdrachtgever [betrokkene 2] . Ik heb om en nabij de zes keer hennep geknipt in opdracht van [betrokkene 2] .

17. Een geschrift, te weten een schriftelijke weergave van een OVC-gesprek van 1 februari 2011

tussen [betrokkene 2] en [broer betrokkene 2] (zaaksdossier 1, pagina 12 e.v.).

Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:

[betrokkene 2] : Supersociaal, te sociaal, ik had een keer een hokkie aangesloten bij hem.

(…)

[betrokkene 2] : Dus toen kwam ik weer in contact met hem, want dat wist ik natuurlijk allemaal niet, toen ik dat aansloot, zei die van zijn schulden af en ik zou zo graag een bootje willen. Toen had ik nog gezegd, nou joh, als jullie een jaar draaien dan ben jij van je schulden af en dan heb jij een mooie boot liggen.

[broer betrokkene 2] : Verdien je dan zoveel?

(…)

[betrokkene 2] : Nou die gozer is op een gegeven moment ook mee uitgescheden. Toen ben ik het alleen met [betrokkene 3] gaan doen, toen had [betrokkene 3] binnen een mum van tijd als zijn schulden afbetaald.

[broer betrokkene 2] : Nee joh, wat verdien je daarmee per jaar dan?

[betrokkene 2] : Moet je es luisteren, als jij nou twaalf rooitjes, vijf keer twaalf rooitjes per jaar verdiend, heb je zestig rooitjes in het jaar. Als jij dan vijftien of twintig ruggen schuld heb, dan is dat binnen een jaar weg.

[broer betrokkene 2] : Dan verdiend hij zoveel en jij dan?

[betrokkene 2] : Ook.

(…)

[betrokkene 2] : We hebben veertien meter daar, komt zeven kilootjes vanaf.

(…)

[broer betrokkene 2] : Dan is de oogst en dan is het klaar, ga je het dan zelf bereiden?

[betrokkene 2] : Nee, daar heb je mensen voor.

18 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 201112011338.AMB van 1 december

2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar verbalisant [verbalisant] (zaaksdossier 22, pagina 73 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Dit onderzoek richt zich op de strafbare gedragingen van onder andere de verdachte:

[betrokkene 1] ,

Geboren op [geboortedatum] te Leiden

Wonende [adres] te Noordwijk (Gba adres)

Verblijvende [adres] te Noordwijk

Gedurende het onderzoek is vastgesteld dat [betrokkene 1] gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] .

Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [betrokkene 1] door

bekenden van hem wordt aangesproken met de bijnaam [bijnaam betrokkene 1] .

Onderzoeksgegevens:

In de uitgelezen mobiele telefoontoestellen van [naam] en [naam] staan onder andere de navolgende telefoonnummers met de daarbij behorende gebruikers genoteerd.

• [telefoonnummer] [bijnaam betrokkene 1]

• [telefoonnummer] ITALIE

In het uitgelezen mobiele telefoontoestel van [verdachte 3] staan onder andere de navolgende telefoonnummers met de daarbij behorende gebruikers genoteerd.

• [telefoonnummer] [bijnaam betrokkene 1]

• [telefoonnummer] ITALIE

Gebleken is uit opgenomen telefoongesprekken dat [betrokkene 1] , met uitzondering van het laatst genoemde Italiaanse telefoonnummer, gebruik maakt van deze telefoonnummers.

Uit opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken is verder ook gebleken dat [betrokkene 1] met zijn bijnaam [bijnaam betrokkene 1] , wordt aangesproken.

Gespreksgegevens: 001 [-] 271868285

Op zondag 28 augustus 2010 omstreeks 13:13 uur wordt het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [betrokkene 1] , gebeld door [verdachte 2] . Er wordt niet opgenomen waarna [verdachte 2] de voicemail inspreekt: ‘ [bijnaam betrokkene 1] , ik heb al een paar keer gebeld, maar je neemt niet op. Dus nou, bij deze, als je dit hoort. Bel me even terug, als je wil.’

Gespreksgegevens: 001 [-] 271868289

Op zondag 29 augustus 2010 te 13:05 uur wordt [betrokkene 1] gebeld door [verdachte 2] .

[betrokkene 1] wordt [bijnaam betrokkene 1] genoemd [verdachte 2] wordt [bijnaam] genoemd.

Gespreksgegevens: 004 [-] 272395643

[verdachte 3] voert een gesprek in de Fiat Punto voorzien van het kenteken [kenteken] . Er volgt een gesprek over een politieonderzoek. [verdachte 3] zegt dat hij er echt heilig van overtuigd is dat ze niet doelwit zijn van een of andere actie, alleen is hij wel bang dat de mensen om hen heen daar heel erg voor op moeten passen. [verdachte 2] is het daar mee eens. [verdachte 2] zegt dat als ze [bijnaam betrokkene 1] in de gaten houden of weet ik het ovs dan moet je zeggen, ik stop ermee. [verdachte 3] vraagt of dat de enige oplossing zou zijn. [verdachte 2] vraagt zich dan af, ja... waar moet je anders je handel vandaan halen. [verdachte 3] denkt dat ze het dan anders moeten organiseren, via derden.

19. Een geschrift, te weten een schriftelijke weergave van een OVC-gesprek tussen [verdachte 2] van

[verdachte 2] en [betrokkene 2] (zaaksdossier 22, pagina 144 e.v.).

Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:

[betrokkene 2] : Er zijn sowieso maar 2 mensen die ik vertrouw, Jij [betrokkene 1] OVS.

[verdachte 2] : In onze branche en handel is het een heel klein clubje.

20. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer AMB201110271317, van 27 oktober 2011,

in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 5, pagina 78 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Op 24 oktober 2011 heb ik het adres [adres] te Noordwijkerhout betreden. Het toegangshek van het terrein werd geopend door [betrokkene 5] . Ik heb [betrokkene 5] gevraagd of hij mij kan brengen naar de verdovende middelen of de hennepplantage in zijn pand. Hierop zag ik dat hij een trap in het pand op liep en op de tweede verdieping mij een ruimte aanwees waar ik twee caravans zag staan. Deze caravan is ingericht geweest als een hennepkwekerij. Op deze verdieping zijn ngo een tweetal ruimtes aangetroffen die meer dan vermoedelijk in gebruik zijn geweest als hennepkwekerij.

21 Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [betrokkene 5] met nummer

1110281100, van 28 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten] (zaaksdossier 5, pagina 94 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 5] :

Ik heb al ruim een jaar of twee een kwekerij of meerdere kwekerijen gehad. De eerste keer heb ik hennep verkocht aan iemand uit Noordwijk. Daarnaast heeft [betrokkene 1] ook hennep bij mij afgenomen. Hij heeft vijf oogsten van me gekocht. Ik had meerdere hokken.

22. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1514 2010203675-4 van 5 oktober 2010,

in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (zaaksdossier 7, pagina 93 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisant:

Op 5 oktober 2010 ben ik naar het pand aan de [adres] te ’s-Gravenhage gegaan teneinde het pand te betreden voor de inbeslagname van hennepplanten en bijbehorende kweekapparatuur. In een grote ruimte bleek een in werking zijnde kwekerij gesitueerd. In de ruimte waren 5 tentcompartimenten gesitueerd. Ik zag dat er op de grond diverse potten stonden. In deze potten zat aarde en ik zag dat er planten in deze potten zaten. Deze planten herkende ik wat vorm en geur betreft, als vermoedelijk hennepplanten.

23. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte 5] van 22 november 2011, in

de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisanten] (zaaksdossier 7, pagina 213 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [verdachte 5] :

Ik heb een keer of vier geknipt. Dat deed ik in de [adres] te Hillegom en in de [adres] te Den Haag. U vraagt mij aan wie wij de wiet vervolgens verkochten. Dat was [naam] zijn ding. Dat werd door [betrokkene 1] opgehaald. [betrokkene 1] betaalde cash aan [naam] .

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.