Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:429

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
200.170.086/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:2273, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het is aan de man om voldoende onderbouwd te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die van dien aard is dat de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde onderhoudsbijdrage niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De man heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie sinds de beëindiging van zijn dienstverband. Het verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 9 februari 2016

Zaaknummer: 200.170.086/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/218361 / FA RK 14-3634

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [a] ,

appellante,

advocaat: mr. J.H. van der Tol te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Scholtens-Vogelaar te Wormerveer.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 20 mei 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 maart 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/218361 / FA RK 14-3634.

1.3.

De man heeft op 12 juni 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 17 juni 2015 het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 25 augustus 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 9 september 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.8.

Na te noemen [kind 1] , de inmiddels meerderjarige zoon van partijen, heeft bij brief van 21 juni 2015, ingekomen ter griffie van dit hof op 23 juni 2015, laten weten dat hij de volmacht aan de vrouw om een procedure te laten voeren bij de rechtbank tegen de man, intrekt.

1.9.

Zoals ter zitting in hoger beroep is afgesproken, heeft de man op 1 oktober 2015 een nader stuk ingediend. Van de zijde van de vrouw is daarop op 6 oktober 2015 een schriftelijke reactie ter griffie van dit hof binnengekomen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1995 gehuwd. Hun huwelijk is op 28 november 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 november 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind 1] (hierna: [kind 1] ) op [datum] 1997 en [kind 2] (hierna: [kind 2] ) [in] 1999.

2.2.

Bij een in september/oktober 2006 tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant is overeengekomen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen van € 300,- per kind per maand. Het echtscheidingsconvenant is aan de echtscheidingsbeschikking gehecht. Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man de overeengekomen kinderbijdrage dient te voldoen met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Vermeerderd met de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2015 € 350,73 per kind per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1958. Hij is gehuwd met mevrouw [x] .

Hij is gedurende 13 jaar werkzaam geweest in loondienst. Zijn arbeidsovereenkomst is op 12 februari 2011 met wederzijds goedvinden geëindigd op initiatief van de werkgever vanwege een reorganisatie bij die werkgever, een werkmaatschappij van [bedrijf] . Tot 1 september 2014 ontving hij een WW-uitkering.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1964. Zij vormt met [kind 1] en [kind 2] een eenoudergezin.

Zij is werkzaam in loondienst bij het [medisch centrum] als verpleegkundige. Blijkens de jaaropgave over 2014 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 31.996,-.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de beschikking van 21 november 2006 en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant in zoverre gewijzigd dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen met ingang van 1 september 2014 is bepaald op € 25,- per kind per maand. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man de door hem voor [kind 1] en [kind 2] te betalen kinderbijdrage met ingang van 1 september 2014 op nihil te stellen, althans deze te bepalen op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum.

3.2.

De vrouw verzoekt – verkort weergegeven en naar het hof begrijpt -, met vernietiging van de bestreden beschikking:

I. de door de man te betalen kinderbijdrage te bepalen op € 300,- per maand per kind met ingang van 1 september 2014 dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

II. te bepalen dat de man gehouden is om stukken over te leggen die zien op de beëindiging van zijn dienstverband bij [bedrijf] , zijn beëindigingsovereenkomst, de hoogte van zijn ontslagvergoeding en bewijsstukken waaruit blijkt waarvoor de man de ontslagvergoeding heeft aangewend, dan wel andere stukken die hieromtrent van belang zijn;

III. de man op te roepen om een getuigenverklaring af te leggen ten aanzien van de door hem ontvangen ontslagvergoeding en te verklaren waarvoor hij de ontslagvergoeding heeft aangewend;

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, begroot op een bedrag van € 1.674,-, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

3.3.

De man verzoekt – kort samengevat - de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, te beramen op de werkelijk gemaakte kosten, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ten aanzien van de bijdrage voor [kind 1] wordt als volgt overwogen.

[kind 1] is op [datum] 2015 meerderjarig geworden. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen bijdrage voor [kind 1] op € 25,- per maand bepaald. De vrouw is van deze beslissing in hoger beroep gekomen, maar [kind 1] heeft blijkens zijn hiervoor onder 1.8. genoemde brief de aan de vrouw gegeven volmacht om te procederen ingetrokken. De vrouw zal in haar verzoek in hoger beroep voor zover dit de uitkering voor [kind 1] na [datum] 2015 betreft, niet ontvankelijk worden verklaard.

4.2.

Ten aanzien van de bijdrage voor [kind 2] en de bijdrage voor [kind 1] tot [datum] 2015 overweegt het hof als volgt.

Het aandeel van de man in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] zoals dat is vastgesteld in de echtscheidingsbeschikking wordt niet betwist en staat daarmee vast.

4.3.

De vrouw stelt dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de man niet langer in staat is de overeengekomen en bij beschikking van 21 november 2006 vastgestelde kinderbijdrage te betalen, en voert daartoe het volgende aan. De man heeft in 2013 tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden als beveiliger een geweldsdelict gepleegd, waarvoor hij is veroordeeld tot een geldboete. Als hij om die reden niet meer over een verklaring omtrent het gedrag (VOG) beschikt, dienen de gevolgen daarvan – het niet meer kunnen werken als beveiliger - voor zijn rekening en risico te komen. De man dient dan te proberen op andere wijze inkomen te verwerven. Van de man kan worden verwacht dat hij zijn verdiencapaciteit volledig benut. Hij heeft slechts twee afwijzingen van sollicitaties overgelegd. Niet is gebleken dat de man vanwege het ontbreken van een VOG thans minder uren werkt.

De man is in 2011 ontslagen bij [bedrijf] . De aanvankelijke verklaring van de man dat hij geen ontslagvergoeding heeft ontvangen is ongeloofwaardig. Hij had op basis van de kantonrechtersformule recht op een ontslagvergoeding van ten minste € 80.000,- bruto. Nadat de man bij de op 1 oktober 2015 ingediende brief een verklaring van [bedrijf] heeft overgelegd waaruit blijkt dat [bedrijf] hem een ontslaguitkering van € 24.900,- bruto zal uitkeren, heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat de ontslaguitkering hoger moet zijn geweest. Hij heeft ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de herkomst is van het inkomen uit vroegere dienstbetrekking van € 47.527, bruto dat hij blijkens een voorlopige aanslag IB 2013 in dat jaar heeft ontvangen.

4.4.

De man stelt zich op het standpunt dat zijn draagkracht niet voldoende is om een kinderbijdrage van meer dan € 25,- per maand te betalen, en voert daartoe het volgende aan. Na zijn ontslag bij [bedrijf] ontving hij een WW-uitkering. Sinds de beëindiging van de WW-uitkering per 1 september 2014 heeft de man nog slechts een zeer beperkt inkomen. Hij komt niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand / Participatiewet vanwege het inkomen van zijn echtgenote.

Aanvankelijk stelde de man zich op het standpunt dat hij bij de beëindiging van zijn dienstverband bij [bedrijf] geen ontslagvergoeding heeft ontvangen. Hij heeft op kosten van [bedrijf] een opleiding tot beveiliger gevolgd en is vrijgesteld geweest van werkzaamheden met behoud van salaris tot 1 juli 2011. Op 1 oktober 2015 heeft de man alsnog een verklaring van [bedrijf] overgelegd waaruit een ontslaguitkering van € 24.900,- bruto blijkt.

Sinds november 2010 heeft hij gewerkt in de beveiliging. Hij is in 2013 strafrechtelijk veroordeeld wegens mishandeling en zal daarom geen VOG meer krijgen voor dergelijk werk. De man had inkomsten uit werkzaamheden als beveiliger maar zijn inkomen is thans zeer beperkt.

De man is nu 57 jaar en het is, gezien zijn leeftijd, vrijwel onmogelijk buiten de beveiligingsbranche aan de slag te komen. Hij staat ingeschreven als werkzoekende en solliciteert, maar is tot nu toe steeds afgewezen. De man voldoet niet aan de functievereisten van de door de vrouw overgelegde vacatures.

4.5.

Als uitgangspunt geldt dat de man als ouder van [kind 2] en [kind 1] jegens hen een wettelijke onderhoudsplicht heeft. Het is aan de man om voldoende onderbouwd te stellen – en zo nodig te bewijzen – dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, die van dien aard is dat de bij de echtscheidingsbeschikking van 21 november 2006 vastgestelde onderhoudsbijdrage niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

Het hof stelt in dit verband voorop dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie sinds de beëindiging van zijn dienstverband bij [bedrijf] . Duidelijk is dat het vaste dienstverband van de man is beëindigd, waardoor zijn inkomen is gewijzigd. De man heeft echter, naar het oordeel van het hof, onvoldoende onderbouwd dat zijn inkomen zodanig beperkt is dat hij sinds 1 september 2014 niet langer is staat is de onderhoudsbijdrage voor [kind 1] en [kind 2] te voldoen. Het hof neemt daarbij het navolgende in aanmerking.

De man heeft na de zitting in hoger beroep een beëindigingsovereenkomst van [bedrijf] van 3 november 2010 overgelegd waarin staat vermeld dat hem een schadeloosstelling zal worden uitgekeerd van € 24.900,- bruto en dat zijn dienstverband eindigt per 12 februari 2011. De inhoud van deze brief komt niet overeen met de stellingen van de man bij verweerschrift in hoger beroep dat hij geen ontslagvergoeding heeft ontvangen, en voorts niet met de verklaring van de man ter zitting in hoger beroep dat hij geen ontslagvergoeding heeft ontvangen doch op kosten van de werkgever een opleiding tot beveiliger heeft gevolgd en dat zijn dienstverband bij [bedrijf] tot 1 juli 2011 heeft geduurd.

De man heeft voorts niet inzichtelijk gemaakt hoe zijn belastbaar inkomen uit werk en woning in het jaar van ontslag (2011) van € 71.663,- dat hij blijkens de aangifte IB van 2011 in dat jaar heeft genoten, was samengesteld. Hierbij merkt het hof op dat dit inkomen vrijwel overeenkomt met zijn inkomen in 2010 zoals genoemd in de door de man overgelegde inkomensverklaring 2010 van de belastingdienst (€ 70.222,-), het jaar waarin hij nog volledig in loondienst was bij [bedrijf] .

Blijkens een door de man in eerste aanleg overgelegde aanslag IB 2012 heeft de man in dat jaar een belastbaar inkomen uit werk en woning genoten van € 59.156,-. Desgevraagd heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij in 2012 en 2013 nog bij [metaalbedrijf] heeft gewerkt, en dat in die periode zijn WW‑uitkering is aangepast. De aard van de werkzaamheden, de duur, de reden van beëindiging van die werkzaamheden en het bijbehorende salaris zijn door de man niet inzichtelijk gemaakt.

De man heeft een jaaropgave van het UWV over 2013 in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij in dat jaar een fiscaal loon van € 22.534,- heeft ontvangen vanwege zijn WW-uitkering en een jaaropgave 2013 van [beveiligingsbedrijf] waaruit blijkt dat hij in dat jaar een fiscaal loon heeft ontvangen van € 1.341,-. Deze bedragen zijn niet te rijmen met zijn voorlopige aanslag IB 2013, waarbij zijn inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking zijn bepaald op € 26.909,- bruto en zijn inkomsten uit vroegere dienstbetrekking op € 47.527,- bruto. De herkomst van laatstgenoemd bedrag heeft de man niet inzichtelijk gemaakt.

De man heeft een jaaropgave 2014 van [beveiligingsbedrijf] overgelegd waaruit blijkt dat hij in dat jaar een fiscaal loon heeft ontvangen van € 4.429,- bruto en een jaaropgave 2014 van [veiligheidsregio] met een fiscaal loon van € 2.337,- bruto. De man heeft de hoogte van zijn WW‑uitkering in dit jaar niet aan de hand van stukken gestaafd. Blijkens een door de man overgelegde voorlopige aanslag IB over 2014 is zijn inkomen uit werk en woning in dat jaar op € 47.703,- bruto bepaald. Niet is gebleken dat de man tegen deze aanslag bezwaar heeft gemaakt of dat deze nadien is gewijzigd. Nu hij de aangifte IB 2014 niet heeft overgelegd, heeft de man onvoldoende inzicht gegeven in de samenstelling van voormeld inkomen uit werk en woning.

Uit de door de man overgelegde voorlopige aanslag IB 2015 blijkt dat zijn inkomen uit werk en woning in dat jaar wederom op € 47.703,- is bepaald. Niet is gebleken dat de man tegen deze beschikking bezwaar heeft gemaakt dan wel dat deze nadien is gewijzigd.

De man heeft verder ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij geen VOG meer zou krijgen, maar heeft dit niet - bijvoorbeeld door middel van een afwijzing van een aanvraag - onderbouwd. Blijkens salarisspecificaties over de maand december 2014 heeft hij in ieder geval ruim een jaar na zijn strafrechtelijke veroordeling nog in dienst van [beveiligingsbedrijf] en [veiligheidsregio] gewerkt.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband bezien, brengt het hof tot de conclusie dat de man onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn inkomsten, ook over de jaren 2014 en 2015. Het hof constateert dat er sprake is geweest van een achteruitgang in inkomen aan de zijde van de man, en in zoverre zijn de omstandigheden gewijzigd. De man heeft echter zijn stelling, dat het hem sinds 1 september 2014 aan draagkracht ontbreekt om aan de vastgestelde onderhoudsbijdragen nog langer te voldoen, niet zodanig onderbouwd dat het hof tot enige vaststelling van een bijdrage kan komen. Het hof dient er dan ook van uit te gaan dat de man nog steeds voldoende draagkracht heeft, in die zin dat het verzoek van de vrouw in hoger beroep, om de bijdrage voor [kind 1] en [kind 2] vast te stellen op een bedrag van € 300,- per kind per maand met ingang van 1 september 2014, dient te worden toegewezen. Voor de goede orde merkt het hof daarbij op dat, nu [kind 1] niet in hoger beroep heeft willen opkomen, de bestreden beschikking in zoverre in stand blijft dat de bijdrage ten behoeve van [kind 1] met ingang van diens meerderjarigheid, [datum] 2015, € 25,- per maand bedraagt.

4.6.

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen behoeven de overige grieven van de vrouw geen bespreking meer.

Nu het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen heeft zij bij haar verzoeken sub II en III geen belang meer. Deze zullen worden afgewezen.

4.7.

Partijen hebben over en weer verzocht de ander in de kosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep te veroordelen. Het hof ziet geen aanleiding een van partijen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep van de ander te veroordelen. Het hof zal de verzoeken ten aanzien van de kostenveroordeling in eerste aanleg afwijzen en de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren op na te melden wijze.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek voor zover dit de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [kind 1] na [datum] 2015 betreft;

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij met wijziging van de beschikking van 21 november 2006 en het daaraan aangehechte echtscheidingsconvenant de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [kind 2] en de bijdrage in de kosten van [kind 1] tot [datum] 2015 is bepaald op € 25,- per maand, en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de man tot wijziging van de bijdrage ten behoeve van [kind 2] en de bijdrage voor [kind 1] tot [datum] 2015 alsnog af;

bepaalt, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 21 november 2006 in zoverre, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 1 september 2014 op € 300,- per kind per maand, waarbij de bijdrage ten behoeve van [kind 1] in de kosten van levensonderhoud en studie vanaf [datum] 2015 op grond van de in zoverre in stand gebleven beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 18 maart 2015 € 25,00 per maand bedraagt;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. R.G. Kemmers en mr. J. Louwinger-Rijk in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.