Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4259

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
200.053.248/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 28 februari 2012. Niet bewezen is dat handelaar II van wie de geïntimeerde de auto verkreeg, zelf had verkregen van een beschikkingsonbevoegde handelaar I. Reeds daarom is de vordering uit onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking van de appellant, aan wie de auto eerder door dezelfde handelaar I was verkocht maar niet in eigendom overgedragen, terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.053.248/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 339831 / HA ZA 06-1056

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 oktober 2016

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. O.F.J. Moorman van Kappen te Eindhoven,

tegen

[C] PERSONENAUTO’S B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. G.E. Toxopeus te Rotterdam.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 28 februari 2012 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Ingevolge het tussenarrest heeft [appellant] op 25 mei 2012 en 17 januari 2013 getuigen doen horen. De daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn bij de gedingstukken gevoegd. [geïntimeerde] heeft afgezien van een tegenverhoor.

[appellant] heeft een memorie na enquête genomen, en daarbij nog een productie in het geding gebracht.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1

Bij het tussenarrest is [appellant] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [M] ten tijde van de verkoop van de auto aan [geïntimeerde] niet bevoegd was over de auto te beschikken.

2.2

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft [appellant] getuigen doen horen.

2.3.

[appellant] heeft als getuige onder meer verklaard:

In 2001 heb ik de Mercedes Benz CLK 320 cabriolet, waarover het in deze procedure gaat, gekocht voor NLG 97.500,--. De auto had Duitse nummerplaten. Er was een Duitse Fahrzeugbrief bij aanwezig. Daaruit bleek om welke auto het ging, maar niet op wiens naam die auto stond. Ik had geen papier waaruit bleek op wiens naam die auto stond. Ik heb de auto gekocht bij Mercedes Exclusiveshop. Ik werd daar te woord gestaan door de directeur de heer [X] . Hij zei mij dat het een auto was van DJ Cars. DJ betekent [Z] . Ik kende DJ Cars wel, want ik zag wel eens auto’s van DJ Cars te koop staan in Autotrader, het blad en de website. Van de aankoop is een contract opgemaakt. Dat contract zit als productie 1 bij de inleidende dagvaarding. De raadsheer-commissaris stelt vast dat in zijn exemplaar van dit gedingstuk een ander contract zit, namelijk een inkoopverklaring met betrekking tot een andere auto. In het dossier van mr. Moorman van Kappen, dat hij van zijn voorganger heeft gekregen, zit wel het contract wat ik bedoel, maar niet het contract dat de raadsheer-commissaris heeft. In het dossier van mr. Toxopeus zitten beide contracten.

Een afschrift van het contract dat ik bedoel wordt aan dit proces-verbaal gehecht. Ik verklaar dat de inkoopverklaring, die in het dossier van de raadsheer-commissaris zit, betrekking heeft op de auto die ik bij dezelfde gelegenheid heb ingeruild.

Ik heb het bedrag van NLG 97.500,-- kort na de aankoop betaald aan Exclusiveshop. Ik heb de auto meegekregen zonder dat er iets werd veranderd aan het kenteken of kentekenbewijzen en zonder dat hij was ingevoerd.

Binnen een paar maanden na deze aankoop ben ik gebeld door [Z] van DJ Cars. Hij bevestigde dat hij de eigenaar was van het kenteken op de auto en zei dat hij zijn kentekenplaten terugwilde. Ik verwachtte al zo’n telefoontje, want de heer [X] had gezegd dat de auto op naam van DJ Cars stond. Ik had op dat moment niet het geld om de auto in te voeren. De kosten voor invoer van de auto is afhankelijk van de nieuwwaarde van het type auto en de leeftijd van de auto. Voor deze auto was het BPM-bedrag ongeveer € 20.000,--. Dat was nodig om de auto in te voeren en dat bedrag had ik niet. [Z] stelde voor dat hij de auto zou invoeren en de kosten voor invoering voor mij zou financieren. Dat kwam mij goed uit. Op zichzelf had ik [Z] niet nodig om de auto te kunnen invoeren, want met de Fahrzeugbrief had ik het ook zelf kunnen doen als ik het benodigde bedrag had gehad. Nu ik erover nadenk weet ik niet zeker meer of ik inderdaad de Fahrzeugbrief meteen bij de aankoop gekregen heb of pas later. In elk geval sprak ik met [Z] af dat hij de auto voor mij zou invoeren. Ik weet niet wat zijn achternaam is en ik heb daar ook niet naar gevraagd.

Zoals gezegd kende ik de naam DJ Cars wel, en dat was voor mij voldoende.

Na dit telefoontje ben ik naar [plaats] geweest en heb ik behalve [Z] ook [Y] ontmoet. Kennelijk werkten zij samen, maar hoe en in welke vennootschap wist ik verder niet. Wij spraken af dat zij de auto voor mij zouden invoeren. Zij wilden dat de auto dan op hun naam zou komen te staan als zekerheid voor de betaling door mij van het door hen gefinancierde bedrag in verband met de invoer. Ik zag daar geen kwaad in. Als ik betaald zou hebben zou de auto op mijn naam komen en zou ik ook het overschrijvingsbewijs ontvangen. Ik dacht dat het wel goed zou komen.

Op 16 augustus 2002 heb ik de overeenkomst ondertekend, die als productie 4 bij de inleidende dagvaarding is overgelegd. De bedoeling was dat ik gedurende twaalf maanden maandelijks € 914,-- zou betalen en daarna een slottermijn van € 8.400,-- en dat daarna de auto op mijn naam zou komen en ik alle papieren zou verkrijgen. Ik kreeg van [Y] ook de kentekenpapieren alvast, behalve het overschrijvingsbewijs. Ik zag op de kentekenpapieren dat de auto op naam van [M] B.V. stond. Dat was een vennootschap van [Y] . Vanaf het moment dat ik deze kentekenpapieren kreeg, 16 augustus 2002 dus, ben ik met de auto gaan rijden. Vanaf die datum wist ik ook dat ik zaken deed met [M] B.V. van [Y] . Ik deed dus verder geen zaken met [Z] .

2.4.

Getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] hebben verklaard zoals in het proces-verbaal is vastgelegd.

2.5.

Het hof leidt uit de verklaring van [appellant] af dat, toen bleek dat [appellant] de benodigde BPM niet (onmiddellijk) kon opbrengen, tussen [appellant] en [M] is overeengekomen dat de auto niet op naam van [appellant] zou komen. [appellant] zou [M] een aantal termijnen betalen en na die betalingen zou de auto op naam van [appellant] worden gezet. [appellant] zou bij die gelegenheid alle papieren krijgen, in het bijzonder het overschrijvingsbewijs dat nodig is voor overdracht van de auto aan een derde. Het hof stelt vast dat hetgeen getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard, geen of onvoldoende aanwijzingen bevat voor een andere conclusie.

2.6.

Een en ander betekent dat de regeling tussen [appellant] en [M] , zo concludeert het hof, inhield dat [appellant] pas de eigendom van de auto zou verwerven, zodra door hem alle verschuldigde termijnen zouden zijn voldaan. [appellant] was tot dat moment niet beschikkingsbevoegd en [M] was dat, zo concludeert het hof uit de eigen verklaring van [appellant] (“Zij wilden dat de auto dan op hun naam zou komen te staan als zekerheid voor de betaling door mij van het door hen gefinancierde bedrag in verband met de invoer”), dus kennelijk wel. Dat alle termijnen door [appellant] zijn betaald is onvoldoende gebleken.

Uit de verklaring van [appellant] is niet af te leiden dat [M] (niettemin) op enig moment na het aangaan van deze overeenkomst daadwerkelijk de auto, en daarmee de beschikkingsbevoegdheid, aan [appellant] heeft overgedragen, zodat moet worden geconcludeerd dat [M] de eigendom en de beschikkingsbevoegdheid heeft behouden. Daaruit volgt dat [M] over de auto kon beschikken en de eigendom daarvan kon overdragen aan een derde. Dat een dergelijke overdracht zou verhinderen dat [M] de eigendom aan [appellant] zou kunnen overdragen en dat [M] daardoor jegens [appellant] toerekenbaar te kort zou schieten, doet aan de beschikkingsbevoegdheid van [M] niet af.

2.7.

Een en ander leidt tot de conclusie dat [appellant] in elk geval niet heeft bewezen dat [M] ten tijde van de overdracht van de auto niet bevoegd was over de auto te beschikken. Daaruit volgt dat niet relevant is of [geïntimeerde] en Poel te goeder trouw waren. Grief I in het incidenteel appel slaagt daarom. Grief I in het principaal appel is gebaseerd op de veronderstelling dat [M] beschikkingsonbevoegd was en faalt reeds daarom.

2.8.

In het tussenarrest zijn de grieven II, III, IV, V en VI reeds behandeld. Voor zover [appellant] met de grieven ook heeft betoogd dat [geïntimeerde] en [A] niet te goeder trouw waren, komt het hof niet toe aan de behandeling daarvan, nu is overwogen dat [M] beschikkingsbevoegd was. Ook overigens slagen de grieven niet. Bij behandeling van de tweede grief in het incidentele appel heeft [geïntimeerde] geen belang.

2.9.

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partijen worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1769,-- aan verschotten en € 2.316,-- voor salaris ;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.158,-- voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, D.J. van der Kwaak en M.A.J.G. Janssen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.