Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4254

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
200.185.183/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:2021
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:5351
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 25 oktober 2016

Zaaknummer: 200.185.183/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/171075 / FA RK 10-2196

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.J.P.M. Schellekens te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.L. Kock te Heemstede.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 5 februari 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 november 2015 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem), met kenmerk C/15/171075 / FA RK 10-2196.

1.3.

De vrouw heeft op 21 maart 2016 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 20 mei 2016 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 30 mei 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door de heer B.F.M. Ruijsenaars, tolk in de Engelse taal;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw V.A.S. Regout, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

De advocaat van de man en de advocaat van de vrouw hebben ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben kort een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren [in] 2008 [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). De vrouw heeft het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.2.

De man heeft bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 29 juni 2010, de rechtbank verzocht om hem vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] te verlenen en een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen. Bij beschikking van 21 september 2010 van de rechtbank Haarlem is mr. Y. Welter tot bijzondere curator voor [de minderjarige] benoemd.

2.3.

Bij beschikking van 20 maart 2012 van de rechtbank Haarlem is, voor zover van belang, de beslissing pro forma aangehouden in verband met mediation en is een tijdelijke omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat [de minderjarige] eenmaal per drie weken van 9.00 uur tot 15.00 uur bij de man verblijft.

2.4.

Bij beschikking van 21 augustus 2012 van de rechtbank Haarlem is aan de man vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] verleend. [de minderjarige] is op 19 december 2012 door de man erkend.

2.5.

Bij beschikking van 19 november 2012 van de rechtbank Haarlem is, voor zover van belang, vastgelegd dat partijen ter zitting op 13 november 2012 het volgende zijn overeengekomen:

  • -

    er zal geen hoger beroep worden ingesteld tegen de door de rechtbank verleende vervangende toestemming tot erkenning;

  • -

    de man ziet af van een verzoek tot gezamenlijk ouderlijk gezag over [de minderjarige] ;

  • -

    de tijdelijk omgangsregeling wordt uitgebreid met twee uur, derhalve tot 17.00 uur;

  • -

    de procedure met betrekking tot omgang zal pro forma wordt aangehouden voor drie maanden, in verband met de nieuwe mediation overeenkomst tussen partijen.

2.6.

Bij brief van 8 februari 2013 heeft de man zijn inleidend verzoek aangevuld en gewijzigd in die zin dat hij een (opbouwende) omgangsregeling verzoekt waarbij [de minderjarige] uiteindelijk éénmaal per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijft en daarnaast wekelijks éénmaal na school alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen.

2.7.

Bij beschikking van 10 juli 2013 heeft de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) de Raad verzocht een onderzoek te verrichten met betrekking tot de vraag of het belang van [de minderjarige] zich tegen de omgangsregeling in zijn huidige vorm verzet en, zo dit het geval is, met welke regeling [de minderjarige] het beste af is.

2.8.

In het dossier bevindt zich een (gewijzigd) rapport van de Raad van 21 oktober 2013 (hierna: het raadsrapport).

2.9.

Bij beschikking van 26 februari 2014 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) is mevrouw drs. S. Kanselaar, orthopedagoog (hierna: drs. Kanselaar), benoemd tot bijzondere curator voor [de minderjarige] . De rechtbank heeft haar verzocht de vraag te beantwoorden welke omgangregeling in het belang is van [de minderjarige] en of een regeling waarbij zij eens per twee of eens per drie weken bij haar vader verblijft meer in haar belang is.

2.10.

In het dossier bevindt zich een verslag van drs. Kanselaar van 2 juni 2014.

2.11.

Bij beschikking van 6 augustus 2014 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) is, voor zover van belang, bepaald dat partijen het traject Begeleide Omgang moeten volgen, waartoe zij zich dienen te wenden tot Bureau Jeugdzorg – of desnoods een andere instantie die de begeleiding van partijen op zich zal nemen – een en ander met inachtneming van hetgeen in 2.5 en 2.6 van die beschikking is overwogen; en zich dienen te houden aan de door Begeleid Bezoek te geven aanwijzingen. Voorts is bepaald dat de vrouw de man maandelijks schriftelijk op de hoogte dient te houden van de ontwikkelingen, schoolgang en sociale activiteiten van [de minderjarige] . De beslissing over de zorgregeling is pro forma aangehouden.

2.12.

In oktober 2014 hebben partijen overeenstemming bereikt en mevrouw drs. G.M.M. de Boer (hierna: drs. De Boer) als omgangsbegeleider aangezocht. Zij heeft haar opdracht op 27 maart 2015 aan de ouders terug gegeven.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:

Primair:

1. Een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [de minderjarige] , waarbij [de minderjarige] bij de man zal verblijven tenminste éénmaal per twee weken een weekend van vrijdag na school tot zondagavond 18.00 uur, alsmede éénmaal per twee weken (in de andere week) op woensdag na school tot 19.00 uur, waarbij hij [de minderjarige] op vrijdag en op woensdag van school haalt en haar op zondag en op woensdag terugbrengt bij de vrouw, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, althans een omgangsregeling vast te stellen die het hof juist acht, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag of gedeelte van de dag dat de vrouw deze omgangsregeling niet naleeft c.q. hieraan niet meewerkt, met de bepaling dat de alimentatieverplichting van de man zal worden opgeschort zodra en zolang de vrouw niet meewerkt aan de omgangsregeling als door het hof zal worden bepaald;

EN

2. Daarbij te bepalen dat, teneinde toe te werken naar deze omgangsregeling en [de minderjarige] hierin te begeleiden, de eerste contacten tussen de man en [de minderjarige] tot stand komen bij orthopedagoog mw. drs. G.M.M. de Boer te Alkmaar, dan wel een andere door het hof te benoemen Omgangsbegeleider binnen 4 weken na de te wijzen beschikking, en te bepalen dat derhalve de Begeleide Omgang tussen de man en de minderjarige (zonder bijzijn van de vrouw) wordt voortgezet bij orthopedagoog mw. drs. G.M.M. de Boer te Alkmaar, dan wel een andere door het hof te benoemen Omgangsbegeleider, en te bepalen dat de vrouw gehouden is hieraan mee te werken door [de minderjarige] in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn op de momenten waarop en de locatie waar de Begeleide Omgang tussen de man en [de minderjarige] op aanwijzingen van de te benoemen begeleider zal plaatshebben, alsook gehouden zal zijn alle overige aanwijzingen van de begeleider in het kader van Begeleide Omgang op te volgen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke keer dat de vrouw hieraan geen gevolg geeft c.q. hieraan niet meewerkt, met de bepaling dat de alimentatieverplichting van de man zal worden opgeschort zodra en zolang de vrouw geen gevolg geeft aan de aanwijzingen van de begeleider dan wel op enigerlei wijze niet meewerkt aan de Begeleide Omgang tussen de man en [de minderjarige] ;

EN

3. daarbij te bepalen dat de vrouw de man wekelijks schriftelijk informeert over het leven en welzijn van [de minderjarige] , op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke keer dat de vrouw hieraan geen gevolg geeft c.q. hieraan niet meewerkt;

Subsidiair:

4. Indien het hof van mening is dat de voormelde omgangsregeling zonder Omgangsbegeleiding tot stand dient te komen, te bepalen dat de verzochte omgangsregeling wordt opgebouwd volgens de door de man in het (subsidiaire) petitum van zijn beroepschrift gedetailleerd beschreven stappen,

dan wel een andere opbouw van de omgang te bepalen die het hof juist acht, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag of gedeelte van de dag dat de vrouw deze opbouwregeling niet naleeft c.q. hieraan niet meewerkt; met de bepaling dat zijn alimentatieverplichting zal worden opgeschort zolang de vrouw niet meewerkt aan de omgangsregeling als door het hof zal worden bepaald;

EN

5. Hierbij te bepalen dat [de minderjarige] onder toezicht zal worden gesteld om haar bij de (opbouw van de) omgang te kunnen begeleiden en dat de begeleiding van [de minderjarige] bij (de opbouw van) de omgang met de man zal worden uitgevoerd door Jeugdbescherming Amsterdam (JBRA), met de bepaling dat de vrouw gehouden zal zijn de in dit kader te geven aanwijzingen door de gezinsvoogd c.q. begeleider van JBRA op te volgen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per keer dat de vrouw deze aanwijzing(en) niet opvolgt c.q. aan de begeleiding van JBRA niet meewerkt, met de bepaling dat de alimentatieverplichting van de man zal worden opgeschort zodra en zolang de vrouw niet meewerkt aan de omgangsregeling als door het hof zal worden bepaald;

Meer subsidiair:

6. Indien het hof van mening is dat de door de man verzochte omgang niet op de voormelde wijze kan worden vastgesteld dan wel opgebouwd alvorens partijen gezamenlijk het traject Begeleide Omgang en Ouderbegeleiding hebben doorlopen, te bepalen dat de vrouw binnen twee weken na de te geven beschikking zal meewerken aan hervatting van Ouderbegeleiding en Begeleide Omgang bij mw. drs. G.M.M. De Boer dan wel bij een andere door het hof te bepalen deskundige c.q. begeleider, waarbij de begeleider zal rapporteren aan het hof en het hof voorts bepaalt dat de vrouw alle aanwijzingen, zoals die in het kader van frequentie, locatie, wijze van omgang en begeleiding, aanwezigheid van partijen en [de minderjarige] en overige aanwijzingen, van de te noemen deskundige c.q. begeleider gedurende het traject zal opvolgen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per keer dat de vrouw deze aanwijzing(en) niet opvolgt c.q. aan de begeleiding niet meewerkt of anderszins in gebreke blijft,

met de bepaling dat de alimentatieverplichting van de man zal worden opgeschort zodra en zolang de vrouw niet meewerkt aan begeleiding als door het hof zal worden bepaald;

dan wel

7. Indien het hof van mening is dat de door hem verzochte omgang niet op de voormelde wijze kan worden vastgesteld dan wel opgebouwd, te bepalen dat omgang zal plaatsvinden via het Omgangshuis Noord-Holland, met de bepaling dat de vrouw hieraan haar volledige medewerking zal verlenen en de aanwijzingen van het Omgangshuis qua duur, frequentie, locatie en wijze van omgang zal opvolgen op straffe van een dwangsom van € 100,00 per keer dat de vrouw deze aanwijzing(en) niet opvolgt c.q. aan de omgang via het Omgangshuis niet meewerkt,

met de bepaling dat de alimentatieverplichting van de man zal worden opgeschort zodra en zolang de vrouw niet meewerkt aan de omgangsbegeleiding door het Omgangshuis;

Meest subsidiair:

8. Indien het hof van mening is dat partijen verwezen dienen te worden naar forensische mediation alvorens een (definitieve) omgangsregeling tot stand kan komen, te bepalen dat partijen zich binnen twee weken na de te geven beschikking tot een door het hof te benoemen forensische mediator zullen wenden, waarbij bepaald zal worden dat de forensische mediator zal rapporteren aan het hof en dat de vrouw de aanwijzingen van de mediator zal opvolgen op straffe van een dwangsom, van € 100,00 per keer dat de vrouw deze aanwijzing(en) niet opvolgt c.q. aan de forensische mediation niet meewerkt, met de bepaling dat de alimentatieverplichting van de man zal worden opgeschort zodra en zolang de vrouw niet meewerkt aan de forensische mediation als door het hof zal worden bepaald;

EN

9. Hierbij te bepalen dat bij wijze van tijdelijke omgangsregeling [de minderjarige] bij de man zal verblijven eenmaal per twee weken op zaterdag van 9.00 uur tot 17.00 uur, dan wel een andere tijdelijke regeling die het hof juist acht, waarbij de vrouw [de minderjarige] zal brengen bij de man en haar bij de man zal ophalen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag of gedeelte van de dag dat de vrouw deze tijdelijke regeling niet naleeft c.q. hieraan niet meewerkt, met de bepaling dat de alimentatieverplichting van de man zal worden opgeschort zodra en zolang de vrouw niet meewerkt aan de tijdelijke regeling als door het hof zal worden bepaald;

3.3.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de man af te wijzen met veroordeling van de man in de proceskosten.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van deze bepaling limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Het enkele feit dat de met het gezag belaste ouder bezwaren heeft tegen de omgang, is echter niet zo een omstandigheid en kan derhalve geen grond zijn om de andere ouder en het kind hun recht op omgang met elkaar te ontzeggen. Daarvoor is noodzakelijk dat de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ertoe kan leiden dat het kind klem komt te zitten of verloren raakt tussen de beide ouders als de omgang zou worden afgedwongen, met als gevolg dat de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

4.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:HR:2014:91) overweegt het hof dat op de rechter de taak rust om zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken. Dit betekent dat de rechter al het redelijkerwijs mogelijke moet doen om te bewerkstelligen dat een omgangsregeling tot stand komt. Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van het met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd.

4.3.

De man stelt - kort samengevat - dat er geen zwaarwegende belangen zijn om hem het contact met [de minderjarige] te ontzeggen. Er is geen sprake geweest van handelen van de man dat de weestand van de vrouw objectief rechtvaardigt en een contra-indicatie oplevert voor omgang. Ook de rechtbank en alle betrokken instanties/hulpverleners/deskundigen hebben geen contra-indicaties voor omgang aanwezig geacht. Omgang tussen de man en [de minderjarige] levert ook geen ernstig nadeel op voor haar ontwikkeling. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er geen bestendig contact tussen hem en [de minderjarige] tot stand is gekomen. De rechtbank heeft ten onrechte geen melding gemaakt van de omgang die tussen de man en [de minderjarige] heeft plaatsgevonden vanaf de geboorte van [de minderjarige] . Dat [de minderjarige] uiteindelijk blijk gaf van verzet tegen de omgang, is niet aan zijn optreden of handelen te wijten. De man is van mening dat op grond van de voorgeschiedenis geen andere conclusie te trekken valt dan dat de vrouw onvoldoende medewerking heeft verleend aan het tot stand brengen van een definitieve omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] . De pogingen hiertoe zijn gestrand door het uitblijven van daadwerkelijke inzet van de vrouw om verbetering te brengen in haar wantrouwen en weerstand. De man heeft hierin al het mogelijke gedaan wat van hem verwacht mag worden. Hij heeft de afgelopen jaren op diverse momenten diverse vormen van hulpverlening aan de vrouw voorgesteld. Hulpverlening voor de vrouw zelf is echter uitgebleven. Ook de bij deze zaak betrokken deskundigen (de Raad, de bijzondere curator en orthopedagoog mevrouw de Boer) hebben meerdere malen aangegeven dat de vrouw geen inzicht geeft in de inspanningen die zij heeft verricht om haar eigen stressbestendigheid en draagkracht te verbeteren.

De rechtbank heeft niet voldaan aan haar verplichting alle gepaste maatregelen te treffen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking te verlenen aan de omgang tussen het kind en de niet met gezag belaste ouder. Volgens de man zijn er nog andere mogelijkheden om tot contactherstel c.q. voortgang van de omgang te kunnen komen, te weten begeleide omgang, ondertoezichtstelling, omgangshuis en forensische mediation, of een combinatie daarvan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat zowel het gelasten van een ouderschapsonderzoek als het opleggen van een omgangsregeling op dit moment onder de gegeven omstandigheden in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . De man meent dat het uitblijven van contact tussen hem en [de minderjarige] zowel de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] als zijn eigen identiteit schaadt en dit levert daardoor strijd op met artikel 9 IVRK en artikel 8 EVRM.

4.4.

De vrouw voert - kort samengevat - aan dat er sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen. De tussen partijen sterk uiteenlopende verwachtingen over de omgang en de invulling daarvan zorgden voor enorme spanningen tussen partijen en wantrouwen bij de vrouw over de intenties van de man. De vrouw wil geen vergaande inmenging van de man in het dagelijks leven van [de minderjarige] en ervaart de eisen van de man als verstikkend, intimiderend en beangstigend. De vrouw wilde enkel dat de man en [de minderjarige] contact met elkaar zouden hebben zodat [de minderjarige] haar biologische vader zou leren kennen en een band met hem zou kunnen opbouwen. Een dag per drie weken is voor haar fysiek en psychisch het maximaal haalbare, hetgeen ook door haar psycholoog en psychiater bij herhaling is bevestigd.

Vanaf de zomer in 2013 ging [de minderjarige] in verzet tegen de omgang met de man en maakte enorme scènes bij de man aan de deur. Door de Raad is in strijd met artikel 12 IVRK geen acht geslagen op de mening van [de minderjarige] .

Er zijn vele deskundigen bij de zaak betrokken geweest, die allen hebben geconstateerd dat het niet lukt om de voor omgang noodzakelijke communicatie tussen de man en de vrouw op gang te brengen, het noodzakelijke vertrouwen tussen de man en vrouw te herstellen, tussen [de minderjarige] en de man een reguliere en consistente omgang tot stand te brengen. [de minderjarige] ziet de man niet als vader, zij voelt zich niet bij hem thuis, is niet geïnteresseerd in hem en verzet zich hevig op momenten dat er contact gaat komen. De zes verschillende rechters in eerste aanleg, de kinderpsycholoog en de bijzondere curator zijn nimmer van oordeel geweest dat de vrouw niet zou meewerken. De vrouw heeft verschrikkelijk haar best gedaan. De man eist een actieve vaderrol op en verstikt met zijn eisen, waardoor er uiteindelijk weerzin jegens hem is ontstaan. De man heeft de vrouw en [de minderjarige] overvraagd. De vrouw is van mening dat partijen alles hebben gedaan wat in hun vermogen ligt om tot omgang te komen. Het gaat op dit moment goed met [de minderjarige] . Het gelasten van een ouderschapsonderzoek of opleggen van een omgangsregeling is, gelet op alle omstandigheden van het geval, in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] , aldus de vrouw.

4.5.

De Raad heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep van een eenduidig advies onthouden. De vrouw meent de onrust en stress die zij ervaart op te kunnen lossen door de man het contact met [de minderjarige] te ontzeggen en hem geen rol in het leven van [de minderjarige] te laten spelen. Zolang partijen in juridische procedures verwikkeld blijven zal de vrouw echter onrust blijven ervaren. De man het contact met [de minderjarige] ontzeggen biedt daarvoor geen blijvende oplossing, aangezien de man na een jaar weer opnieuw een verzoekt tot vaststelling van een omgangsregeling kan doen. De Raad is van mening dat de rol van de vader belangrijk is in het leven van een kind. Volgens de Raad zijn er op zichzelf geen belemmeringen voor contact tussen [de minderjarige] en de man. Het is lastig dat het de moeder niet lukt om dit contact te ondersteunen, hierdoor kan [de minderjarige] geen onbelast contact hebben met haar vader. Zij heeft psycho-educatie nodig. Kinderen gaan als ze ouder worden de verzorgende ouder verwijten dat de vader geen rol mocht spelen in hun leven. Het is aan de vrouw om bij [de minderjarige] een positief beeld van de man te schetsen. Toch kan de Raad de rechtbank volgen in haar oordeel dat de verhouding tussen de ouders en het wantrouwen van de vrouw jegens de man aanmerkelijke onrust en spanningen voor de vrouw en dus voor [de minderjarige] meebrengen. De Raad weet niet of het zin heeft om een nieuwe deskundige in te schakelen. De vrouw ervaart veel druk en het is niet helder welke negatieve invloed het inschakelen van een nieuwe deskundige daarop heeft. De Raad kan onder deze omstandigheden zowel vaststelling als afwijzing van een omgangsregeling begrijpen.

4.6.

Het hof overweegt dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep het volgende is gebleken. Partijen hebben een kortstondige relatie gehad. Korte tijd na het verbreken van de relatie kwam de vrouw er achter dat zij zwanger was. Tussen partijen is niet in geschil (geweest) dat de man de biologische vader van [de minderjarige] is. De zwangerschapsperiode is voor de vrouw een zware periode geweest. Kort na de geboorte van [de minderjarige] heeft de man een paar keer contact gehad met [de minderjarige] . Partijen zijn reeds vanaf 2010 met elkaar verwikkeld in juridische procedures betreffende het verzoek van de man tot vervangende toestemming erkenning en tot vaststelling van een omgangsregeling. Over betaling van een onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] hebben zij wel overeenstemming weten te bereiken. In 2011 hebben partijen, tijdens gesprekken in aanwezigheid van hun advocaten, afspraken gemaakt teneinde omgang tussen de man en [de minderjarige] tot stand te brengen en uit te breiden. Dit heeft geresulteerd in een reeks contactmomenten tussen de man en [de minderjarige] in de periode februari 2011 tot en met januari 2012, in eerste instantie op neutraal terrein en later bij de man thuis. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 17 februari 2012 hebben partijen overeenstemming bereikt over te starten mediation en een tijdelijke omgangsregeling waarbij [de minderjarige] eenmaal per drie weken van 9.00 uur tot 15.00 uur bij de man verblijft. Bij de voortzetting van de behandeling op 21 juni 2013 is gebleken dat de mediation niet is geslaagd. Gebleken is dat de vrouw psychisch niet in staat is tot uitbreiding van de omgang. De rechtbank heeft vervolgens een raadsonderzoek gelast met betrekking tot de omgangsregeling. De rechtbank achtte het daarbij van belang dat door de Raad gekeken zou worden wat er dient te gebeuren om partijen op ouderniveau met elkaar te kunnen laten communiceren en de omgang voor [de minderjarige] draagbaar te maken. Bij (gewijzigd) rapport van 21 oktober 2013 heeft de Raad de rechtbank geadviseerd om de omgang tussen de man en [de minderjarige] uit te breiden naar één keer in de twee weken van 9 uur tot 17 uur. De Raad wenste dat [de minderjarige] een meer omvattende band met haar vader kon aangaan en achtte acht uur per drie weken daarvoor onvoldoende. De Raad realiseerde zich dat de opvoedingsomgeving bij de vrouw kwetsbaarder wordt, als gevolg van de angst die de vrouw voor de man heeft en houdt. Uit het onderzoek is echter niet gebleken dat de man geen goede opvoeder zou zijn. De Raad wilde deze angst dan ook niet in stand houden. Omdat de rechtbank met dit raadsrapport de vraag wat in het belang van [de minderjarige] niet afdoende vond beantwoord, zag zij aanleiding om drs. Kanselaar als bijzondere curator voor [de minderjarige] te benoemen.

Drs. Kanselaar rapporteert op 2 juni 2014 dat het van belang is dat [de minderjarige] en de man gelegenheid krijgen tot het herstellen van de verstoorde ouder-kindrelatie, zodat [de minderjarige] open kan gaan staan voor contact met haar vader, dat de ouders een ouderrelatie ontwikkelen, dat de man ondersteuning krijgt in het aansluiten op de belevingswereld van [de minderjarige] en dat de vrouw ondersteuning krijgt bij het ontwikkelen van voldoende draagkracht. De bijzondere curator heeft een stappenplan geadviseerd waarbij gedacht zou kunnen worden aan deelname van de ouders aan een traject Begeleide Omgang, waarbij naast begeleid contact tussen de man en [de minderjarige] ook de ouders begeleid worden bij hun te doorlopen ontwikkeling op het gebied van contactherstel en later de contactopbouw, zodat uiteindelijk, zij het stap voor stap en na evaluatie van elke tussenstap, kan worden toegewerkt naar een onbegeleide contactregeling van de man en [de minderjarige] . Bij beschikking van 6 augustus 2014 heeft de rechtbank het advies van de bijzondere curator overgenomen en bepaald dat partijen het traject Begeleide Omgang moeten volgen. Partijen hebben zich gewend tot drs. de Boer voor het traject Begeleide Omgang. Blijkens de door drs. de Boer opgestelde rapportage van 18 februari 2015 en de eindrapportage van 13 april 2015 heeft zij de ouders vanaf 3l oktober 2014 ouderbegeleiding en begeleiding bij de omgang tussen de man en [de minderjarige] geboden. Drs. de Boer heeft op 27 maart 2015 de opdracht teruggeven. In haar eindrapportage is - kort samengevat - het volgende vermeld. Eerst leek verbetering in de ouderrelatie mogelijk, maar in februari 2015 verzwakten deze signalen. Er is geen dialoog tussen de ouders gegroeid. Dit lijkt voort te vloeien uit enerzijds totaal gebrek aan vertrouwen van de vrouw in de man en onwil of onvermogen om hierin te groeien en anderzijds onvermogen van beide ouders om het verleden met rust te laten en alleen toekomstgericht te zijn. Partijen kunnen zich niet of slechts beperkt verplaatsen in de beleving van de ander. Er is een begeleid contact geweest op 11 februari 2015. De vrouw heeft op 20 februari 2015 aangegeven dat tweewekelijks begeleid contact en ook ouderbegeleiding voor haar zeer belastend is. Volgens drs. De Boer is deze frequentie nodig voor een succesvol contactherstel en opbouw van het contact. Met het oog op de levenslopen van de ouders en niet in het minst vanwege de ouderschapsgeschiedenis, acht drs. De Boer voorts samenhang, regie en toezicht in de hulpverlening vereist om de verdere ontwikkeling van het kind te borgen. Drs. de Boer adviseert binnen die kaders spoedige voortzetting van contactherstel en relatie opbouw tussen [de minderjarige] en haar vader, voorlopig zonder bijzijn van de vrouw. Daarnaast dient de daadwerkelijke en lange termijn veerkracht van de moeder in beeld te komen. Inspanningen tot verbetering van de ouderrelatie kunnen pas succesvol worden nadat van inzicht en progressie in de psychologische situatie van de moeder sprake is. Het stranden van de interventie door drs. De Boer heeft de rechtbank uiteindelijk doen beslissen om het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling af te wijzen.

4.7.

Uit het voorgaande blijkt dat ondanks diverse pogingen daartoe en de door de rechtbank reeds getroffen maatregelen er tot op heden geen bestendige omgangregeling tussen [de minderjarige] en de man tot stand is gebracht. In de periode februari 2011 tot en met januari 2012 leken de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de man goed te verlopen. [de minderjarige] had in deze periode redelijk onbelast omgang met de man. Partijen bleken echter uiteenlopende verwachtingen te hebben over de toekomst van het contact tussen [de minderjarige] en de man. De man wil graag een grotere rol spelen in het leven van [de minderjarige] en wenst meer betrokken te zijn bij [de minderjarige] . De vrouw ervaart houding van de man als dwingend, verstikkend en intimiderend. Hoewel de vrouw aanvankelijk goed meewerkte aan het (tot stand brengen van) contact tussen de [de minderjarige] en de man, lijkt het haar niet te lukken om dit vol te houden zodra de man meer dan beperkt contact wenst. Dit lijkt meer te maken te hebben met onvermogen aan de zijde van de vrouw dan met onwil. De vrouw heeft geen enkel vertrouwen in de man en heeft de angst dat de man een actieve vaderrol wil afdwingen. Haar weerstand tegen de man berust echter naar het oordeel van het hof niet op objectieve gronden. Met haar opstelling miskent de vrouw bovendien de toegevoegde waarde van de man als vader voor [de minderjarige] en het belang van contact tussen [de minderjarige] en de man voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] .

Uit het eindverslag van drs. de Boer blijkt dat [de minderjarige] tijdens de begeleide omgang (nadat zij lange tijd geen contact had gehad met de man) aanvankelijk veel emotie en weerstand toonde, maar dat zij binnen korte tijd rustig en op haar gemak was. In haar eindverslag trekt drs. de Boer hieruit de conclusie dat dit vermogen van [de minderjarige] in de eerste sessie perspectief biedt. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat er ruimte en veerkracht bij [de minderjarige] lijkt te zijn voor het opnieuw opbouwen van contact met de man. Het hof neemt voorts in aanmerking dat van contra-indicaties voor omgang tussen de man en [de minderjarige] , anders dan de spanningen bij de vrouw en tussen de ouders, niet is gebleken. Bovendien heeft de man ter zitting verklaard dat hij geen actieve vaderrol ambieert en dat hij zijn rol van vader op afstand accepteert. Het gaat de man er om dát hij contact kan hebben met [de minderjarige] . Verder heeft de man verklaard dat hij openstaat voor een omgangsregeling met [de minderjarige] van één keer per drie weken, wellicht eerst onder begeleiding. Dat de langlopende procedure tussen partijen een grote weerslag op het psychisch welbevinden van de vrouw heeft, kan het hof begrijpen. Dat deze weerslag zo groot is dat dit verhindert om thans verdere stappen tot contactherstel tussen [de minderjarige] en de man te kunnen zetten, heeft zij naar het oordeel van het hof echter onvoldoende onderbouwd. Zij heeft ter zitting aangegeven in therapie te gaan, maar niet duidelijk is of deze therapie verbetering kan brengen in de problemen die zij ervaart bij het faciliteren van contact tussen de man en [de minderjarige] en of deze therapie (mede) de psycho-educatie behelst die de Raad gewenst acht.

4.8.

Het hof is van oordeel dat, alvorens in deze zaak een beslissing te kunnen nemen, nader onderzoek noodzakelijk is. De vrouw heeft aangegeven dat het thans goed gaat met [de minderjarige] en drs. de Boer heeft perspectief voor contact bij [de minderjarige] gezien. Nader onderzoek acht het hof dan ook niet in strijd met de belangen van [de minderjarige] . Integendeel, Jets belang vergt dat, daar waar nog mogelijkheden gezocht en gevonden kunnen worden tot contactherstel met haar vader, deze niet onbenut gelaten mogen worden. Daarbij betekent de opening die [de minderjarige] bij drs. de Boer heeft laten zien naar vader, het ontbreken van duidelijke contra-indicaties voor contactherstel aan de zijde van de man alsmede de onduidelijkheid over de psychische gesteldheid van de vrouw en behandeling die zij ontvangt dat het hof een nog incompleet antwoord heeft op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat alle mogelijkheden voor contactherstel zijn uitgeput. Gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen en hun (ontbrekende) gezamenlijke geschiedenis, acht het hof een ouderschapsonderzoek aangewezen. Het ouderschapsonderzoek dient antwoord te geven op de vraag of en op welke wijze partijen de man een rol in het leven van [de minderjarige] kunnen geven. Tevens kan tijdens het onderzoek worden bezien of proefcontacten kunnen plaatsvinden tussen de man en [de minderjarige] . Het hof acht het niet uitgesloten dat een heroriëntatie op het ouderschap door middel van een ouderschapsonderzoek bewerkstelligd kan worden. Het hof is daarom voornemens dit onderzoek gelasten. Een ouderschapsonderzoek betreft een deskundigenbericht in de zin van artikel 194 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het hof wijst partijen in dat kader op artikel 198 lid 3 Rv, dat bepaalt dat partijen verplicht zijn aan het ouderschapsonderzoek mee te werken. Het hof wijst partijen op het belang om zich ten volle in te zetten, en op het niet vrijblijvende karakter van dit deskundigenonderzoek. Tevens wijst het hof partijen op het verder bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv, op grond waarvan het het hof vrij staat om aan de houding die een partij tijdens een ouderschapsonderzoek onverhoopt zou innemen, de gevolgen te verbinden die het hof geraden voorkomen.

4.9.

Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskundigenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In procedures die worden ingeleid met een verzoekschrift zijn die bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard. De kosten verbonden aan het ouderschapsonderzoek zullen dus voor rekening van partijen komen. De totale kosten verbonden aan het ouderschapsonderzoek bedragen maximaal € 4.500,- (inclusief BTW). Gelet op de omstandigheid dat de man ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven bereid te zijn de kosten voor begeleide omgang op zich te nemen is het hof voornemens te bepalen dat de kosten voor het ouderschapsonderzoek voor rekening van de man komen. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 107,50 per uur exclusief BTW.

4.10.

Het hof is voornemens als deskundige te benoemen: drs. S. Kanselaar, orthopedagoog, Oorgat 13, 1135 CP te Edam, telefoonnummer: 06-46462456. Drs. Kanselaar heeft zich bereid verklaard het onderzoek te verrichten.

4.11.

Het hof zal doelmatigheidshalve de vragen die het hof voornemens is aan de deskundige te stellen in deze beschikking opnemen, zodat partijen zich hier over uit kunnen laten, waarna het hof de vraagstelling zal vaststellen.

4.12.

De deskundige krijgt de opdracht onderzoek te verrichten naar de vraag of – en zo ja op welke wijze, op welke termijn en met inzet van welke eventueel verdere begeleiding en hulpverlening – het contact tussen [de minderjarige] en de man kan worden hersteld en omgang tussen hen tot stand kan komen, en daarbinnen, zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken, met beide ouders tezamen gesprekken te voeren. Het hof is voornemens de te benoemen deskundige te verzoeken de navolgende vragen te betrekken bij het uit te voeren onderzoek:

  1. Hoe is de relatie tussen partijen op ouderniveau? Is er een herkenbaar patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan?

  2. Kan de ouderrelatie worden verbeterd? Kunnen partijen een manier met elkaar vinden waarmee [de minderjarige] buiten de tegenstellingen tussen partijen blijft en onbelast omgang kan hebben met de man?

  3. Hoe is de relatie van [de minderjarige] met de vrouw en de man?

  4. Welk beeld heeft [de minderjarige] van de man?

  5. Wanneer en op welke wijze, kan de omgang tussen [de minderjarige] en de man worden hersteld en worden opgebouwd? Wat is daarvoor nodig? Kunnen er tijdens het ouderschapsonderzoek proefcontacten plaatsvinden tussen de man en [de minderjarige] ?

  6. Zijn er belemmeringen om op korte termijn tot afspraken over contact(herstel) tussen de man en [de minderjarige] te komen? Zo ja, welke belemmeringen zijn dat, zijn deze belemmeringen op te heffen en zo ja hoe zijn deze op te heffen?

  7. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [de minderjarige] ? En zo deze naar voren komen, welke zijn dit?

4.13.

Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om zich binnen drie weken na de datum van deze beschikking uit te laten over de persoon van de hiervoor onder 4.10. voorgesteld deskundige en zich uit te laten over de kostenveroordeling zoals weergegeven onder 4.9. en over de opdracht aan de te benoemen deskundige zoals weergegeven onder 4.12. Vervolgens zal het hof een tussenbeslissing geven. Het hof zal bij die beslissing tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden.

4.14.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

stelt partijen in de gelegenheid zich binnen drie weken na de datum van deze beschikking uit te laten over de persoon van de in rechtsoverweging 4.10. voorgestelde deskundige en de opdracht aan de deskundige zoals weergegeven onder rechtsoverweging 4.12. en de voldoening van de kosten van het ouderschapsonderzoek zoals weergegeven onder 4.9.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en mr. A.R. van Wieren in tegenwoordigheid van mr. C.L. de Lussanet de la Sablonière-Buikema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2016.