Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4249

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
23-004743-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot woninginbraak in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004743-15

datum uitspraak: 4 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-685068-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:


hij op of omstreeks 20 december 2014 te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) weg te nemen een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met een of meer breekijzer(s) en/of schroevendraaier(s), in elk geval een of meer scherp(e) en/of hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en), een of meer sloten aan/van een (toegangs)deur van voornoemde woning heeft/hebben geforceerd en/of verbroken en/of verwijderd;

2:


hij op of omstreeks 20 december 2014 te Wolfheze, gemeente Renkum, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 3]) weg te nemen een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met een of meer breekijzer(s) en/of schroevendraaier(s), in elk geval een of meer scherp(e) en/of hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en), een of meer slot(en) en/of ra(a)m(en) aan/van voornoemde woning heeft/hebben geforceerd en/of opengebroken en/of (vervolgens) een of meer kamer(s) en/of (lade)kast(en) in voornoemde woning heeft/hebben doorzocht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte op (of omstreeks) 19 december 2014 de ten laste gelegde poging tot woninginbraak in vereniging heeft gepleegd. Zelfs indien op grond van de aan de verdachte toegeschreven tapgesprekken moet worden aangenomen dat de verdachte degene is geweest die het bewuste voertuig heeft gehuurd, brengt dat niet met zich dat de verdachte zich met zijn mededaders in die auto naar de woning in Wolfheze heeft begeven. De verdachte is op 19 december 2014 immers niet in de auto waargenomen, en uit de waarnemingen en herkenningen die het observatieteam heeft gedaan volgt dat de personen die zich op die dag in de auto bevonden niet dezelfde waren als de personen die daarin op 20 december 2014 zijn aangetroffen. De politie heeft immers op 19 december 2014 medeverdachte [medeverdachte 1] als bestuurder van het voertuig herkend, terwijl [medeverdachte 1] op 20 december 2014 niet is aangetroffen of waargenomen. Mede gelet daarop kan ook niet worden aangenomen dat medeverdachte [medeverdachte 2] in zijn bekennende verklaring, waarbij hij geen namen van mededaders heeft willen noemen en evenmin heeft willen zeggen of op 19 december 2014 dezelfde personen betrokken waren als op 20 december 2014, het oog heeft gehad op de verdachte waar hij verklaart dat het op “vrijdag een pot nat (was). Precies hetzelfde als zaterdag”. De vingerafdruk van de verdachte die is aangetroffen op een plastic tas rond het breekijzer legt gelet op het voorgaande onvoldoende gewicht in de schaal.

Bespreking van een ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gevoerd verweer

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie van medeplegen te dragen.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte op 20 december 2014 tezamen met zijn mededaders naar de [adres 2] te Doorn is gegaan en zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot woninginbraak in vereniging. Daartoe is allereerst redengevend de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] van 22 december 20141, inhoudende dat hij op 20 december 2014 een poging tot woninginbraak heeft ‘gedaan’, dat hij met anderen in de auto is gestapt, dat zij eerst – kort gezegd – gereedschap hebben gekocht en in de auto een breekijzer en twee schroevendraaiers hadden, dat zij ‘vet ver van Amsterdam’ zijn gereden, dat ze gingen bekijken waar ze een inbraak konden plegen, dat hij een schroevendraaier heeft gepakt ‘om de deur te wrikken’, dat het even duurde omdat het drie sloten waren en dat zij gestopt zijn omdat hij iemand hoorde roepen en zij vervolgens in de auto zijn gestapt en weg zijn gereden. Blijkens het proces-verbaal van observatie van bevindingen van 20 december 2014 is (naar het hof begrijpt op 20 december 2014) een observatie uitgevoerd op de medeverdachte [medeverdachte 2]. Om 15:27 uur zijn vier inzittenden waargenomen in de auto met kenteken [kenteken], naar later bleek [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], de verdachte en [medeverdachte 4]2.

Uit het proces-verbaal observeren van zaterdag 20 december 2014 volgt dat het observatieteam het volgende heeft waargenomen:

- om 17.38 uur stond de [kenteken] (naar het hof telkens begrijpt: de auto met kenteken [kenteken]) op de [adres 2] te Doorn geparkeerd en er zaten geen personen meer in het voertuig;

- om 17.48 uur stond een man met een licht getinte huidskleur en een bril op zijn hoofd naast de [kenteken] en kwamen twee mannen van een pad lopen dat, naar later blijkt, toegang geeft tot perceel [adres 2] te Doorn. Die twee mannen gingen naar de [kenteken], stonden even bij de auto en liepen weer terug naar perceel [adres 2] te Doorn.

- om 17.51 uur liepen drie mannen in versnelde pas bij het perceel [adres 2] te Doorn weg. Twee van de drie mannen droegen iets in hun armen voor hun buik. De mannen stapten in de [kenteken], waarna het voertuig met hoge snelheid en gedoofde verlichting in de richting van N227 is gereden.

Op of omstreeks 18.05 uur zijn de inzittenden van de [kenteken], onder wie de verdachte, aangehouden3.

- Medeverdachte [medeverdachte 4] is brildragend en heeft een licht getinte huidskleur4.

- Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 20 december 2014 omstreeks 17.50 uur geluiden hoorde bij de buren op [adres 2] en dat hij heeft geroepen “wie is daar”?5

Uit het bovenstaande volgt dat de verdachte zich met drie anderen in een auto naar de [adres 2] te Doorn heeft begeven, nadat zij in Amsterdam diverse inbrekerswerktuigen hadden gekocht, en dat hij daar ook direct na de poging tot diefstal met braak weer met hen vandaan is gegaan. Hoewel door medeverdachte [medeverdachte 2] niet wordt beschreven wie van hen welke handeling heeft uitgevoerd blijkt uit bovenstaande feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de overige te bezigen bewijsmiddelen, dat de poging tot diefstal gezamenlijk is uitgevoerd, mede gezien het feit dat niemand gedurende de uitvoering van de poging tot inbraak in de auto is achtergebleven, en moet het er – mede bij gebrek van een (andersluidende, laat staan aannemelijke) verklaring van de verdachte – voor worden gehouden dat zijn bijdrage daaraan van voldoende gewicht is geweest.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 20 december 2014 te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres 2] weg te nemen een of meer goed(eren) van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 1] en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en zijn mededaders met een breekijzer en/of een schroevendraaier sloten van een toegangsdeur van voornoemde woning hebben geforceerd.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 163 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 163 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven tas aan het verkeer zal worden onttrokken.

De raadsvrouw heeft het hof in geval van een bewezenverklaring van beide feiten verzocht om gelet op de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen hogere straf op te leggen dan die in eerste aanleg is opgelegd. Ten aanzien van het beslag heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak in vereniging. Dat is een ernstig feit waarmee een inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer, waardoor deze hinder en schade ondervindt. Bovendien draagt een feit als het onderhavige niet alleen bij aan gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer, maar ook in de samenleving als geheel, nu de woning bij uitstek de plaats is waar men zich veilig hoort te kunnen voelen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 september 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld. Nu dit andersoortige feiten betreft zullen deze slechts in geringe mate ten nadele van de verdachte worden meegewogen.

Een poging tot inbraak in een woning rechtvaardigt in beginsel een vrijheidsbenemende straf van langere duur. Gelet op de nog jeugdige leeftijd van de verdachte, de door hem geschetste toekomstplannen en de eis van de advocaat-generaal mede in aanmerking genomen zal het hof volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte de duur van het voorarrest niet zal overstijgen. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven tas zal het hof bepalen dat deze ten behoeve van de rechthebbende zal worden bewaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 73 (drieënzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

-1) 1.00 STK Tas Kl: zwarte sporttas met wieltjes met blauw vlak 4892509.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M.J.A. Duker en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 oktober 2016.

1 Doorgenummerde pagina’s 9 – 13.

2 Doorgenummerde pagina’s 10 06 – 10 11.

3 Doorgenummerde pagina’s 10 12 – 10 14 en proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 10 15 – 10 17.

4 Doorgenummerde pagina’s 10 32 – 10 33.

5 Doorgenummerde pagina’s 10 24.