Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4248

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
23-001704-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001704-14

datum uitspraak: 4 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 april 2014 in de strafzaak onder parketnummer 15-163634-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 1964,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 september 2013 te Purmerend met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere althans een pakje(s) kipfilet (ter waarde van 3.50 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Vomar ([adres 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft aangevoerd dat de verdachte niet de intentie had om iets te stelen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Uit de verklaringen van aangever [naam] (hierna: [naam]) en de getuige [getuige 1] blijkt dat de verdachte vleeswaren, naar later blijkt twee pakjes kipfilet, in zijn tas heeft gedaan en die kipfilet niet bij de kassa heeft afgerekend, terwijl hij andere goederen, die hij in zijn winkelmandje had gedaan, wel heeft afgerekend. Nadat de verdachte werd aangesproken door [naam] wilde hij alsnog de kipfilet afrekenen, hetgeen blijkt uit de verklaringen van [naam] en de getuige [getuige 2]. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de verdachte abusievelijk de kipfilet niet heeft afgerekend en hij derhalve geen oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had, is het hof van oordeel dat dit niet valt te rijmen met de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij geen kipfilet in zijn tas heeft gedaan. Die verklaring is – gelet op het hiervoor overwogene – niet naar waarheid afgelegd.

Het hof leidt uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte af dat zijn opzet was gericht op de wederrechtelijke toe-eigening van de pakjes kipfilet. Het hof acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Voor zover de verdachte heeft betoogd dat de aangever en de getuigen ten onrechte een belastende verklaring over hem hebben afgelegd uit rancune op grond van eerdere incidenten, acht het hof dat verweer niet aannemelijk, nu daarvoor geen aanknopingspunten zijn te vinden in het dossier en dit voorts zijn weerlegging vindt in de op ambtseed opgemaakte beschrijving van de camerabeelden. Dat deze camerabeelden niet meer voorhanden zijn doet daaraan niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 september 2013 te Purmerend met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen pakjes kipfilet (ter waarde van 3.50 euro), toebehorende aan Vomar ([adres 2]).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 150,00, subsidiair 3 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de eerdere uitgevaardigde strafbeschikking zal vernietigen en de verdachte voor het ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van

€ 150,00 subsidiair 3 dagen hechtenis.

De raadsman heeft het hof verzocht, in geval van bewezenverklaring, een voorwaardelijke straf op te leggen en wellicht zelfs toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gewezen op het tijdsverloop en het feit dat de verdachte geen strafblad heeft.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten waarbij naast schade ook hinder aan de betrokken winkeliers wordt veroorzaakt. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een geldboete van € 200,00. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het feit dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 september 2016 in Nederland niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk is veroordeeld. Voorts houdt het hof in het voordeel van de verdachte rekening met het tijdsverloop, en zal het om die reden een lagere geldboete opleggen dan in de oriëntatiepunten van de LOVS vermeld. Met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf dan wel een geheel voorwaardelijke straf kan, anders dan de raadsman heeft bepleit, gelet op de hiervoor beschreven ernst van het feit niet worden volstaan.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 9 september 2013 onder CJIB nummer [nummer].

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M.J.A. Duker en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 oktober 2016.