Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4238

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
26-10-2016
Zaaknummer
23-001145-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplichtigheid overval snackbar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001145-16

datum uitspraak: 13 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-669200-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

29 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair:

hij op of omstreeks 30 september 2015 te Amsterdam, in/uit een snackbar, te weten de FEBO gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

a. a) - een of meer geldbedrag(en) en/of

b) - een portemonnee en/of

- een telefoon van het merk Apple Iphone en/of

- een tas met daarin een laptop en/of een externe harde schijf en/of twee telefoons

in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan

(resp. a) Snackbar FEBO (gelegen aan de [adres 2]) en/of aan

(resp. b) [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of een ander of anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of een ander of anderen heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van voornoemde goederen, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s);

- met (een) mes(sen) en/of met (een) (imitatie) vuurwapen(s) die snackbar is/zijn binnengegaan en/of

- ( daarbij) meerdere malen, althans eenmaal : "Geld Geld" en/of "Geld, overval" en/of "Dit is een overval", althans woorden van gelijke aard en/of strekking heeft/ hebben geroepen en/of

- met een/dat mes en/of (imitatie) vuurwapen in de richting van de balie en/of de kassa (van de snackbar) en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is/ zijn gelopen en/of

- op de balie van de snackbar FEBO is/zijn gesprongen en/of

- ( daarbij ) heeft/ hebben geroepen: "Kassa, kassa. Geef me geld. Open maken" en/of "Overval, geld geld" althans worden van gelijke aard en/of strekking en/of

- ( daarbij) een/dat mes boven zijn hoofd en/of in de richting van [slachtoffer 2] heeft/ hebben gehouden en/of - een/dat (imitatie) vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] heeft/hebben gehouden en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, een/dat (imitatie) vuurwapen op voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of

- deze [slachtoffer 1] stevig bij de bovenarm heeft/ hebben vastgepakt en/of met zijn rug tegen de automatiek in de snackbar heeft/hebben aangedrukt en/of

- ( daarbij) heeft/ hebben gezegd: "Geef me al je spullen" en/of "je portemonnee, je telefoon" althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- ( nogmaals) een/dat (imitatie) vuurwapen op voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht.

1.
subsidiair:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3], op of omstreeks 30 september 2015 te Amsterdam, in/uit een snackbar, te weten de FEBO gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen:

a. a) - een of meer geldbedrag(en) en/of

b) - een portemonnee en/of

- een telefoon van het merk Apple Iphone en/of

- een tas met daarin een laptop en/of een externe harde schijf en/of twee telefoons

in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan (resp. a) Snackbar FEBO (gelegen aan de [adres 2]) en/of aan (resp. b) [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of een ander of anderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] en/of een ander of anderen heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van voornoemde goederen, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

met (een) mes(sen) en/of met (een) (imitatie) vuurwapen(s) die snackbar is/zijn binnengegaan en/of

- ( daarbij) meerdere malen, althans eenmaal: "Geld Geld" en/of "Geld, overval" en/of "Dit is een overval", althans woorden van gelijke aard en/of strekking heeft/hebben geroepen en/of

- met een/dat mes en/of (imitatie) vuurwapen in de richting van de balie en/of de kassa (van de snackbar) en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is/zijn gelopen en/of

- op de balie van de snackbar FEBO is/zijn gesprongen en/of

- ( daarbij) heeft/hebben geroepen: "Kassa, kassa. Geef me geld. Open maken" en/of "Overval, geld geld" althans worden van gelijke aard en/of strekking en/of

- ( daarbij) een/dat mes boven zijn hoofd en/of in de richting van [slachtoffer 2] heeft/hebben gehouden en/of - een/dat (imitatie) vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] heeft/hebben gehouden en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, een/dat (imitatie) vuurwapen op voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of

- deze [slachtoffer 1] stevig bij de bovenarm heeft/hebben vastgepakt en/of met zijn rug tegen de automatiek in de snackbar heeft/hebben aangedrukt en/of

- ( daarbij) heeft/hebben gezegd: "Geef me al je spullen" en/of "je portemonnee, je telefoon" althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- ( nogmaals) een/dat (imitatie) vuurwapen op voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 30 september 2015 te Amsterdam en/of Hoofddorp, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een auto te lenen en/of ter beschikking te stellen en/of

- die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] met een/die auto naar de snackbar te brengen en/of

- ( vervolgens) in de nabijheid van die snackbar op die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] te wachten en/of

- ( vervolgens) die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] vervoer te verschaffen bij de snackbar vandaan;


2:
hij op of omstreeks 30 september 2015 te Amsterdam en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een Citroën C4 personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N201, in elk geval telkens op een openbare weg, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig,

- op de N201 (op/bij de kruising met de Hoofddorpdreef N196) een stopteken van een politieagent genegeerd heeft en/of (daarbij) plotseling veel gas heeft gegeven en/of (vervolgens) langs een/de aldaar staande politieagent is gereden en/of

- op de N201 (op/bij de kruising met de Rijnlanderweg) met hoge snelheid door het voor hem, als bestuurder, op rood staande verkeerslicht is gereden en/of

- op de N201 (op/bij de kruising met de Van Heuven Goedhartlaan) op hoge snelheid heeft voorgesorteerd voor de weg naar links en/of (daarbij) een rij stilstaande auto heeft ingehaald en/of (vervolgens) een harde/ plotselinge stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt en/of (vervolgens) door het voor hem, als bestuurder, op rood staande verkeerslicht (rechtdoor) is gereden en/of

- op de N201 (richting Heemstede), vanuit stilstand, in elk geval vanuit een lage snelheid, plotseling veel gas heeft gegeven en/of (vervolgens) met hoge snelheid in de richting van (een) aldaar staande politieagent(en) is gereden door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het onder 1 primair tenlastegelegde zal bewezen verklaren. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de te plegen overval, dat hij de vluchtauto heeft geregeld, dat hij de medeverdachten heeft opgehaald, naar de FEBO heeft gebracht, aldaar op hen heeft gewacht en tot slot met hen is weggereden waarbij de verdachte de auto heeft bestuurd. Dat levert naar de mening van de advocaat-generaal een zo nauwe en bewuste samenwerking op dat de verdachte als medepleger moet worden aangemerkt.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte vrij te spreken van het hem onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Zij heeft – kort gezegd – aangevoerd. dat de verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van een (eventueel) voornemen van de medeverdachten om een overval te gaan plegen en ontkent opzettelijk daarbij betrokken te zijn geweest en dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte (opzettelijk) betrokken is geweest bij de overval op de FEBO als medepleger dan wel als medeplichtige. De verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van een (eventueel) voornemen van de medeverdachten om een overval te gaan plegen en hij ontkent opzettelijk daarbij betrokken te zijn geweest.

Uit het dossier is – kort samengevat – het volgende naar voren gekomen. Op 30 september 2015 is de FEBO snackbar overvallen door de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Op de dag van de overval heeft ’s middags een ontmoeting plaatsgevonden tussen in ieder geval de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waarbij besproken is dat ze die avond ‘geld gingen maken’ en dat [medeverdachte 3] een wapen zou meenemen1. De verdachte heeft op de bewuste dag een auto geleend van een vriend van hem. Met die auto heeft hij ’s avonds de medeverdachten opgehaald2. In de auto hebben de drie medeverdachten die op de achterbank zaten besproken dat er geld gemaakt moest worden. De verdachte is met de auto naar de FEBO gereden, is daar gestopt en is vervolgens blijven wachten totdat de medeverdachten weer terug waren in de auto. Volgens de verdachte zijn de medeverdachten hijgend in de auto gestapt en hebben ze gezegd “Rij, rij!”3. Hierop is de verdachte snel weggereden richting Hoofddorp.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe dat uit voornoemde feiten en omstandigheden niet kan worden opgemaakt dat de verdachte zodanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachten die de ten laste gelegde overval op 30 september 2015 hebben gepleegd, dat hij als medepleger van de overval kan worden beschouwd. De verdachte was tijdens de overval niet in de FEBO aanwezig; hij heeft dus niet enige uitvoeringshandeling gepleegd bij de overval in de snackbar. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat ook van medeplegen sprake kan zijn als de bijdrage niet wordt geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit maar in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.4 Naar het oordeel van het hof is niet buiten twijfel komen vast te staan dat de verdachte al in de middag voorafgaand aan de overval bij de beraming aanwezig is geweest; de medeverdachten verklaren wisselend over zijn aanwezigheid en de verdachte zelf ontkent bij de ontmoeting aanwezig te zijn geweest. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in de middag voorafgaand aan de overval al kennis had van het feit dat er een overval is beraamd. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop de buit na de overval zou worden verdeeld. Kortom: niet valt te bewijzen dat de rol van de verdachte uit meer bestond dan die van chauffeur van de auto die de mededaders naar de snackbar heeft gebracht en die na het plegen van de overval als vluchtauto heeft gediend. Op grond hiervan kan niet worden gesproken van een door de Hoge Raad bedoelde compensatie waardoor van medeplegen gesproken zou kunnen worden.


Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof het volgende.

Kernverwijt bij medeplichtigheid is “het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf”. Door te handelen als hij heeft gedaan, kan de verdachte naar het oordeel van het hof dit kernverwijt worden gemaakt. Immers uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.

Zoals hiervoor reeds weergegeven heeft de verdachte in een door hem geleende auto de medeverdachten voor de overval opgehaald. Hij was erbij toen in de auto werd gesproken over het plan om de FEBO te gaan overvallen5. De verklaring van de verdachte dat hij dit niet heeft gehoord omdat de muziek in de auto hard aanstond, acht het hof ongeloofwaardig. Zo heeft de duopassagier op de voorstoel bij de raadsheer-commissaris verklaard6 dat hij wel kon horen wat de medeverdachten op de achterbank zeiden. Bovendien is de verdachte naar de FEBO gereden, de plek die de medeverdachten hadden besloten te overvallen, en heeft hij hen daar afgezet. Vervolgens heeft hij daar gewacht, terwijl de medeverdachten de FEBO hebben overvallen. Daarna heeft de verdachte de vlucht van de medeverdachten mogelijk gemaakt, door – nadat ze in de auto waren gestapt – meteen met hoge snelheid en gedoofde lichten weg te rijden.

De verdachte heeft over het wegrijden verklaard dat hij dat “in the heat of the moment” deed. De reden die hij gaf om met drie medepassagiers die in Amsterdam woonden en naar huis moesten, met een veel te hoge snelheid naar Hoofddorp te rijden – te weten dat hij niet door de politie aangehouden wilde worden omdat de door hem geleende auto onverzekerd was – wordt door het hof als ongeloofwaardig aangemerkt en terzijde geschoven. Het ligt immers in de rede dat een bestuurder van een onverzekerde auto zal proberen zo min mogelijk op te vallen op de weg door zich aan de verkeersregels en de snelheid te houden, en het is juist onlogisch om – als er behalve het onverzekerd rijden niets te vrezen valt – met een auto vol Amsterdammers die naar huis moeten naar Hoofddorp te rijden. Bovendien reed de verdachte al met hoge snelheid voordat de politie hem achtervolgde en een stopteken had gegeven, waar de verdachte op dat moment geen enkele reden toe had, als zijn uitleg met betrekking tot het wegrijden zou moeten worden gevolgd.

Het hof is, op grond van al het voorgaande, van oordeel dat de verdachte een essentiële bijdrage heeft geleverd aan de overval. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte wist dat de medeverdachten de FEBO gingen overvallen en dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van de gewapende overval, zoals ten laste gelegd onder 1 subsidiair.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:
[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], op 30 september 2015 te Amsterdam, in een snackbar, te weten de FEBO gelegen aan de [adres 2], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

a. a) - geldbedragen toebehorende aan snackbar FEBO en

b) - een tas met daarin een laptop, een externe harde schijf en twee telefoons, toebehorende aan

[slachtoffer 1],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

en

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] hebben gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en een telefoon van het merk Apple Iphone,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s);

- met een mes en/of met een imitatie vuurwapen die snackbar zijn binnengegaan en/of

- daarbij "Geld geld" en "Geld, overval" en "Dit is een overval", heeft/hebben geroepen en/of

- met dat mes en/of imitatie vuurwapen in de richting van de balie en de kassa van de snackbar en in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is/zijn gelopen en/of

- op de balie van de snackbar FEBO is/zijn gesprongen en/of

- daarbij heeft/hebben geroepen: "Kassa, kassa. Geef me geld. Open maken" en "Overval, geld geld" en/of

- daarbij dat mes boven zijn hoofd en in de richting van [slachtoffer 2] heeft gehouden en/of

- dat imitatie vuurwapen in de richting van Khawaja heeft gehouden en/of

- dat imitatie vuurwapen op voornoemde [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

- deze [slachtoffer 1] bij de bovenarm heeft vastgepakt en met zijn rug tegen de automatiek in de snackbar heeft aangedrukt en/of

- daarbij heeft gezegd: "Geef me al je spullen" en "Je portemonnee, je telefoon".

tot en bij het plegen van welke misdrijven verdachte op 30 september 2015 te Amsterdam en Hoofddorp, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een auto ter beschikking te stellen en

- die [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met die auto naar de snackbar te brengen en

- vervolgens in de nabijheid van die snackbar op die [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te wachten en

- vervolgens die [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vervoer te verschaffen bij de snackbar vandaan;


2:
hij op 30 september 2015 te Hoofddorp als bestuurder van een voertuig (een Citroën C4 personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N201, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig,

- op de N201 op de kruising met de Hoofddorpdreef N196, een stopteken van een politieagent genegeerd heeft, daarbij plotseling veel gas heeft gegeven en vervolgens langs de aldaar staande politieagent is gereden en

- op de N201 op de kruising met de Rijnlanderweg met hoge snelheid door het voor hem, als bestuurder, op rood staande verkeerslicht is gereden en

- op de N201 op de kruising met de Van Heuven Goedhartlaan, op hoge snelheid heeft voorgesorteerd voor de weg naar links, daarbij een rij stilstaande auto heeft ingehaald, vervolgens een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt en vervolgens door het voor hem, als bestuurder, op rood staande verkeerslicht rechtdoor is gereden,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en het verkeer op die weg kon worden gehinderd.

Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

medeplichtigheid aan afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De officier van justitie heeft in eerste aanleg voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit een eis geformuleerd van 42 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voor het onder 2 ten laste gelegde vorderde zij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar.

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 23 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan

4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde heeft de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan

6 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde heeft de advocaat-generaal gevorderd aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van 1 jaar.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi verzocht om – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het voorwaardelijk deel de duur van het voorarrest niet overstijgt, subsidiair een deels voorwaardelijke straf, eventueel samen met een maximale taakstraf op te leggen. De raadsvrouw verzocht het hof daarbij om, gezien de jeugdige leeftijd van de verdachte, aan te knopen bij de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting bij jeugdigen, in plaats van die voor meerderjarigen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met een geheel voorwaardelijke rijontzegging omdat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn dagelijkse werkzaamheden op de markt en voor het vervoer van zijn marktwaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een uiterst brutale gewapende overval op een snackbar. De verdachte heeft een geleende auto beschikbaar gesteld, waarmee hij de mededaders heeft opgehaald, ze naar de snackbar heeft gereden, daar op hen heeft gewacht en vervolgens met hen en de buit is weggereden.

Bij de overval zijn de mededaders bewapend met een imitatievuurwapen en een mes en met bedekte gezichten de snackbar binnengevallen. Ze hebben twee snackbarmedewerkers onder bedreiging van de wapens de kassalade laten openen en vervolgens het geld daaruit gepakt, in een tas gestopt en meegenomen. De medewerkers hebben zich naar eigen zeggen zeer bedreigd gevoeld. Eén van de mededaders heeft bij de aanwezige klant in zijn zakken gevoeld en daaruit waardevolle voorwerpen gehaald en meegenomen. Een andere mededader heeft het wapen – zij het voor een kort moment – ook op de klant gericht. De medeverdachten hebben de medewerkers van de snackbar alsmede de klant op deze wijze angst aangejaagd en zo gedwongen mee te werken. De omstandigheid dat later is gebleken dat bij de overval gebruik is gemaakt van een nepvuurwapen, doet daar niet aan af.

Het hof rekent het de verdachte en zijn mededaders zwaar aan dat zij puur voor eigen gewin forse inbreuk hebben gemaakt op de belangen en de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen hiervan kunnen ondervinden. Daarnaast hebben zij bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Na de overval is de verdachte als bestuurder van de vluchtauto ervandoor gegaan, hetgeen heeft geresulteerd in een wilde achtervolging van de vluchtauto door de politie. De verdachte heeft met zeer hoge snelheid gereden, daarbij een stopteken van een politieagent genegeerd, is meermalen door rood licht gereden en is op een voorsorteerstrook voor linksaf een auto die in de strook voor rechtdoor stond, aan de verkeerde kant voorbijgereden. De verdachte heeft zich daarbij geen enkele rekenschap gegeven van het wel en wee van overige verkeersdeelnemers noch van de gevolgen die zijn rijgedrag voor die anderen en voor zijn medepassagiers zouden kunnen hebben. Het hof rekent de verdachte aan dat hij door te handelen als hij heeft gedaan een situatie van gevaarzetting heeft geschapen en de situatie zo uit de hand heeft laten lopen. Dit klemt te meer daar de verdachte de rit op ieder moment had kunnen beëindigen. Het is niet aan het gedrag van verdachte toe te schrijven dat er geen grote(re) schade is aangericht.

Het hof heeft acht geslagen op de over de verdachte opgemaakte Reclasseringsadviezen van 18 december 2015 en 20 september 2016 en op hetgeen overigens ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is gebleken.

In haar advies van 18 december 2015 ten behoeve van de zitting in eerste aanleg adviseerde de Reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen, op basis van de jonge leeftijd van de verdachte en het stadium van zijn ontwikkeling op het moment van rapporteren. In een aanvullend advies van

20 september 2016 adviseert de Reclassering echter om niet het jeugdstrafrecht toe te passen nu daarvoor op dit moment geen indicaties meer bestaan. Er is geen sprake van een verstandelijke beperking en/of een ontwikkelingsachterstand. De verdachte functioneert conform hetgeen van zijn kalenderleeftijd van hem kan worden verwacht. De reclassering merkt daarbij op dat de verdachte de afgelopen periode onder toezicht van de volwassenreclassering heeft gestaan en dat deze aanpak goed aansluit bij de verdachte.

In hoger beroep adviseert de reclassering een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld een meldplicht en behandelverplichting (ambulante behandeling) als bijzondere voorwaarden.

Het hof stelt vast dat de rechtbank de verdachte heeft beoordeeld aan de hand van het meerderjarigenstrafrecht. Gelet op het zeer recente advies van de Reclassering van 20 september 2016 en de indruk die de verdachte ter terechtzitting maakte, is het hof van oordeel dat er in hoger beroep geen aanwijzingen zijn die nopen tot afwijking van de hoofdregel: toepassing van het meerderjarigenstrafrecht.

Uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 september 2016 blijkt dat de verdachte gedagvaard is voor een geweldsdelict gepleegd op 19 juni 2015, maar niet eerder is veroordeeld.

Gezien de ernst van in het bijzonder het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit kan niet met een andere straf worden volstaan dan met een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Uitgaande van de LOVS-oriëntatiepunten van straftoemeting voor meerderjarigen is voor het plegen van een dergelijk feit in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden gerechtvaardigd. Het hof is van oordeel dat, nu er geen aanleiding is het minderjarigenstrafrecht toe te passen, ook niet moet worden uitgegaan van de oriëntatiepunten die voor minderjarigen zijn opgesteld.

In strafverminderende zin houdt het hof, er rekening mee dat de verdachte geen medepleger van de onderhavige overval was, maar dat hij daaraan medeplichtig is geweest. Daarnaast ziet het hof – anders dan de rechtbank – aanleiding om een groter deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen gelet op de rol die de verdachte in het geheel heeft vervuld. Immers, niet bewezen is dat de verdachte betrokken was bij het beramen van het plan om die avond ‘geld te gaan maken’ en vast staat dat hij in de auto is achtergebleven en dus geen rol heeft gespeeld bij het daadwerkelijke overvallen van de snackbar. Dit maakt dat hij bij de overval een rol van geringere aard heeft gespeeld dan zijn mededaders. Het hof acht, gelet hierop, een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Voorts ziet het hof evenals de rechtbank in het navolgende aanleiding om de straf enigszins te matigen. Uit de stukken in het dossier en in het bijzonder de beelden van de achtervolging is gebleken dat de verdachten na de overval op de FEBO in een grijze Citroën C4 zijn gevlucht en weggereden. Eenmaal onderweg worden de verdachten op de hielen gezeten door de politie. Na een lange achtervolging en een ‘inbox’poging van de politie wordt door één van de politieagenten met een vuurwapen op de auto geschoten. Hierbij is de medeverdachte [medeverdachte 2] in zijn rug en in zijn been geraakt. Vervolgens zijn de verdachten door de politie aangehouden. Het schieten heeft – zoals het hof ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken – de nodige impact op de verdachte gehad.

Gegeven het bovenstaande is het hof van oordeel dat strafvermindering voor de verdachte op zijn plaats is. Het hof zal daarom net als de rechtbank één maand gevangenisstraf in mindering brengen op de in beginsel passend geachte gevangenisstraf van 19 maanden.

Het hof acht, alles afwegende, uitgedrukt in dagen, opdat het hof geen onvoorwaardelijke detentie zal opleggen die de ondergane voorlopige hechtenis overstijgt, een gevangenisstraf voor de duur van

540 dagen, waarvan 400 dagen voorwaardelijk, passend en geboden voor dit zeer ernstige feit. De op te leggen straf is lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf, mede omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan die waarop de advocaat-generaal haar eis heeft gebaseerd. Gelet op de inhoud van voornoemd reclasseringsrapport van 20 september 2016 ziet het hof aanleiding om de bijzondere voorwaarden, zoals die door de Reclassering zijn geadviseerd, op te leggen.


Daarnaast acht het hof voor het onder 2 bewezenverklaarde een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar passend en geboden. Het hof ziet – anders dan de raadsvrouw – in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om een geheel voorwaardelijke rijontzegging op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48, 57, 62, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 (vijfhonderdveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 400 (vierhonderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd bij de reclassering te Amsterdam te melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van een instelling van forensische ambulante zorg, door de reclassering aan te wijzen, op de tijden en plaatsen als door die instelling aan te geven.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

13 oktober 2016.

=========================================================================

[.]

1 [.]

2 [.]

3 [.]

4 [.]

5 [.]

6 [.]