Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4213

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
23-002879-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van een 14-jarig slachtoffer.

Vrijspraak van medeplegen, nu het kwalificatieve deel van de tenlastelegging van medeplegen feitelijk onjuist is ingevuld. Het enkele ‘plegen van ontuchtige handelingen’ kan louter kwalificatief en onvoldoende feitelijk uitgewerkt evenmin tot een bewezenverklaring leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002879-15

datum uitspraak: 24 juni 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2015 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-657227-12 (A) en 13-650640-11 (B) en 13-654140-12 (C) en 13-741285-14 (D), alsmede 13-437507-08 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A met betrekking tot [naam] is ten laste gelegd en hetgeen hem in zaak B onder 2, 3 en 4 en in zaak D onder 5 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

Zaak A
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 december 2010 tot en met

30 november 2012 te Amstelveen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [slachtoffer 1], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft/hebben gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;


Zaak B

1.
primair:
hij op of omstreeks 03 maart 2011 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (zwart met witte stippen) en/of een portemonnee (wit) en/of een mobiele telefoon (Samsung rood) en/of kentekenbewijs (deel I en deel II) en/of overschrijvingsbewijs en/of een rijbewijs en/of een bankpas (Rabobank) en/of een geldbedrag (ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s);

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 03 maart 2011 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een tas (zwart met witte stippen) en/of een portemonnee (wit) en/of een mobiele telefoon (Samsung rood) en/of kentekenbewijs (deel I en deel II) en/of overschrijvingsbewijs en/of een rijbewijs en/of een bankpas (Rabobank) en/of een geldbedrag (ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten vinder, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;


Zaak C
hij op of omstreeks 04 februari 2011 te Amstelveen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (met) een mes in een hand voor die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gestaan en/of gehouden en/of om die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heengelopen en/of dat mes in de nabijheid van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] over de grond gehaald en/of bewogen en/of geslepen en/of geschraapt en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: ''ik ga jullie steken, Mokro-style'' en/of ''ik snijd je gezicht open'', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Zaak D


1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 augustus 2014 tot en met 13 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (zijn levensgezel) [slachtoffer 6], heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het eenmaal of meermalen

- slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen en/of duwen in/tegen het gezicht en/of de rug en/of de arm(en), in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 6] en/of

- bijten in de (rechter)schouder, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 6] en/of

- trekken en/of rukken aan de haren, in elk geval aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 6] en/of

- schoppen en/of trappen tegen het/de be(e)en, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 6], waardoor voornoemde [slachtoffer 6] ten val is gekomen,

waardoor voornoemde [slachtoffer 6] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op of omstreeks 13 oktober 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (badkamer)deur en/of een televisie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door eenmaal of meermalen

- ( met zijn (voor)hoofd) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen tegen voornoemde (badkamer)deur en/of

- te slaan tegen voornoemde televisie en/of voornoemde televisie op de grond te gooien en/of duwen;

3:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 september 2013 t/m 14 september 2013 te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, een motor (Honda pf01, kenteken [kenteken]) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;


4:
hij op of omstreeks 14 september 2013 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (met kracht) tegen voornoemde ruit te slaan en/of te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

(Partiële) vrijspraken

De verdachte is in zaak A ten laste gelegd dat hij samen met een ander of anderen seksuele handelingen ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft gepleegd. Waar het de feitelijke invulling van die handelingen betreft, is met zoveel woorden omschreven dat het de verdachte is geweest die bij die gelegenheid of

gelegenheden zijn penis in de vagina en/of de mond van [slachtoffer 1] heeft geduwd of gebracht.

Het hof constateert dat het dossier alleen bewijs biedt voor het door de verdachte medeplegen van vaginale en orale seksuele handelingen met [slachtoffer 1] voor zover die handelingen feitelijk zijn uitgevoerd door de medeverdachten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]. Weliswaar is de medeverdachte [medeverdachte 1] een keer aanwezig geweest toen de verdachte zich oraal liet bevredigen door [slachtoffer 1], maar alleen die aanwezigheid, en het door [slachtoffer 1] genoemde daarbij lachen om de situatie door [medeverdachte 1] is, zonder bijkomende omstandigheden die het hof niet aantreft in het dossier, onvoldoende om te kunnen spreken van het tezamen en in vereniging plegen van deze handeling. Voor het overige was de rol van de verdachte bij de feitelijk door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] verrichte orale en/of vaginale seksuele handelingen met [slachtoffer 1] naar het oordeel van het hof weliswaar constitutief voor het (mede)plegen daarvan, maar komt die rol niet overeen met de aan de verdachte in de tenlastelegging toegeschreven feitelijke handelingen. Het kwalificatieve deel van de tenlastelegging van medeplegen is daarmee feitelijk onjuist ingevuld, zodat deze feitelijke invulling niet bewezen kan worden zonder de tenlastelegging te denatureren.

Het enkele “plegen van ontuchtige handelingen” kan als louter kwalificatief en onvoldoende feitelijk uitgewerkt evenmin tot bewezenverklaring van het medeplegen van het misdrijf van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht leiden.

Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het bestanddeel “tezamen en in vereniging” in de tenlastelegging.

Het hof constateert voorts dat in het dossier weliswaar meer dan voldoende bewijs is te vinden voor het hebben van seksueel contact van de verdachte met [slachtoffer 1] in de periode hier van belang, maar dat door het grotendeels ontbreken van een omschrijving van de aard van dat seksuele contact – bezwaarlijk kan worden volgehouden dat “het hebben van seks(ueel) contact” is te vereenzelvigen met “het hebben van vaginaal seksueel contact” – derhalve kan uitsluitend worden gekomen tot bewezenverklaring van één keer oraal seksueel contact tussen hen, aangezien daarvan wel met zoveel woorden sprake is in het dossier. Van het binnendringen in de vagina van [slachtoffer 1] moet de verdachte worden vrijgesproken.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte in zaak B onder 1 primair (diefstal) is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

De verdachte moet voorts van het in zaak D onder 3 ten laste gelegde worden vrijgesproken, omdat naar het oordeel van het hof uit de stukken in het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de motor wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de motor van diefstal afkomstig was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair en in zaak C en in zaak D onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

hij in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 30 november 2012 te Amstelveen met [slachtoffer 1], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;

Zaak B
1 subsidiair:
hij op 3 maart 2011 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een tas (zwart met witte stippen) en een portemonnee (wit) en een mobiele telefoon (Samsung rood) en kentekenbewijs (deel I en deel II) en overschrijvingsbewijs en een rijbewijs en een bankpas (Rabobank) en een geldbedrag (ongeveer 200 euro) toebehorende aan [slachtoffer 2], welke goederen verdachte en zijn mededaders anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich hadden, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

Zaak C

1:
hij op 4 februari 2011 te Amstelveen, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend om die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heengelopen en een mes in de nabijheid van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] over de grond gehaald en bewogen en geschraapt en daarbij dreigend de woorden toegevoegd: ''ik ga jullie steken, Mokro-style'' en ''ik snijd je gezicht open'';


Zaak D
1:
hij in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 13 oktober 2014 te Amsterdam opzettelijk zijn levensgezel [slachtoffer 6], heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het

- slaan en stompen en schoppen en trappen en duwen tegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer 6] en

- bijten in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 6],

waardoor voornoemde [slachtoffer 6] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

2:
hij op 13 oktober 2014 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een badkamerdeur en een televisie, toebehorende aan [slachtoffer 6], heeft vernield door

- te slaan en te stompen en te schoppen en te trappen tegen voornoemde badkamerdeur en

- te slaan tegen voornoemde televisie en voornoemde televisie op de grond te gooien.

4:
hij op 14 september 2013 te Amstelveen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorende aan

[slachtoffer 7], heeft vernield door met kracht tegen voornoemde ruit te slaan.

Hetgeen in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair en in zaak C en in zaak D onder 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Het hof merkt hierbij op dat de getuigenverklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam van 7 november 2013 niet voor het bewijs (voor zover betrekking hebbend op de zaken B en C) zullen worden gebezigd, omdat het hof geen kennis kan nemen van de inhoud ervan, daar deze zich niet in het dossier van de verdachte bevinden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair en in zaak C en in zaak D onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het in zaak B onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van verduistering.

Het in zaak C bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

meermalen gepleegd.

Het in zaak D onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Het in zaak D onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen,

meermalen gepleegd.

Het in zaak D onder 4 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair en in zaak C en in zaak D onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder zaak A, zaak B onder

1 subsidiair, zaak C en zaak D onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek van voorarrest, waarvan 2 jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De toen 25-jarige verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van de toen 14-jarige [slachtoffer 1]. De wetgever heeft jongeren in de leeftijd tot zestien jaar willen beschermen tegen het ondergaan van dergelijke seksuele handelingen. Het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen de verdachte en het slachtoffer maakt dat er geen sprake was van gelijkwaardige partijen. Daarbij heeft hij misbruik gemaakt van de kwetsbare situatie waarin het slachtoffer zich bevond door haar onder invloed van alcohol en drugs te brengen. De verdachte heeft hierdoor het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin door haar te slaan, te schoppen, te duwen en te bijten. De verdachte heeft onaanvaardbaar geweld gebruikt. Het slachtoffer heeft daarbij letsel bekomen en pijn ondervonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het gevoel van veiligheid dat een ieder in zijn of haar huis behoort te kunnen hebben.

Ook heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan het vernielen van goederen.

Daarnaast heeft de verdachte drie meisjes met een mes bedreigd en daarbij geroepen dat ‘hij ze ging neersteken’ en dat ‘hij haar gezicht ging opensnijden.’ De slachtoffers hebben deze situatie als zeer bedreigend en beangstigend ervaren.

Ten slotte heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan verduistering door een tas (met inhoud) zich wederrechtelijk toe te eigenen. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders het slachtoffer financieel gedupeerd en haar overlast bezorgd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 juni 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, doch niet voor een zedenmisdrijf.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Gelet op hetgeen omtrent de persoon van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht ziet het hof – anders dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd – geen aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof waardeert deze immateriële schade, gelet op hetgeen ten aanzien van de verdachte bewezen is verklaard, hetgeen minder is dan is ten laste gelegd, op een bedrag van € 1.300,00.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.650,48. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak D onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Nu de verdediging de hoogte van de vordering niet voldoende gemotiveerd heeft betwist en deze het hof ook niet ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen als verzocht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.139,56. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 887,56. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het in zaak D onder 3 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 245, 285, 300, 304, 321 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2009 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak A met betrekking tot [naam], het in zaak B onder 2, 3 en 4 en in zaak D onder 5 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1 primair en in zaak D onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair en in zaak C en in zaak D onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A en in zaak B onder 1 subsidiair en in zaak C en in zaak D onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in zaak A bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.300,00 (duizend driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in zaak A bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.300,00 (duizend driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het in zaak

D onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.650,48 (duizend zeshonderdvijftig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 890,48 (achthonderdnegentig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 760,00 (zevenhonderdzestig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 6], ter zake van het in zaak D onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.650,48 (duizend zeshonderdvijftig euro en achtenveertig cent) bestaande uit

€ 890,48 (achthonderdnegentig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 760,00 (zevenhonderdzestig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2009, parketnummer 13-437507-08, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, te vervangen door een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. J.L. Bruinsma en mr. M.L. Leenaers, in tegenwoordigheid van

mr. J.R. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

24 juni 2016.

=========================================================================

[.]