Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4206

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
23-002321-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens woningoverval op bejaarde slachtoffers, diefstal (meermalen gepleegd) en vernieling (meermalen gepleegd). Vrijspraak andere woningoverval, onvoldoende wettig bewijs. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Strafoplegging 5 jaar gevangenisstraf met tbs en dwangverpleging. Het hof past artikel 37b lid 2 Sr toe en geeft advies aan de Minister omtrent aanvangsmoment tbs-behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002321-14

datum uitspraak: 20 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 26 mei 2014 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers

15-740855-13 en 15-086932-13 en 15-184950-12 en 15-700232-13, alsmede 21-004192-11 (TUL),

13-702048-13 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortedag] 1987,

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in Forensisch Psychiatrisch Centrum Veldzicht te Balkbrug.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

6 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak 1 onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Het betrokken onderdeel van het vonnis blijft in hoger beroep wel aan de orde, omdat ook de officier van justitie (onbeperkt) hoger beroep heeft ingesteld.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd, dat:

Zaak 1 (parketnummer 15-740855-13):
1.
hij op of omstreeks 10 augustus 2013 te Haarlem tussen omstreeks 00.00 uur en 01.00 uur, althans gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, gelegen aan de [adres 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer (gouden) ringen en/of een paar (gouden) oorbellen en/of een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die ringen en/of oorbellen en/of horloge onder zijn bereik heeft gebracht door middel inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, (meermalen) heeft gezegd: "Doe die ring af" en/of "Ik wil die ring" en/of "Ik moet die ring", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of die [slachtoffer 2] met een glas in het gezicht heeft geslagen en/of die [slachtoffer 2] een of meermalen tegen het hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of een of meer gekneusde en/of gebroken ribben en/of snijwonden in het gezicht (met blijvende littekens tot gevolg) heeft opgelopen;

2.
hij op of omstreeks 27 juli 2013 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer (gouden) ringen en/of een horloge en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen ringen en/of horloge en/of portemonnee onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een of meermalen tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd: "Money, money," en/of "Je moet money hebben", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en/of die [slachtoffer 3] een of meermalen tegen het hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan die [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel (een gebroken kaak en/of neus en/of oogkas en/of een gescheurde oorschelp) heeft opgelopen;

Zaak 2 (parketnummer 15-086932-13):
1.
hij op of omstreeks 09 mei 2013 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan restaurant [bedrijfsnaam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (met kracht) tegen die ruit geslagen;

2.

hij op of omstreeks 09 mei 2013 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (behorende bij de parkeergarage aan de [adres 3]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (met kracht) een pinapparaat, in elk geval een voorwerp, tegen die ruit gegooid/geslagen;

3.

hij op of omstreeks 09 mei 2013 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles port, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (vestiging [adres 4]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Zaak 3 (parketnummer 15-184950-12):
hij op of omstreeks 3 september 2012 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een of meer makre(e)l(en) en/of een brood, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Dekamarkt (filiaal [adres 5]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Zaak 4 (parketnummer 15-700232-13):
hij op of omstreeks 07 juni 2013 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 perziken, althans een of meer stuks fruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal [adres 6]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak 1 onder 2 ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Weliswaar wijzen meerdere redengevende feiten en omstandigheden in de richting van de verdachte als de dader van deze woningoverval, maar wettig bewijs dat de verdachte direct aan de woningoverval linkt ontbreekt, zoals de rechtbank in het vonnis onder 3.3 terecht en juist gemotiveerd heeft overwogen.

Bespreking van bewijsverweren in hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak 1 onder 1 ten laste gelegde bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De waarnemingen van de getuigen zijn onbetrouwbaar. Uit het dossier blijkt dat meerdere getuigen met elkaar hebben gesproken voordat zij bij de politie een verklaring hebben afgelegd. Bovendien hebben niet alle getuigen de dader van dichtbij en/of in het licht gezien. De raadsvrouw verzoekt daarom de beschrijvingen van de (mogelijke) dader die door de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] zijn gegeven, van het bewijs uit te sluiten.

Daarnaast kan uit de overeenkomsten tussen de opgegeven signalementen van de dader door de aangevers en het uiterlijk van de verdachte de betrokkenheid van de verdachte bij deze overval niet worden afgeleid. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard over een donkere, lange, slungelige man met lang haar, die donkere kleding droeg. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard over een getinte man met naar achteren gekamd haar, naar hij dacht Marokkaans. De verdachte is daarentegen een korte, stevige man en lijkt niet op een Marokkaan.

Voorts kan uit het op/in de schoenen aangetroffen DNA niet worden afgeleid dat de verdachte de woningoverval heeft gepleegd. De in beslag genomen Hugo Boss schoenen kunnen weliswaar aan de woningoverval worden gelinkt, maar de verdachte is niet de reguliere drager van de schoenen en is niet degene geweest die in de desbetreffende nacht de schoenen heeft gedragen. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat zij dacht dat zij ene [naam 1] een keer op de schoenen had zien lopen. Daarnaast zijn de resultaten van het DNA-onderzoek aan de schoenen door de onzorgvuldigheid van de politie onbetrouwbaar vanwege de verbreking van de chain-of-custody. De raadsvrouw verzoekt het hof om die reden de rapportages van het NFI van 17 juni 2015 en (aanvullend) van 14 augustus 2015 van het bewijs uit te sluiten.

Indien dit verweer wordt verworpen voert de raadsvrouw aan dat uit het DNA-onderzoek niet kan volgen dat de verdachte de enige drager van de schoenen is geweest. In het verkregen profiel waren immers enkele pieken zichtbaar die het gevolg zouden kunnen zijn van artefacten dan wel DNA-kenmerken bevatten van een andere persoon. Dat aan de buitenzijde van de schoenen geen DNA van [naam 2] is aangetroffen, kan worden verklaard door de wijze waarop de schoenen zijn behandeld en opgeslagen, waardoor volgens het NFI celmateriaal kan zijn verwijderd. Ten slotte kan niet worden vastgesteld dat de door de politie opgespoorde [naam 2] dezelfde persoon is als de persoon die de verdachte kent als [naam 2] en zijn moeder als [naam 1] heeft geduid, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6], behoeft geen bespreking, nu het hof die verklaringen niet voor het bewijs zal gebruiken. Het door de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgegeven signalement van de dader komt grotendeels overeen met het uiterlijk van de verdachte. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaren dat de dader een man was tussen de 1.80-1.87 meter, met een (donker) getinte huidskleur, donker/zwart krullend haar, met de zijkanten en achterkant opgeschoren, donkere ogen en zwarte wenkbrauwen.1

Niet betwist wordt dat het aangetroffen schoenspoor afkomstig is van de Hugo Boss schoenen die in de schuur bij de woning van de moeder van de verdachte zijn aangetroffen. Betwist is evenmin dat deze schoenen door de dader gedragen werden ten tijde van het feit.

Naar het oordeel van het hof staat genoegzaam vast dat de verdachte de reguliere drager was van de Hugo Boss schoenen en dat hij degene was die in de desbetreffende nacht van de woningoverval de schoenen heeft gedragen. Uit de rapportages van het NFI komt immers naar voren dat de bemonsteringen op de schoenen overeenkomen met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer 2] en de verdachte.2 Bovendien is tijdens een vergelijkend onderzoek gebleken dat het profiel van het op het voorhoofd van [slachtoffer 2] gefotografeerde schoenspoor overeenkomt met de gespiegelde afdruk van de rechter Hugo Boss schoen.3 De gestelde onzorgvuldigheid van de politie bij het bewaren en bemonsteren van de schoenen zou hoogstens kunnen hebben geleid tot vernietiging van DNA-sporen, maar niet valt in te zien hoe de sporen van de verdachte daardoor op de schoenen kunnen zijn ontstaan. Het hof ziet dan ook geen reden de NFI rapporten buiten beschouwing te laten.

Nu door de raadsvrouw onvoldoende is onderbouwd waarom [naam 2] de Hugo Boss schoenen aan zou hebben gehad, er geen aanwijzing is dat er sprake is van een andere Labrid dan de verdachte en zijn moeder bedoelen en er geen DNA van [naam 2] op/in de schoenen is aangetroffen, is het door de raadsvrouw geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden.

De verweren worden dan ook verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak 1 onder 1, zaak 2 onder 1, 2 en 3, zaak 3 en zaak 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak 1 (parketnummer 15-740855-13):
1.
hij op 10 augustus 2013 te Haarlem tussen omstreeks 00.00 uur en 01.00 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, gelegen aan de [adres 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen gouden ringen en een paar oorbellen en een horloge, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, meermalen heeft gezegd: "Doe die ring af" en "Ik wil die ring" en "Ik moet die ring", en die [slachtoffer 1] heeft geduwd en tegen het hoofd heeft geslagen en die [slachtoffer 2] met een glas in het gezicht heeft geslagen en die [slachtoffer 2] meermalen tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft gestompt en geschopt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en gebroken ribben en snijwonden in het gezicht) (met blijvende littekens tot gevolg) heeft opgelopen;

Zaak 2 (parketnummer 15-086932-13):
1.
hij op 9 mei 2013 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorende aan restaurant [bedrijfsnaam], heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, (met kracht) tegen die ruit geslagen;

2.

hij op 9 mei 2013 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een ruit behorende bij de parkeergarage aan de [adres 3], toebehorende aan [slachtoffer 4], heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, (met kracht) een pinapparaat, tegen die ruit gegooid;

3.

hij op 9 mei 2013 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles port, toebehorende aan Albert Heijn (vestiging [adres 4]);

Zaak 3 (parketnummer 15-184950-12):
hij op 3 september 2012 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen meerdere makrelen en een brood, toebehorende aan de Dekamarkt (filiaal [adres 5]);

Zaak 4 (parketnummer 15-700232-13):
hij op 7 juni 2013 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 perziken, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn (filiaal [adres 6]).

Hetgeen in zaak 1 onder 1, zaak 2 onder 1, 2 en 3, zaak 3 en zaak 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak 1 onder 1, zaak 2 onder 1, 2 en 3, zaak 3 en zaak 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak 1 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning

en

waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming

en

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het in zaak 2 onder 3, zaak 3 en zaak 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, meermalen gepleegd.

Het in zaak 2 onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak 1 onder 1, zaak 2 onder 1, 2 en 3, zaak 3 en zaak 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak 1 onder 1, zaak 2 onder 1, 2 en 3, zaak 3 en zaak 4 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak 1 onder 1 en 2, zaak 2 onder 1, 2 en 3, zaak 3 en zaak 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van het voorarrest en ter beschikking zal worden gesteld met verpleging van overheidswege, met toepassing van artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouw heeft verzocht, indien het hof tot het opleggen van een straf en/of maatregel komt, rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en met de verblijfsstatus van de verdachte, alsmede met het feit dat de verdachte geen recht heeft op voorwaardelijke invrijheidsstelling. Primair heeft de raadsvrouw verzocht alleen een gevangenisstraf op te leggen. Subsidiair heeft zij verzocht, voor het geval het hof wel een combinatie zou overwegen van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging en een gevangenisstraf, de gevangenisstraf zo kort mogelijk te houden en meer subsidiair, dat het hof toepassing geeft aan artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woningoverval, met als gevolg zwaar lichamelijk letsel voor een bejaard slachtoffer. De verdachte heeft één van de slachtoffers, [slachtoffer 2], aangevallen, met een glas in diens gezicht gestoken en, nadat [slachtoffer 2] de verdachte had proberen tegen te houden, [slachtoffer 2] tegen de grond gewerkt en meermalen tegen diens hoofd en lichaam geschopt. Door het glas in zijn gezicht heeft [slachtoffer 2] een wond in zijn gezicht opgelopen. De littekens die deze wond heeft veroorzaakt waren zeer pijnlijk. [slachtoffer 2] heeft daarvoor zware pijnmedicatie moeten gebruiken en later een operatie moeten ondergaan. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] ribfracturen, verwondingen en kneuzingen aan zijn lichaam opgelopen. De verdachte heeft het andere slachtoffer, [slachtoffer 1], een vuistslag in haar gezicht gegeven toen zij haar man te hulp wilde schieten.

De psychische gevolgen voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn groot. Sinds de woningoverval kampen zij met gevoelens van angst, nervositeit en onveiligheid, met name in hun woning. [slachtoffer 2] heeft zich voor posttraumatische stressklachten onder EMDR-behandeling laten stellen door een psycholoog en slikt nog steeds rustgevende medicatie. De woning is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig moet voelen. Door het handelen van de verdachte voelen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich niet meer veilig in hun eigen huis. Dit rekent het hof de verdachte zwaar aan.

Behalve de woningoverval op het bejaarde echtpaar, waarbij buitensporig geweld is gebruikt, heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan vernieling en (winkel)diefstal. Dergelijke feiten veroorzaken hinder, schade en ergernis. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 september 2016 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten en delicten met een geweldscomponent onherroepelijk tot een vrijheidsstraf veroordeeld. Ook dit weegt in zijn nadeel.

In de onderhavige zaak is, onder meer op 11 juni 2015 door [deskundige 1], klinisch psycholoog en op 17 juni 2015 door [deskundige 2], psychiater, over de geestesvermogens van de verdachte gerapporteerd.

Uit voornoemde rapporten komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie van het gedesorganiseerde type. Tevens is bij de verdachte sprake van cannabisafhankelijkheid en alcoholmisbruik. Met name het overmatige alcoholgebruik is een ernstige risicofactor ten aanzien van agressieve impulsdoorbraken, zeker in combinatie met paranoïde denkbeelden en onder stress. Op basis van de risicotaxatie kan gesteld worden dat de kans op recidive van de ten laste gelegde feiten hoog is.

De deskundigen concluderen dat de stoornis schizofrenie en het gebruik van verslavende middelen aanwezig waren ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en dat, gezien de ernst en duurzaamheid van de symptomen, de verdachte in beperkte mate zijn vrijheid heeft kunnen bepalen, zodat sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van GGZ Palier van 21 april 2016, opgemaakt door [deskundige 3]. In dit advies wordt melding gemaakt van de ongewenstverklaring van de verdachte (het hof begrijpt een inreisverbod). Gelet op de beleidsregels van het Openbaar Ministerie ‘Aanwijzing TBS bij vreemdelingen (2014A012)’ acht GGZ Palier de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden niet haalbaar, daar de verdachte geen verlofstatus op mag/kan bouwen. Daarnaast acht GGZ Palier een traject in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet haalbaar, omdat de verdachte vanaf het moment dat hij in preventieve hechtenis is geraakt voor onderhavige zaak meerdere malen de voorgeschreven medicatie heeft gestaakt, waardoor zich ernstige psychotische symptomen manifesteerden en gedurende een lange periode een procedure tot dwangmedicatie van kracht was.

GGZ Palier adviseert de verdachte, bij bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Door de deskundigen [deskundige 2] en [deskundige 1] is in het aanvullend advies van 9 september 2016 respectievelijk 31 augustus 2016 geadviseerd de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan de verdachte op te leggen, nu is gebleken dat de verdachte onvoldoende medicatietrouw is en de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden vanwege de complexe juridische status van de verdachte ten gevolge van het door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opgelegde inreisverbod door de reclassering niet als haalbaar wordt gezien.

De beide deskundigen hebben ter terechtzitting van het hof op 6 oktober 2016 bevestigd dat, gelet op het feit dat de verdachte onvoldoende medicatietrouw is en de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden vanwege de verblijfsstatus van de verdachte te complex is, geadviseerd wordt aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. De eveneens ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde deskundigen [deskundige 4], psychiater, en [deskundige 5], klinisch psycholoog, hebben eensluidende verklaringen afgelegd.

Het hof verenigt zich met de bevindingen van de deskundigen. Voorts is het hof van mening dat deze bevindingen, gelet op de ernst en duurzaamheid van de symptomen, hebben te gelden ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten. Op grond daarvan komt het hof tot de slotsom dat de bewezen verklaarde feiten slechts in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf.

Het hof is op grond van de bevindingen en de adviezen van de deskundigen van oordeel dat voor het bewezenverklaarde feit in zaak 1 onder 1 terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd, nu bij de verdachte tijdens het begaan van dit feit een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens bestond en nu de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel en de verpleging eist. Aan de wettelijke voorwaarden van de artikelen 37a en 37b, telkens onder het eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

De maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf zoals bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, te weten een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren passend en geboden. Gelet op het tijdverloop en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte is het hof van oordeel dat een matiging van

6 maanden op zijn plaats is.

Bij de berechting van de zaak is de redelijke termijn, die ingevolge artikel 6 van het EVRM in acht moet worden genomen, overschreden. Dit leidt tot een vermindering van de duur van de gevangenisstraf met nog eens 6 maanden.

Gelet op de inhoud van de adviezen van de deskundigen is behandeling van de verdachte dringend noodzakelijk. Het hof zal daarom gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de Minister te adviseren omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. Meer specifiek adviseert het hof de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met ingang van

1 januari 2017 aan te doen vangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.398,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.102,31. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot het bedrag van € 3.102,31, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De hoogte van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak 1 onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot het bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De hoogte van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak 1 onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 38e, 57, 63, 310, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging (21-004192-11)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van het bij arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Vordering tenuitvoerlegging (13-702048-13)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 3 juni 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-740855-13 onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-740855-13 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

15-740855-13 onder 1 en in de zaak met parketnummer 15-086932-13 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-184950-12 en in de zaak met parketnummer 15-700232-13 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-740855-13 onder 1 en in de zaak met parketnummer

15-086932-13 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-184950-12 en in de zaak met parketnummer 15-700232-13 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert de Minister de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met ingang van 1 januari 2017 te doen aanvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-740855-13 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.102,31 (drieduizend honderdtwee euro en eenendertig cent) bestaande uit € 602,31 (zeshonderdtwee euro en eenendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-740855-13 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.102,31 (drieduizend honderdtwee euro en eenendertig cent) bestaande uit € 602,31 (zeshonderdtwee euro en eenendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-740855-13 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-740855-13 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 12 november 2013, strekkende tot tenuitvoerlegging van het bij arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2012, parketnummer 21-004192-11, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van 2 oktober 2013, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 3 juni 2013, parketnummer 13-702048-13, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. P.C. Römer en mr. M.L. Leenaers, in tegenwoordigheid van

mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2016.

1 [.]

2 [.]

3 [.]