Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4201

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
200.199.726/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellanten zijn kennelijk niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen (een) wrakingsbeslissing(en) van de rechtbank.

Het (herhaalde) verzoek tot wraking is gedaan in een civiele verzoekschriftprocedure. Dit brengt mee dat het (herhaalde) wrakingsverzoek moet worden aangemerkt als een incidenteel verzoek in die hoofdzaak en dat de beslissing(en) op dat (herhaalde) verzoek - waarin geen einde wordt gemaakt aan het geschil ter zake van enig deel van het verzochte - een tussenbeslissing is in de zin van artikel 358 lid 4 Rv (vlg. Hof Amsterdam 16 mei 2011, LJN:BQ8712, NJF 2011, 301 en Hof Amsterdam 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2583). Dit laatste leidt ertoe dat het hoger beroep van de wrakingsbeslissing(en) slechts tegelijk met dat van de eindbeslissing in de hoofdzaak kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer: 200.199.726/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/241190/ HA RK 16-55

beslissing van de wrakingskamer van 18 oktober 2016

inzake het op 26 september 2016 ingediende beroepschrift van

1 BRETON LIMITED,

gevestigd te Guernsey (Verenigd Koninkrijk),

2. [appellant sub 2],

appellanten,

advocaat: mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp.

1 Het geding

Appellanten worden hierna Breton en [appellant sub 2] genoemd en gezamenlijk als Breton c.s. aangeduid.

Breton c.s. komen in hoger beroep van twee beslissingen van de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland van 24 en 30 augustus 2016. Breton c.s. hebben in hun beroepschrift geconcludeerd dat de (hoofd)zaak met zaaknummer C/15/241190/HA RK 16-55 ter verdere behandeling zal worden verwezen naar de rechtbank Amsterdam dan wel verder zal worden behandeld door de rechtbank Noord-Holland, niet bestaande uit mrs. P.E. van der Veen, S.M. Jongkind-Jonker en A.C. Haverkate.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1.

Blijkens artikel 39 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat geen voorziening open, en derhalve ook geen hoger beroep, tegen een beslissing op een verzoek tot wraking.

2.2.

Breton c.s. hebben onder meer betoogd dat dit wettelijk appelverbod kan worden doorbroken, omdat de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland essentiƫle vormen heeft verzuimd, zodat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het wrakingsverzoek in de zin van artikel 6 EVRM niet kan worden gesproken.

2.3.

Het (herhaalde) verzoek tot wraking is gedaan in een civiele verzoekschriftprocedure. Dit brengt mee dat het (herhaalde) wrakingsverzoek moet worden aangemerkt als een incidenteel verzoek in die hoofdzaak en dat de beslissing(en) op dat (herhaalde) verzoek - waarin geen einde wordt gemaakt aan het geschil ter zake van enig deel van het verzochte - een tussenbeslissing is in de zin van artikel 358 lid 4 Rv (vlg. Hof Amsterdam 16 mei 2011, LJN:BQ8712, NJF 2011, 301 en Hof Amsterdam 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2583). Dit laatste leidt ertoe dat het hoger beroep van de wrakingsbeslissing(en) slechts tegelijk met dat van de eindbeslissing in de hoofdzaak kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

2.4.

Omdat de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland tussentijds hoger beroep niet heeft opengesteld, zijn Breton c.s. thans kennelijk niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit brengt mee dat in het midden kan blijven of [appellant sub 2] reeds niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep op de grond dat hij in de bestreden beslissingen van de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland niet als partij is vermeld.

2.5.

Mocht te zijner tijd hoger beroep worden ingesteld in de hoofdzaak, dan kan bij die gelegenheid desgewenst worden opgekomen tegen de beslissing(en) van de wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland.

2.6.

Uit het voorgaande volgt dat Breton c.s. kennelijk niet-ontvankelijk zijn in dit hoger beroep. Op grond van artikel 11 lid 1 van het Wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam en het gerechtshof Den Haag, is geen mondelinge behandeling van het hoger beroep bepaald. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt het hof niet toe.

3 Beslissing

De wrakingskamer:

verklaart Breton c.s. kennelijk niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, C. Uriot en J.W. Hoekzema en is in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.G.E.Y. Lok in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 oktober 2016.