Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4193

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
200.181.474/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderhoudsovereenkomst cv-ketel in woning.

Hoge gasrekening. Gaslek? Geen tekortkoming onderhoudsbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3067

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.181.474/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 3818660 CV EXPL 15-2491

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 oktober 2016

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. K. Boukema te Amsterdam,

tegen

[X] SERVICE HAARLEM B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C. Coster te Zwolle.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [X] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 24 november 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 24 augustus 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [X] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [appellante] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie.

Bij tussenarrest van 15 december 2015 is een comparitie van partijen gelast welke op 16 februari 2016 heeft plaatsgevonden. Een proces-verbaal van de comparitie is bij de processtukken gevoegd. Beide partijen hebben ter gelegenheid van de comparitie stukken in het geding gebracht.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vorderingen jegens [X] zal toewijzen, met veroordeling van [X] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

[X] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.4 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn, behoudens voor zover hierna nog te bespreken, in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

[appellante] heeft in juni 2010 met [X] een onderhoudsovereenkomst afgesloten ten behoeve van de cv-ketel in haar woning. De overeenkomst houdt in dat [X] gemiddeld eenmaal per achttien maanden onderhoud verricht aan de cv-ketel en dat zij in geval van storingen een 24-uurs service verleent en een monteur stuurt.

3.1.2.

Nadat [appellante] had geconstateerd dat zij hoge gasrekeningen kreeg, heeft zij [X] verzocht een monteur te laten komen. Op 24 september 2013 heeft een monteur van [X] geconstateerd dat er een gaslek zat in het gasblok van de cv-ketel. Het gasblok is direct vervangen.

3.2

[X] heeft in eerste aanleg [appellante] gedagvaard en betaling van enkele achterstallige facturen met rente en kosten gevorderd. [appellante] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd [X] te veroordelen tot vergoeding van schade bestaande uit de hoge gasrekeningen. De kantonrechter heeft de vordering van [X] toegewezen omdat [appellante] deze niet had betwist en de vordering van [appellante] afgewezen omdat, kort gezegd, [appellante] onvoldoende heeft aangetoond dat de schade daadwerkelijk door [X] is veroorzaakt. [appellante] is zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

3.3

De grieven II, III en V van [appellante] zijn gericht tegen de afwijzing van haar vorderingen en tegen de overwegingen die tot deze afwijzing hebben geleid. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4

[appellante] stelt bij deze grieven dat [X] het gaslek veel eerder had kunnen en moeten ontdekken, zowel tijdens de onderhoudscontroles als tijdens de storingen. Omdat [X] het lek nooit heeft geconstateerd, heeft jarenlang onverbruikt gas kunnen weglekken. Zij heeft zelf niet kunnen constateren dat sprake was van een gaslek omdat de cv-ketel geen lektest heeft. [appellante] vordert op deze gronden, naar het hof begrijpt na haar wijziging van eis in hoger beroep, betaling van € 5.385,- en € 1.684,95 wegens oververbruik gas over de periode april 2012 tot en met december 2013 en een bedrag van € 619,88 wegens onderzoekskosten door Westfriesland Energie.

3.5

[X] betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Tijdens het reguliere onderhoud, verricht op 9 januari 2012 is geen gaslekkage geconstateerd. Tot 19 september 2013 heeft zij geen onderhoudswerk meer verricht en behoefde zij dat ook niet te doen. Dat het defect is opgetreden en niet vóór 19 september 2013 is verholpen, is niet aan haar te wijten. [X] wijst voorts erop dat het niet mogelijk is dat een grote hoeveelheid gas is weggelekt via het gasblok omdat de cv-ketel bij een groot lek in het gasblok niet meer in bedrijf zou komen. Tot slot voert [X] aan dat het eerdere - lage - jaarverbruik mogelijk slechts op grond van schattingen tot stand is gekomen en voorts dat uit de door [appellante] overgelegde stukken blijkt dat zij ook na 19 september 2013 nog een bovengemiddeld hoog gasverbruik had.

3.6

Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft in haar memorie van grieven, met verwijzing naar door haar overgelegde gasrekeningen, een overzicht opgenomen van (ongeveer jaarlijkse) meterstanden in de periode vanaf mei 2008 tot en met juni 2015. In de periode mei 2008 tot april 2012 komt het gasverbruik van [appellante] en haar gezin, bestaande uit drie personen, volgens dat overzicht ongeveer overeen met het door haar gestelde gemiddelde gasverbruik van een gezin met drie personen van 1.500 m³. In de periode vanaf april 2012 tot en met december 2013 is volgens het overzicht haar gasverbruik ineens gestegen tot 9.537 m³, terwijl de stelling van [appellante] is dat het gaslek dat de oorzaak is van dit hoge verbruik op 19 september 2013 is verholpen. Haar vordering is gericht op de periode vanaf april 2012 zodat het ervoor moet worden gehouden dat [appellante] bedoelt te stellen dat het gaslek in de periode vanaf april 2012 tot het verhelpen daarvan is ontstaan. Het hof gaat gelet op een en ander voorbij aan de verder niet door [appellante] toegelichte stelling dat er jarenlang gas heeft kunnen weglekken.

3.7

In het licht van het voorgaande is de stelling van [appellante] dat [X] het gaslek eerder had moeten ontdekken te weinig concreet toegelicht. [X] had immers op 9 januari 2012 regulier onderhoud aan de cv-ketel uitgevoerd en heeft toen geen gaslek kunnen ontdekken, zo stelt [X] , hetgeen wordt bevestigd door de stellingen van [appellante] : ook volgens haar stellingen was er immers op dat moment nog geen gaslek. [X] heeft daarna conform de overeenkomst de verplichting gehad omstreeks juli 2013 opnieuw de cv-ketel te onderhouden. [appellante] heeft er niet over geklaagd dat de datum van 19 september 2013 in dit verband te laat is. Zij heeft evenmin gesteld dat zij in deze periode storingen heeft gemeld en dat [X] naar aanleiding van die storingsmeldingen eerder het gaslek had moeten ontdekken. De conclusie is dat [appellante] haar stelling dat [X] het lek eerder had moeten ontdekken dan op 19 september 2013, onvoldoende heeft toegelicht. Daarmee ontvalt de grondslag aan haar vordering.

3.8

[X] heeft bovendien terecht erop gewezen dat het gasverbruik van [appellante] ook na het vervangen van het lekkende gasblok hoog is gebleven. Uit het overzicht van [appellante] zelf blijkt immers dat zij in de periode van 4 december 2013 tot en met 16 juni 2014 2660 m³ aan gas heeft verbruikt en dus fors meer dan het door haar aangegeven verbruik van een gemiddeld gezin: in ruim zes maanden verbruikt zij immers bijna twee keer zo veel gas als het door haar aangegeven jaarverbruik van een gemiddeld gezin van 1.500 m³. Ook dit brengt mee dat [appellante] de grondslag van haar vordering - het hoge gasverbruik in een eerdere periode is veroorzaakt door een gaslek - onvoldoende heeft toegelicht. Een en ander brengt met zich mee dat de grieven II,III en V falen.

3.9

Grief I luidt dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat de door [X] gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing zijn. [appellante] heeft gelet op het voorgaande geen belang meer bij bespreking van deze grief.

3.10

Grief IV betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en borduurt voort op de overige grieven. Gelet op het voorgaande dient deze grief eveneens te falen.

3.11

Partijen hebben geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot andere beslissingen zouden leiden dan hiervoor zijn genomen. Het hof zal de bewijsaanbiedingen dan ook passeren.

3.12

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [X] begroot op € 711,- aan verschotten en € 1.788,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart de procesveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.F. Schütz, D. Kingma en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016.