Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4188

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
200.174.980/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding. Anders dan de eerste rechter oordeelde, is geen dwangsom verbeurd ter zake van een door de voorzieningenrechter getroffen voorziening, nu die voorziening in hoger beroep is vervangen door een beperktere voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.174.980/01 KG

zaak- /rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/227871/KG ZA 15/437

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 oktober 2016

inzake

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.J.P. Schipper te Heerhugowaard,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. K.A. Cerutti te Hoorn.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 6 augustus 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de voorzieningenrechter) van 13 juli 2015, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven houdende vermeerdering van eis, met producties.

- memorie van antwoord.

Vervolgens is arrest gevraagd.

[appellant] heeft, kort samengevat, geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de door hem in eerste aanleg gevorderde voorzieningen zal toewijzen alsmede [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hij te onrechte heeft geïncasseerd (naar het hof begrijpt op basis van het vonnis van 31 maart 2015, zijnde voor zover ten tijde van de indiening van de memorie van grieven bekend € 1.714,35), met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Rechtsoverweging 3.1 bevat een verkorte weergave daarvan.

3 Beoordeling

3.1.(i) Partijen zijn broers en zijn al jarenlang verwikkeld in een geschil over afwikkeling van de maatschap waarin zij hebben samengewerkt, welke maatschap een veehouderij en mestvergisterij exploiteert. Door partijen zijn in het kader daarvan meerdere kortgedingprocedures gevoerd, voorts is tussen hen een bodemprocedure aanhangig.

(ii) Partijen hebben op 28 maart 2013 een overeenkomst gesloten, waarin nadere afspraken zijn gemaakt met betrekking tot het voldoen van zakelijke betalingsverplichtingen jegens derden. In die overeenkomst is opgenomen, voor zover hier van belang:

1. Partijen drijven vooralsnog in maatschapsvorm samen een veehouderij annex vergisterij. Zij zijn thans doende tot een splitsing te komen. (…)

3.Beide partijen fiatteren de betalingen waarover de laatste weken en maanden over en weer is gemaild. (…)

5. Over nieuwe investeringen zal overleg tussen partijen moeten plaatsvinden. (…)”.

(iii) Bij vonnis van 31 maart 2015 heeft de voorzieningenrechter [appellant] veroordeeld

“(…) tot nakoming van de op 28 maart 2013 gemaakte afspraken en wel door het verrichten van al die (rechts) handelingen die feitelijk nodig blijken te zijn om te bereiken dat deze daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd, in elk geval waar het gaat om de betalingen zoals die staan vermeld op de lijst welke als productie 5 bij de dagvaarding is gevoegd” op straffe van een dwangsom. Het vonnis is op 10 april 2015 aan [appellant] betekend.

(iv) [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] op grond van voornoemde veroordeling dwangsommen heeft verbeurd en heeft ten laste van [appellant] executoriale derdenbeslagen laten leggen onder een drietal banken.

( v) [appellant] heeft tegen het vonnis van 31 maart 2015 spoedappel ingesteld bij dit hof. Het hof heeft in zijn arrest van 13 oktober 2015 de onder iii bedoelde veroordeling ingeperkt en deze vervangen door:

“veroordeelt [appellant] tot nakoming van de op 28 maart 2013 gemaakte afspraken,

inhoudende dat de gebruikelijke bedrijfskosten van de maatschap worden voldaan

vanaf de bankrekening van de maatschap, ook indien het betreft kosten van na 28 maart 2013, met dien verstande echter dat voor bedrijfskosten bestaande uit investeringen van de maatschap van na 28 maart 2013 overeenstemming tussen partijen over die investeringen nodig is alvorens deze van de bankrekening van de maatschap kunnen worden voldaan, en wel door het verrichten van al die (rechts)handelingen die feitelijk nodig blijken te zijn om te bereiken dat de desbetreffende betalingen daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd, in elk geval waar het gaat op de posten zoals die staan vermeld op de lijst welke als productie 5 bij de dagvaarding is gevoegd, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat hij geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan deze verplichting met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 50.000,-;”.

3.2.

[appellant] vordert in het onderhavige geding - met inachtneming van de vermeerdering van eis in hoger beroep - de opheffing van door [geïntimeerde] ten laste van hem onder ABN Amro Bank, ING Bank, Rabobank Alkmaar en Omstreken en een niet nader aangeduide huurder gelegde derdenbeslagen, stellende dat hij de dwangsommen die door [geïntimeerde] aan de door hem getroffen executiemaatregelen ten grondslag zijn gelegd dwangsommen niet heeft verbeurd. In hoger beroep wijst hij voorts op het door dit hof op 13 oktober 2015 gewezen arrest waarin is beslist als hierboven onder 3.1 sub v is weergegeven.

De voorzieningenrechter heeft de door [appellant] gevorderde voorziening geweigerd. Tegen deze beslissing komt [appellant] in hoger beroep met twee grieven op.

3.3.

De grieven treffen doel. Het hof heeft in zijn arrest van 13 oktober 2015 het vonnis van 31 maart 2015 voor zover het de hierboven onder 3.1 sub iii bedoelde veroordeling betreft vernietigd en daarvoor in de plaats een andere (beperktere) voorziening getroffen. Daarmee is aan de werking van die veroordeling met terugwerkende kracht een einde gemaakt en is de rechtsgrond voor eventuele op grond van die veroordeling verbeurde dwangsommen met terugwerkende kracht komen te vervallen. Een situatie als die die aanleiding gaf tot het door [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord besproken arrest van de Hoge Raad (kort gezegd de oorspronkelijke veroordeling wordt gehandhaafd doch van een andere grondslag voorzien, vgl. ECLI:HR:2016:268) doet zich in het onderhavige geval niet voor.

De conclusie moet derhalve zijn dat [appellant] geen dwangsommen verschuldigd is op grond van de eventuele niet nakoming van in het dictum van het vonnis van 31 maart 2015 in conventie derde gedachtestreep uitgesproken veroordeling en de executiemaatregelen die uit dien hoofde zijn genomen dienen te worden opgeheven onder restitutie van hetgeen is geïncasseerd. Door [geïntimeerde] wordt niet betwist dat het door hem geïncasseerde bedrag € 1.714,35 beloopt, hij zal derhalve worden veroordeeld om dit bedrag aan [appellant] terug te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente als gevorderd nu [geïntimeerde] evenmin het ingangstijdstip daarvan bestrijdt.

3.4.

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De door [geïntimeerde] ten laste van [appellant] onder ABN Amro Bank, ING Bank en Rabobank Alkmaar gelegde executoriale derdenbeslagen, die inzet vormen van het onderhavige geding zullen worden opgeheven. Met betrekking tot het onder ‘de huurder’ gelegd derdenbeslag zijn geen beslagstukken overgelegd, de vordering van [appellant] is wat dit beslag betreft niet voldoende gespecificeerd om voor een beslissing in voormelde zin in aanmerking te komen. Wel zal [geïntimeerde] worden veroordeeld om een eventueel onder een huurder gelegd beslag op te heffen en zal hij voorts worden bevolen de executie te staken voor zover deze betreft de beweerde op basis van het vonnis van de voorzieningenrechter te Alkmaar van 31 maart 2015 verbeurde dwangsommen. Daaraan zal de hierna te vermelden dwangsom worden verbonden. Bij toewijzing van het gevorderde sub 1 (voor zover al in kort geding toewijsbaar) heeft [appellant] in het licht van het voorgaande onvoldoende belang.

[geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

- heft de executoriale derdenbeslagen die door [geïntimeerde] op basis van het tussen partijen gewezen vonnis van 31 maart 2015 ten laste van [appellant] onder ABN Amro Bank, ING Bank en Rabobank Alkmaar en Omstreken zijn gelegd op;

- veroordeelt [geïntimeerde] om een eventueel ander (‘de huurder’) op basis van het vonnis van 31 maart 2015 ten laste van [appellant] reeds gelegd derdenbeslag op te heffen binnen twee dagen na betekening van dit arrest;

- beveelt [geïntimeerde] om de verdere executie van de in het vonnis van 31 maart 2015 vervatte dwangsomveroordeling te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij daarmee in gebreke blijft, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 50.000,-;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot (terug) betaling aan [appellant] van een bedrag van € 1.714,35, ter vermeerderen met de wettelijke rente sedert 4 juni 2015 tot het tijdstip der voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding voor zover aan de zijde van [appellant] gevallen begroot op € 379,79 aan verschotten en op € 816,- voor salaris in eerste aanleg en tot op heden op € 405,19 aan verschotten en op € 894,- voor salaris in hoger beroep;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, W.A.H. Melissen en D.J. Oranje en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016.