Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4187

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
200.173.765/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen misbruik van omstandigheden bij totstandkoming overeenkomst ter zake aandelenoverdracht. Het hof deelt niet het standpunt dat de persoonlijke relatie tussen partijen tot de conclusie moet leiden dat zich misbruik van omstandigheden heeft voorgedaan. Ook indien met de persoonlijke relatie van partijen rekening wordt gehouden is in de feitelijke stellingen van appellante onvoldoende grond gelegen om een dergelijke gevolgtrekking te wettigen. Het komt immers bij deze beoordeling aan op alle omstandigheden van het geval en de omstandigheid dat partijen levenspartners zijn geweest kan één van die omstandigheden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3072

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.173.765/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/216069/HA ZA 14-362

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 oktober 2016

inzake

1 [X] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellante sub 2],

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. H. Oomen te Haarlem,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [Y] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. M. Deckers te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna [X] Holding, [appellante sub 2] en, in vrouwelijk enkelvoud, [appellanten] genoemd. Geïntimeerden worden hierna [geïntimeerde sub 1] , [Y] en, in mannelijk enkelvoud, [geïntimeerden] genoemd.

[appellanten] is bij dagvaarding van 13 juli 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 april 2015, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagde in conventie tevens eiser in voorwaardelijke reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven; en

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 19 april 2016 doen bepleiten, [appellanten] door mrs. I.N.A. Denninger en M.J. Folkeringa, advocaten te Haarlem, en [geïntimeerden] door mr. M. Deckers voornoemd en mr. J. van Borssum, advocaat te Amsterdam, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij die gelegenheid zijn door beide partijen nadere producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad – haar vordering, zoals in de memorie van grieven verwoord, zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. De feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover nodig zal het hof ingaan op de in grief 1 aangedragen aanvullingen op de feiten. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] hebben van juni 1993 tot februari 2013 een affectieve relatie

gehad, in het kader waarvan zij hebben samengewoond en waaruit twee thans nog minderjarige dochters zijn geboren.

2.2

Op 13 maart 1995 is [appellante sub 2] in de vorm van een eenmanszaak een koeriersbedrijf

gestart onder de naam “ [Z] ”. Op 28 maart 1995 hebben [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] “ [Z] ” samen als vennootschap onder firma voortgezet.

2.3

Op 30 mei 2002 hebben [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] de activiteiten van [Z]

ingebracht in een besloten vennootschap [Z]

(hierna: [Z] ). [appellante sub 2] kreeg bij de oprichting van [Z] via haar persoonlijke holding, [X] Holding, een minderheidsbelang van 40% van de aandelen en [geïntimeerde sub 1] kreeg via zijn holding, [Y] Holding, een meerderheidsbelang van 60%. [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] waren sinds de oprichting van [Z] via voormelde holdings middellijk bestuurder van [Z] .

2.4

Nadat [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] in februari 2013 hun relatie hebben beëindigd, hebben partijen besloten de gemeenschappelijke zakelijke activiteiten in [Z] te ontvlechten. [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] hebben in dat kader afzonderlijk en gezamenlijk gesproken met J. Bakker, accountant van [Z] en werkzaam als registeraccountant/CB belastingconsulent bij JAN Accountants & Belastingadviseurs B.V. (hierna: Bakker).

2.5

Op 27 maart 2013 hebben partijen in dat kader een overeenkomst gesloten. Daarin

staat:

‘(…).

Artikel 3 Huisvesting

1. [appellante sub 2] woont thans nog in de woning van [geïntimeerde sub 1] . [appellante sub 2] zal op zoek gaan naar een andere woning en zal er zorg voor dragen dat zij uiterlijk op 1 mei 2013 niet meer woonachtig is in de woning van [geïntimeerde sub 1] .

2. [X] zal, al dan niet tezamen met een financiële instelling, zorgdragen voor de financiering van de door [appellante sub 2] aan te schaffen woning.

Artikel 4 Aandelenoverdracht

1. [X] zal de door haar gehouden aandelen met de nummers [nummer 1] tot en met [nummer 2] in het geplaatste aandelenkapitaal van [Z] en de door haar gehouden aandelen met de nummers [nummer 3] tot en met [nummer 4] in het geplaatste aandelenkapitaal van 24 Hours overdragen aan [Y] tegen betaling van een bedrag ad 275.000,-, te vermeerderen met een earn-out regeling, als bedoeld in de leden 3 en 4 van dit artikel.

2. [Y] zal de koopsom ad 275.000,- aan [X] voldoen bij de levering van de aandelen.

3. Daarnaast zal [Y] na vaststelling van de jaarrekening 2013, doch uiterlijk op 1 mei 2014, de in lid 1 bedoelde earn-out regeling, zijnde 40% van de winst (na belasting) met een maximum van € 25.000,-, aan [X] voldoen. Voor de bepaling van de winst (na belasting) zal rekening worden gehouden met een genormaliseerde managementvergoeding voor [geïntimeerde sub 1] ten bedrage van € 150.000,- per jaar.

4. Na vaststelling van de jaarrekening 2014, doch uiterlijk op 1 mei 2015, zal [geïntimeerde sub 1] bij gelijkblijvende of hogere winst in het boekjaar 2014 ten opzichte van het boekjaar 2013 een vergoeding van € 10.000,- aan [X] betalen.

(...)

Artikel 6 Managementovereenkomst

1. Na de overdracht van de aandelen zoals bedoeld in artikel 4 zal de managementovereenkomst, zoals die thans tussen [X] en [Z] bestaat, met wederzijds goedvinden worden beëindigd.

2. [X] zal na de aandelenoverdracht terugtreden als statutair bestuurder van [Z] en 24 Hours.

3. Na de aandelenoverdracht zullen [X] en [Z] een nieuwe managementovereenkomst onder de navolgende voorwaarden overeenkomen:

a. de looptijd bedraagt 12 maanden, waarna de managementovereenkomst ingeval van wederzijdse instemming steeds voor de periode van 12 maanden kan worden verlengd;

b. [X] zal alle werkzaamheden verrichten voor en de verantwoordelijkheid dragen over alle werkzaamheden die zien op de ISO-certificering, personeelszaken en administratie. [X] zal zich zodanig flexibel opstellen en bereikbaar zijn als voor een goede uitoefening van de werkzaamheden noodzakelijk is;

c. [X] zal [appellante sub 2] als functionaris inzetten bij de uitoefening van de werkzaamheden;

d. de managementovereenkomst kan tussentijds met inachtneming van een opzegtermijn van 2 maanden worden opgezegd;

e. de managementvergoeding zal € 3.000,- per maand gaan bedragen;

(...).’

2.6

Op 17 april 2013 is de akte van levering gepasseerd, waarbij [X] Holding haar aandelen in [Z] en 24 Hours B.V. heeft verkocht en geleverd aan [Y] Holding.

2.7

Omstreeks april 2014 heeft [appellante sub 2] aan [geïntimeerde sub 1] aangegeven dat zij wilde praten

over de overeenkomst van 27 maart 2013. [geïntimeerde sub 1] heeft daarop aangegeven dat hij niet wilde terugkomen op de overeenkomst.

3 Beoordeling

3.1

[appellanten] heeft in eerste aanleg, in conventie, kort gezegd, gevorderd het door haar gedaan beroep op misbruik van omstandigheden en/of bedrog en/of dwaling en/of onrechtmatige daad gegrond te verklaren en de gevolgen van de overeenkomst van 27 maart 2013 te wijzigen, zodanig dat de betaalverplichting uit hoofde van de levering van de aandelen in [Z] wordt gesteld op 40% van € 7.613.308. [geïntimeerden] heeft in voorwaardelijke reconventie gevorderd [X] Holding te veroordelen tot betaling van € 300.000. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en, kort gezegd, overwogen dat ter zake de wilsgebreken onvoldoende is gesteld, overigens niet is voldaan aan de in art. 3:44 BW en in art. 6:228 BW vermelde vereisten voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden, bedrog of dwaling en er voorts geen grond bestaat voor de conclusie dat [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld. Aan de voorwaardelijke vordering in reconventie is de rechtbank niet toegekomen, nu de vorderingen in conventie zijn afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellanten] met 6 grieven op.

Misbruik van omstandigheden

3.2

De grieven 2 en 3 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij strekken ten betoge dat de overeenkomst van 27 maart 2013 tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden. [appellanten] heeft daartoe het volgende aangevoerd. [geïntimeerde sub 1] heeft misbruik gemaakt van de onwetendheid van [appellante sub 2] over haar juridische en financiële positie. [appellante sub 2] was onervaren op het gebied van de koop en verkoop van aandelen en de waardering van een onderneming. [appellante sub 2] verkeerde verder in een afhankelijke positie ten opzichte van [geïntimeerde sub 1] . De afhankelijkheid uitte zich in het verblijf in de echtelijke woning, het verkrijgen van een koopprijs voor de aandelen, het behoud van haar inkomen. Bovendien heeft [geïntimeerden] informatie achterhouden. Verder stond [appellante sub 2] onder druk omdat zij per 1 april 2013 de woning diende te verlaten en dringend over eigen woonruimte diende te beschikken. [geïntimeerde sub 1] heeft die omstandigheid aangegrepen om de overeenkomst er door te drukken. [appellante sub 2] verkeerde aldus in een noodtoestand. Om snel over eigen woonruimte te beschikken zag zij een snelle verkoop van de aandelen als enige mogelijkheid. Ten slotte dienen de persoonlijke verhoudingen tussen partijen te worden betrokken bij de vraag of voldaan is aan de vereisten van misbruik van omstandigheden: het betrof een emotioneel geladen aangelegenheid die niet alleen betrekking had op de ontvlechting van een zakelijke relatie, maar vooral betrekking had op een verbreking van de persoonlijke relatie. Mocht [geïntimeerden] [appellanten] niet hebben bewogen tot het aangaan van de overeenkomst, dan had hij [appellanten] in ieder geval er dienen van te weerhouden om de overeenkomst aan te gaan vanwege de nadelige gevolgen die het aangaan van de overeenkomst voor [appellanten] zou hebben.

3.3

Het hof overweegt als volgt en stelt het volgende voorop. Op grond van het bepaalde in artikel 3:44 BW is sprake van misbruik van omstandigheden wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon wat hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Het komt bij beoordeling van de vraag of sprake is (geweest) van misbruik van omstandigheden aan op de situatie ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling.

Noodtoestand

3.4

Eén van de bijzondere omstandigheden die wordt gesteld door [appellanten] is de noodtoestand. [appellanten] heeft gesteld dat zij zich bevond in een noodtoestand. [appellante sub 2] diende namelijk dringend over woonruimte te beschikken en om dat doel te bereiken zag [appellanten] een snelle verkoop van de aandelen in [Z] als enige mogelijkheid. Dit was ook bekend bij [geïntimeerden] , aldus nog steeds [appellanten] . Naar het oordeel van het hof is in het door [appellanten] aangevoerde feitenmateriaal, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] , onvoldoende grond gelegen om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is geweest van een noodtoestand. Ten eerste staat vast dat [appellante sub 2] in de woning kon blijven en [appellante sub 2] het verblijf alleen praktisch onuitvoerbaar en onwenselijk vond. Voorts heeft [geïntimeerden] concreet gemotiveerd aangevoerd dat [appellante sub 2] genoeg alternatieve mogelijkheden had om tijdelijk een woonruimte te huren of elders te logeren. [geïntimeerden] wijst in dit verband concreet op twee emailberichten van [appellante sub 2] van 22 maart 2013. Het eerste emailbericht gaat over tijdelijke huur en in het tweede emailbericht schrijft [appellante sub 2] dat zij zich niet onder druk laat zetten omdat ze een huis nodig heeft. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken van een situatie waarin [appellanten] wel heeft moeten contracteren en waarbij de inhoud van de overeenkomst dientengevolge in belangrijke mate door [geïntimeerden] kon worden gedicteerd.

Afhankelijkheid

3.5

Ter toelichting op de bijzondere omstandigheid, gelegen in een afhankelijke [appellante sub 2] , wordt door [appellanten] betoogd dat de afhankelijkheid bestond uit het verblijf in de echtelijke woning, welke immers eigendom was van [geïntimeerde sub 1] . Daarnaast was [appellanten] voor het verkrijgen van een koopprijs voor de aandelen afhankelijk van [geïntimeerden] : hij diende de koopprijs te voldoen. Ten slotte was [appellante sub 2] afhankelijk van [geïntimeerde sub 1] voor het behoud van haar inkomen: het was de bedoeling dat zij werkzaam zou blijven voor [Z] , waarvan [geïntimeerde sub 1] voor 100% aandeelhouder was. In deze omstandigheden is [appellanten] ook de nodige informatie over haar positie onthouden en is haar onjuiste (althans zeer eenzijdige) informatie verstrekt, aldus nog steeds [appellanten] Het hof is hieromtrent van oordeel dat een en ander onvoldoende feitelijke grondslag oplevert om de conclusie te rechtvaardigen dat [geïntimeerden] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Onvoldoende onderbouwd is immers dat [appellanten] door [geïntimeerden] is gebracht tot het aangaan van een overeenkomst die [appellanten] , indien [appellanten] niet in die omstandigheden had verkeerd, niet zou hebben gesloten.

Onervarenheid

3.6

[appellanten] heeft gesteld dat [geïntimeerden] misbruik heeft gemaakt van de onwetendheid van [appellanten] over haar juridische en financiële positie. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerden] deze stelling van [appellanten] gemotiveerd betwist. In aanmerking nemende dat [appellante sub 2] nauw betrokken was bij de bedrijfsvoering van [Z] , sinds 2006 als financieel manager en bestuurder van [Z] alle jaarrekeningen en tussentijdse cijfers van [Z] ontving en de jaarrekeningen ondertekende, de financiële rapportages opstelde, de financiële administratie verzorgde, met accountant Bakker de kwartaal- en jaarcijfers besprak, in 2004 een cursus financieel inzicht heeft gevolgd, en indachtig de verklaring van accountant Bakker over het verloop van de onderhandelingen en de rol van [appellante sub 2] daarbij, is er veeleer grond om aan te nemen dat [appellanten] zelfstandig een weloverwogen besluit tot het aangaan van de overeenkomst heeft genomen, laat staan dat er grond is om aan te nemen dat [geïntimeerden] wist dat dit niet het geval was of dat behoorde te begrijpen en [appellanten] van het sluiten van de overeenkomst had behoren te weerhouden.

3.7

Concluderend is het hof van oordeel dat [appellanten] , mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerden] , onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat zich de door hem gestelde bijzondere omstandigheden voordeden en dat [appellanten] wel degelijk de keus had om de overeenkomst van 27 maart 2013 al dan niet aan te gaan. Derhalve kan niet worden gezegd dat aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is voldaan.

Persoonlijke relatie

3.8

[appellanten] heeft nog betoogd dat er bij de beoordeling van haar stellingen rekening mee behoort te worden gehouden dat [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] levenspartners waren en pas in tweede instantie aandeelhouders. Vanwege die persoonlijke relatie kan, aldus [appellanten] , niet een uitsluitend zakelijke toetsing plaatsvinden. Omdat het een emotioneel geladen aangelegenheid was kon [geïntimeerde sub 1] [appellante sub 2] gemakkelijk tot iets brengen wat [appellante sub 2] eigenlijk niet wilde. Het hof deelt niet het standpunt van [appellanten] dat deze omstandigheid op zichzelf beschouwd, dan wel tezamen met de hiervoor besproken bijzondere omstandigheden, in het onderhavige geval tot de conclusie moet leiden dat zich misbruik van omstandigheden heeft voorgedaan. Ook indien met de persoonlijke relatie van partijen rekening wordt gehouden is in de feitelijke stellingen van [appellanten] onvoldoende grond gelegen om een dergelijke gevolgtrekking te wettigen. Het komt immers bij deze beoordeling aan op alle omstandigheden van het geval, en de omstandigheid dat [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] levenspartners zijn geweest kan één van die omstandigheden zijn. Zonder nadere toelichting die ontbreekt, valt onder de gegeven omstandigheden niet in te zien dat de persoonlijke relatie tussen [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] tot een ander oordeel behoort te leiden.

Bedrog

3.9

Met grief 4 wordt door [appellanten] betoogd dat de overeenkomst van 27 maart 2013 onder invloed van bedrog is aangegaan door [appellanten] . Bakker heeft namens [geïntimeerden] gehandeld toen hij [appellanten] voorhield dat de aandelen tussen de

€ 300.000 en € 350.000 waard waren. Subsidiair, naar het hof begrijpt, stelt [appellanten] ter toelichting op de grief, dat de onjuiste mededeling er ook in kan bestaan dat [geïntimeerden] [appellanten] in de waan heeft gebracht dat zijn bod de werkelijke waarde vertegenwoordigde.

3.10

Het hof overweegt als volgt. [geïntimeerden] heeft met de verklaring van accountant Bakker nader toegelicht dat tijdens de afzonderlijk en gezamenlijk gevoerde besprekingen [appellanten] nooit is voorgehouden dat de biedprijs ongeveer zou overeenkomen met de werkelijke waarde van de aandelen. [geïntimeerden] heeft in dit verband aangevoerd dat [appellanten] een bod is medegedeeld ten belope van het bedrag dat [geïntimeerde sub 1] bereid was - mede in het licht van de op dat moment bestaande vooruitzichten voor het bedrijf - voor de aandelen te betalen en [appellanten] heeft in de onderhandelingen ook nimmer er van blijk gegeven dat zij geïnteresseerd was in wat op dat moment de werkelijke waarde van de aandelen was.

[appellanten] heeft hiertegenover slechts gesteld dat de onjuiste mededelingen, expliciet dan wel impliciet, hebben bestaan uit het in de waan brengen dat het bod de werkelijke waarde vertegenwoordigde, maar laat na deze stellingen feitelijk en deugdelijk te onderbouwen, laat staan dat dat zij deze voldoende gespecificeerd te bewijzen heeft aangeboden. Voorts is ook hier relevant dat [appellanten] geacht moet worden zelf een zekere deskundigheid te hebben gehad, te meer nu zij de jaarrekeningen ondertekende. Dat zij door toedoen van [geïntimeerden] op het verkeerde been is gebracht is ook in het licht hiervan onaannemelijk. Ten slotte wijst het hof erop dat [appellanten] niet voldoende heeft betwist dat de vooruitzichten van de onderneming ten tijde van de totstandkoming van de koop negatief beïnvloed werden door een mogelijk vertrek van één van de grootste opdrachtgevers, de toekomst van het bedrijf in hoge mate afhankelijk was van de inzet van [geïntimeerde sub 1] en voorts dat de lucratieve deal met Toyota (die tot een aanzienlijk omzetstijging heeft geleid) eerst in augustus van 2013 is gesloten. Dit leidt tot de slotsom dat grief 4 tevergeefs is voorgedragen.

Dwaling

3.11

Met grief 5 wordt betoogd dat [appellanten] , ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van 27 maart 2013, in de veronderstelling verkeerde dat de geboden prijs de werkelijke waarde van de aandelen vertegenwoordigde en daaromtrent heeft gedwaald: of [geïntimeerden] wist wat de reële waarde was, maar heeft dit verzwegen, of [geïntimeerden] wist dit niet en dan was er sprake van wederzijdse dwaling. Het hof overweegt als volgt.

3.12

Dat er sprake was van een onjuiste inlichting omtrent de waarde van de aandelen is niet vast komen te staan. Het hof verwijst in dit verband naar de overwegingen omtrent het gestelde bedrog en voegt daar het volgende nog aan toe. Gelet op de deskundigheid van [appellanten] mocht [geïntimeerden] er vanuit gaan dat [appellanten] voldoende op de hoogte was dan wel zelf onderzoek zou (laten) doen naar de waarde van de aandelen. Van een onjuiste veronderstelling aan de zijde van [geïntimeerden] (in de zin van art. 6:228 lid c BW) is niet gebleken. Het hof ziet ook geen aanleiding, in het licht van de stellingen, om het bepaalde in art. 3:196 BW naar analogie toe te passen.

Onrechtmatige daad

3.13

Grief 6 bouwt voort op de grieven 2, 3, 4 en 5, en strekt ten betoge dat [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld. Blijkens de toelichting op grief 6 baseert [appellanten] haar standpunt dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld op de hierboven besproken en ontoereikend bevonden grondslagen. Het voorgaande brengt mee dat ook deze grief geen doel kan treffen.

3.14

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Gelet op de relatie tussen partijen ( [appellante sub 2] en [geïntimeerde sub 1] en hun persoonlijke holdings) acht het hof aangewezen dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Jurgens, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en M.J.J. de Bontridder en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016.