Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4181

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
200.164.213/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot herroeping arbitrale vonnissen. Oud recht.

Verklaring van getuige is in strijd met de waarheid.

Vonnissen berusten niet op bedrog. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2017, afl. 2, p. 77
NJF 2017/22
TvA 2017/8

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.164.213/01

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 oktober 2016

inzake

1 [appellant sub 1] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , [land] ,

2. [X] LOGISTICS B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eisers,

advocaat: mr. F.W.H. Weelen te Eindhoven,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , [land] ,

2. [Y] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat: mr. J.M.M. Menu te Tilburg.

1 Het geding

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant sub 1] , [X] Logistics, [geïntimeerde sub 1] en [Y] Holding genoemd. Eisers gezamenlijk worden ook wel aangeduid als [appellanten] , gedaagden gezamenlijk ook wel als [geïntimeerden]

[appellanten] hebben bij dagvaarding van 22 december 2014 [geïntimeerden] opgeroepen om bij dit hof te verschijnen. Zij hebben daarbij gevorderd, zakelijk weergeven:

I. het arbitraal tussenvonnis van 13 september 2012 en het arbitraal eindvonnis van 19 augustus 2013 (verder respectievelijk het arbitraal tussenvonnis, het arbitraal eindvonnis en tezamen de arbitrale vonnissen) te herroepen op grond van bedrog aan de zijde van [geïntimeerden] , primair met partiële vernietiging inzake de veroordeling van [appellanten] om aan [geïntimeerden] te betalen de waardevermeerdering van het perceel [perceel] , subsidiair met integrale vernietiging van de arbitrale vonnissen;

II. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen aan hen te betalen primair een bedrag van € 956.500,-, subsidiair een bedrag van € 1.439.648,44, met rente, op grond van onverschuldigde betaling aangezien de titel van de betaling van [appellanten] aan [geïntimeerden] is komen te ontvallen;

III. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de integrale kosten van de arbitrageprocedure welke ten laste van [appellanten] zijn gebracht, met rente,

een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van deze procedure met rente.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- conclusie van eis conform de dagvaarding, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek;

- akte van de zijde [appellanten]

- antwoordakte van de zijde van [geïntimeerden] .

Ten slotte is arrest gevraagd.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [appellanten] in hun vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

Partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Beoordeling

2.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

[geïntimeerde sub 1] en [appellant sub 1] zijn broers. Zij dreven tot 1 januari 1997 gezamenlijk een onderneming in [Z] Internationaal Transportbedrijf Eindhoven B.V. (verder: [Z] BV). [geïntimeerde sub 1] en [appellant sub 1] bezaten elk 50% van de aandelen in [Z] BV. Zij hebben besloten de onderneming te splitsen en zijn daartoe op 26 februari 1998 een overeenkomst aangegaan (verder: de splitsingsovereenkomst). Bij de splitsingsovereenkomst is een perceel grond gelegen op het industriepark [perceel] (verder: het perceel [perceel] ) toegedeeld aan [geïntimeerde sub 1] . In de splitsingsovereenkomst is de ‘grondkwestie [perceel] /gemeente’ aangemerkt als een lopende, nog niet geregelde kwestie waarover partijen nog in overleg zullen treden.

3.1.2.

Partijen hebben op 20 september 2003 een vaststellingsovereenkomst (verder: de vaststellingsovereenkomst) gesloten omtrent een aantal nog niet geregelde kwesties. In deze overeenkomst is bepaald dat de grondkwestie [perceel] tussen partijen finaal zal worden afgewikkeld indien en zodra door de rechter in hoogste instantie is beslist.

3.1.3.

[Z] BV huurde het perceel [perceel] aanvankelijk van Agglomeratie Industriepark [perceel] (hierna: de Agglomeratie). [Z] BV stelde zich in een geschil met de Agglomeratie op het standpunt dat de Agglomeratie het perceel aan haar moest verkopen en leveren. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 27 juni 1995 geoordeeld dat de Agglomeratie het perceel [perceel] aan [Z] BV moest verkopen en leveren. De Agglomeratie heeft aan dit vonnis uitvoering gegeven. [Z] BV is vervolgens in een bodemprocedure bij arrest van het Hof Arnhem van 22 november 2005 veroordeeld tot teruglevering van het perceel [perceel] aan de Agglomeratie. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2007 verworpen. Het perceel is daarop teruggeleverd aan de Agglomeratie.

3.1.4.

Tussen partijen is op 13 september 2012 een arbitraal tussenvonnis gewezen. In het arbitraal tussenvonnis is onder meer het volgende overwogen:

‘5.18 Naar het oordeel van het scheidsgerecht is [geïntimeerden] geslaagd in de bewijs opdracht dat [geïntimeerden] en [appellanten] zijn overeengekomen, althans dat [geïntimeerden] er gerechtvaardigd van mocht uitgaan dat partijen zijn overeengekomen, dat ten aanzien van het desbetreffende perceel [hof: het perceel [perceel] ], wanneer onherroepelijk zou komen vast te staan dat de Agglomeratie daarvan eigenaar is gebleven, [appellanten] aan [geïntimeerden] schuldig is de helft van de dientengevolge door [geïntimeerden] misgelopen waardevermeerdering van het desbetreffende perceel. In die zin hebben eenduidig verklaard de getuigen aan de kant van [geïntimeerden] Het Scheidsgerecht hecht in het bijzonder aan de verklaringen van de zijde van de betrokken accountant (Foederer: Beekwilder en Van de Weideven) en de betrokken advocaat ( [A] ), omdat zij ten tijde van de splitsing daarbij intensief betrokken waren als adviseur van beide partijen. Hieraan doet onvoldoende af dat zij na de splitsing korte ( [A] ) of langere (de accountants van Foederer) tijd de adviseur van [geïntimeerden] waren. Wat betreft de tegengetuigen aan de zijde van [appellanten] geldt dat [appellant sub 1] partijgetuige is en [B] en [C] niet bij de totstandkoming van de splitsing en de splitsingsovereenkomst betrokken waren. Het Scheidsgerecht kent daarom aan hun verklaringen minder betekenis toe. De enkele, weinig specifieke, verklaring van [D] weegt daar niet tegenop.

5.19

Dat partijen hebben bedoeld dat wanneer onherroepelijk in rechte zou komen vast te staan dat de Agglomeratie eigenaar van het perceel is gebleven, [appellanten] aan [geïntimeerden] schuldig is de helft van de dientengevolge door [geïntimeerden] misgelopen waardevermeerdering van het desbetreffende perceel, past ook bij de tekst van de splitsingsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst. Uit zowel de tekst van de splitsingsovereenkomst als de vaststellingsovereenkomst volgt dat partijen ten aanzien van het perceel nog iets te overleggen c.q. af te wikkelen hebben “zodra door de rechter in hoogste instantie is beslist en deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan”. Op 29 juni 2007 heeft de rechter in hoogste instantie onherroepelijk beslist.

5.20

De bedoeling van partijen als door [geïntimeerden] gesteld past ook beter bij de bedoeling van de splitsing van het gezamenlijke bedrijf, waarbij partijen een gelijke waarde is toegekend. Ten aanzien van een aantal ten tijde van de splitsing openstaande punten hebben partijen later – in de vaststellingsovereenkomst – een regeling getroffen, dan wel zijn bij realisatie van het desbetreffende punt uitgegaan van een 50/50 verdeling. Een en ander geeft steun aan de waardering van het bewijs in de door [geïntimeerden] voorgestane zin.

(…)

5.25

Het Scheidsgerecht zal ter waardering van de waarde van het perceel een deskundige benoemen.’

3.1.5.

Vervolgens is op 19 augustus 2013 tussen partijen een arbitraal eindvonnis gewezen. In dat vonnis zijn [appellanten] onder meer veroordeeld om aan [geïntimeerden] te voldoen een bedrag van € 956.500,- als zijnde de helft van de waardestijging van het perceel [perceel] .

3.2.

[appellanten] stellen in het onderhavige geschil dat sprake is van bedrog van de zijde van [geïntimeerden] omdat [geïntimeerden] gebruik hebben gemaakt van een getuigenverklaring waarvan zij wisten dan wel moesten weten dat die verklaring onwaar was. Mr. [A] heeft immers als getuige verklaard dat hij geen zakelijke relaties meer onderhield met partijen, terwijl [geïntimeerden] nog wel declaraties ontvingen van mr. [A] en deze declaraties ook voldeden. Ook heeft de advocaat van [geïntimeerden] in de arbitrageprocedure concepten van processtukken ter beoordeling toegezonden aan mr. [A] . Het arbitraal tussenvonnis verwijst expliciet naar de getuigenverklaring van mr. [A] . Het arbitraal tussenvonnis en het arbitraal eindvonnis berusten dan ook geheel of ten dele op bedrog zodat deze voor herroeping in aanmerking komen, aldus nog steeds [appellanten] . Zij verwijzen ter onderbouwing van hun stellingen onder meer naar een door hen overgelegde beslissing van de Raad van Discipline van 8 september 2014 waarbij aan mr. [A] de maatregel van berisping is opgelegd.

3.3.

Partijen stellen zich terecht op het standpunt dat in dit geval van toepassing zijn de artikelen 1064 Rv en verder zoals deze luidden vóór de wetswijziging van 1 januari 2015. De arbitrageprocedure is immers aangevangen ruim voor de inwerkingtreding van deze wetswijziging zodat ingevolge het overgangsrecht het oude recht van toepassing blijft.

3.4.

[geïntimeerden] stellen zich primair op het standpunt dat [appellanten] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen. In het tussen partijen gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van 25 juni 2014 van de rechtbank Amsterdam ligt besloten dat de arbitrale vonnissen niet voor vernietiging in aanmerking komen, aldus [geïntimeerden] . Het hof verwerpt dit verweer. [appellanten] hadden in het geschil dat tot het vonnis van 25 juni 2014 heeft geleid, onder meer gevorderd het arbitrale eindvonnis te vernietigen op de grond dat de arbiters (een onderdeel van) hun beslissing niet met redenen hadden omkleed. Dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis, gegrond op artikel 1065 (oud) Rv inmiddels is afgewezen, staat echter niet in de weg aan het instellen van de onderhavige vordering tot herroeping van een arbitraal vonnis welke is gegrond op artikel 1068 (oud) Rv. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke vordering alsnog kan leiden tot vernietiging van hetzelfde arbitraal vonnis en alsnog behandeling van het oorspronkelijke geschil door de rechtbank.

3.5.

[geïntimeerden] stellen voorts dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen sub II en III omdat bij een eventuele vernietiging na een herroeping het hof niet zelf de zaak zou moeten afdoen, maar ingevolge artikel 1067 (oud) Rv de bevoegdheid van de rechtbank herleeft. [appellanten] daarentegen stellen zich op het standpunt dat zij na een vernietiging onmiddellijk recht hebben op terugbetaling van de door hen onverschuldigd betaalde bedragen. Het hof overweegt dat [geïntimeerden] gelet op het navolgende geen belang hebben bij bespreking van hun verweer inzake de vorderingen sub II en III.

3.6.

[geïntimeerden] bestrijden voorts dat sprake is van bedrog, althans dat de arbitrale vonnissen berusten op bedrog als bedoeld in artikel 1068 (oud) Rv. Het hof stelt voorop dat volgens artikel 1068 (oud) Rv herroeping kan plaatsvinden onder meer op de grond dat het arbitraal vonnis geheel of ten dele berust op na de uitspraak ontdekt bedrog, door of met medeweten van de wederpartij in de arbitrageprocedure gepleegd. Het hof zal hierna onderzoeken of aan deze voorwaarde is voldaan.

3.7.

[appellanten] wijzen ter onderbouwing van hun standpunt dat sprake is van bedrog naar de beslissing van de Raad van Discipline, rechtsoverweging 2.5, waarin is te lezen dat mr. [A] in de periode van 9 juni 2009 tot en met 14 januari 2014 declaraties heeft verzonden aan de holding van [geïntimeerde sub 1] , in totaal tot een bedrag van ruim € 65.000,-. De Raad van Discipline heeft onder meer op grond daarvan overwogen dat mr. [A] zich op de achtergrond wel degelijk met de arbitrageprocedure heeft beziggehouden en er dus wel een zakelijke relatie met [geïntimeerde sub 1] was, dat [A] dit had moeten melden tijdens het getuigenverhoor en dat hij, door dit niet te doen, in strijd met de waarheid heeft verklaard. [geïntimeerden] voeren daartegen aan dat mr. [A] ondersteunende werkzaamheden heeft verricht in de arbitragezaak maar daar in januari 2011 mee is opgehouden en dat hij daarom in de getuigenverhoren van 11 april en 12 december 2011 niet in strijd met de waarheid heeft verklaard. Mr. [A] heeft na januari 2011 nog wel, zoals met hem was afgesproken, uren gedeclareerd die hij heeft besteed aan de getuigenverhoren en aan de in verband daarmee gevoerde procedure omtrent zijn verschoningsrecht, maar dat betekent niet dat hij (nog) een zakelijke relatie met hen had, aldus [geïntimeerden] .

3.8.

Het hof is van oordeel dat de beslissing van de Raad van Discipline voldoende ondersteuning biedt voor de stelling dat mr. [A] ten tijde van de getuigenverhoren nog steeds een zakelijke band met [geïntimeerde sub 1] dan wel zijn holding had. [geïntimeerden] hebben niet bestreden dat mr. [A] tot en met 14 januari 2014 declaraties aan hen verzond. Zij hebben geen inzicht gegeven in de inhoud van deze declaraties. Het staat dan ook geenszins vast dat mr. [A] in januari 2011 is opgehouden met ondersteunende werkzaamheden, zoals [geïntimeerden] aanvoeren. Ook als de declaraties alleen de aan de verhoren en de procedure omtrent zijn verschoningsrecht te besteden tijd betroffen, dan had mr. [A] dit echter tijdens de verhoren moeten melden. De afspraak dat hij, althans zijn kantoor, deze uren mocht declareren valt immers wel degelijk als een zakelijke relatie aan te merken. Daarbij komt dat deze afspraak nog geen verklaring geeft voor de declaraties die mr. [A] kennelijk ook na afloop van de getuigenverhoren, immers tot en met 2014 aan [geïntimeerde sub 1] althans aan zijn holding heeft verzonden. Aldus staat vast dat mr. [A] met zijn mededeling dat hij geen zakelijke relatie meer met partijen onderhield, in strijd met de waarheid heeft verklaard. Er kan bovendien van worden uitgegaan dat [geïntimeerden] hiervan op de hoogte waren: zij ontvingen en betaalden immers de declaraties van mr. [A] .

3.9.

[geïntimeerden] hebben niet bestreden dat [appellanten] een en ander pas na het wijzen van de arbitrale vonnissen hebben ontdekt. Wel twisten partijen over de vraag of de arbitrale vonnissen al dan niet op door mr. [A] gepleegd bedrog berusten. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

3.10.

Het gaat er in dit geval om of de beslissing van de arbiters, inhoudende dat [geïntimeerden] de helft van de misgelopen waardestijging van het perceel [perceel] aan [appellanten] verschuldigd zijn, berust op de hiervoor beschreven onjuistheid in de verklaring van mr. [A] . De arbiters hebben hun oordeel, zo blijkt uit de hiervoor onder 3.1.4 geciteerde overwegingen uit het arbitrale tussenvonnis, na bewijslevering door [geïntimeerden] gegrond op de inhoud van de verklaringen van zowel mr. [A] als de getuigen Beekwilder en [F] , allen betrokken bij de splitsing van de onderneming, en de afweging van deze verklaringen tegen de verklaringen van de getuigen van de zijde van [appellanten] De arbiters hebben in hun motivering voorts verwezen naar de tekst van de splitsingsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst. Uit de tekst van deze overeenkomsten blijkt dat partijen ten aanzien van het perceel [perceel] nog tot afwikkeling moeten overgaan zodra de rechter in die kwestie onherroepelijk heeft beslist. Dat [appellanten] de helft van de misgelopen waardevermeerdering aan [geïntimeerden] verschuldigd zijn, past bij de tekst van deze overeenkomsten, aldus de arbiters. De arbiters hebben tevens erop gewezen dat de bedoeling van partijen zoals door [geïntimeerden] gesteld beter past bij de bedoeling van de splitsing waarbij partijen een gelijke waarde is toegekend en voorts dat partijen bij de vaststellingsovereenkomst een regeling hebben getroffen ten aanzien van openstaande punten waarbij zij zijn uitgegaan, dan wel bij de realisatie daarvan zullen uitgaan, van een 50/50 verdeling. Een en ander betekent dat de inhoud van de verklaring van mr. [A] - evenals overigens die van de overige getuigen - slechts een onderdeel vormt van de redenering die de arbiters aan hun bovenbedoelde beslissing ten grondslag hebben gelegd.

3.11.

Het vermeende bedrog is gepleegd met betrekking tot een feit dat de betrouwbaarheid van de door mr. [A] afgelegde verklaring betreft. In dit verband is van belang dat de arbiters er wel degelijk rekening mee hebben gehouden dat zowel mr. [A] als de andere twee getuigen van de zijde van [geïntimeerden] hun adviseurs zijn geweest en aldus dat zij een mogelijk daardoor gekleurde verklaring afleggen. Overigens is gesteld noch gebleken dat mr. [A] doelbewust heeft gelogen over zijn relatie met [geïntimeerden] om zodoende de uitkomst van de arbitrageprocedure te beïnvloeden. De verklaring van mr. [A] sluit wat betreft het bewijsthema bovendien aan bij de verklaringen zoals afgelegd door Beekwilder en [F] : allen benadrukken dat partijen de gemeenschappelijke onderneming zouden verdelen op 50/50 basis, waarbij moest worden afgerekend tegen de waarde op het tijdstip van verdeling althans op het moment dat duidelijkheid over de afwikkeling werd verkregen.

3.12

Voorts is van belang dat [appellanten] niet hebben gesteld dat de verklaring van mr. [A] op enig ander concreet punt, al dan niet betrekking hebbend op het bewijsthema, in strijd is met de waarheid of niet betrouwbaar is, laat staan dat zij hebben aangegeven wat dan wel de waarheid zou zijn. Het voorgaande is uit de door [appellanten] ingenomen stellingen evenmin af te leiden zodat het hof het ervoor houdt dat mr. [A] voor het overige naar waarheid heeft verklaard.

3.13.

Op grond van de hiervoor onder 3.10 tot en met 3.12 geschetste omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat het arbitraal tussenvonnis, en het daarop voortbordurende arbitraal eindvonnis, geheel of gedeeltelijk berust op na de uitspraak ontdekt bedrog. Dit betekent dat de vordering van [geïntimeerden] onder I dient te worden afgewezen.

3.14.

Daarmee staat ook vast dat de vorderingen sub II en III niet toewijsbaar zijn. De grondslag daarvan is immers eveneens gelegen in de door het hof verworpen stelling dat de arbitrale vonnissen berusten op bedrog. Het onder 3.4 omschreven verweer behoeft dan ook geen bespreking.

3.15.

Partijen hebben geen bewijs aangeboden van voldoende concrete feiten die, indien bewezen, tot andere beslissingen zouden leiden dan hiervoor genomen. Hun bewijsaanbiedingen zullen dan ook worden gepasseerd. Dit geldt ook voor het aanbod van de zijde van [appellanten] om mr. Tjittes, één van de drie wijzende arbiters, te doen horen die zou kunnen bevestigen dat er sprake is van een causaal verband tussen het bedrog en de arbitrale vonnissen. [appellanten] hadden dit bewijsaanbod tegen de achtergrond van de hiervoor besproken overwegingen in het arbitrale tussenvonnis nader dienen te concretiseren. Dit geldt te meer omdat [appellanten] slechts aanbieden om één van de drie arbiters te doen horen.

3.16.

[appellanten] zullen als de verliezende partijen in de proceskosten worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

wijst af de vorderingen van [appellanten] ;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.601,- en € 3.559,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, G.C. Boot en R.T. Terpstra en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016.