Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4162

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
23-001571-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

197 SR: inreisverbod voor de duur van 10 jaar. Vrijspraak wegens gebrekkige motivatie inreisverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-001571-15

Datum uitspraak: 18 oktober 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2015 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13‑685050-14 (zaak A) en 13-702866-14 (zaak B), alsmede 01-845808-13 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1984,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-685050-14 (zaak A):

1:
hij op of omstreeks 17 december 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand ([adres]) heeft weggenomen vier blikken bier (Heineken), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan HEMA, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2:
hij op of omstreeks 17 december 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;


Zaak met parketnummer 13-702866-14 (zaak B):

1:
hij op of omstreeks 24 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga jou slopen, ik maak jou dood als ik jou op straat zie", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2:
hij op of omstreeks 24 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof begrijpt dat de raadsman zich op het standpunt stelt dat het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van de ten laste gelegde feiten die zien op overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens volgt dat de verdachte niet teruggestuurd mag worden naar zijn land van herkomst. Door de verdachte desondanks te vervolgen voor het overtreden van artikel 197 Sr handelt het openbaar ministerie in strijd met deze supranationale verdragen.

Naar het oordeel van het hof biedt hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen grond voor de stelling dat de genoemde verdragen in onderhavig geval een dwingend vervolgingsbeletsel opleveren. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak van het in zaak A onder 2 en zaak B onder 2 ten laste gelegde

Het hof begrijpt het standpunt van de raadsman aldus dat hij van mening is dat de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde overtredingen van artikel 197 Sr dient te worden vrijgesproken nu de verdachte, buiten zijn schuld, niet terug kan keren naar Somalië wegens de veiligheidssituatie aldaar.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de motivering die ten grondslag is gelegd aan het inreisverbod van 25 september 2013 in het licht van het arrest van het hof Amsterdam van 17 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4751) onvoldoende is en derhalve evident in strijd is met het bepaalde in de Terugkeerrichtlijn (het hof begrijpt: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven). Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte van het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat tegen de verdachte bij beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 september 2013, met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vreemdelingenwet 2000, een inreisverbod voor de duur van 10 jaar is uitgevaardigd, na intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 8 maart 2011.

Artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, dat onder andere ziet op de maximale duur van het inreisverbod ten aanzien van degene die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, luidt als volgt:

De duur van het inreisverbod wordt volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald, en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn betreft onder andere het afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek aan degene tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en die een gevaar vormt voor de openbare orde. Het luidt als volgt:

Indien er een risico op onderduiken bestaat, of een aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond dan wel frauduleus afgewezen is, dan wel indien de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, kunnen de lidstaten afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn toekennen die korter is dan zeven dagen.

In het al aangehaalde arrest van 17 november 2015 heeft dit hof het volgende overwogen:

A. Uitspraak Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 11 juni 2015

Het HvJ-EU heeft op 11 juni 2015 arrest gewezen op een verzoek van de Raad van State om een prejudiciële beslissing met betrekking tot de uitleg van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

In dit arrest is – samengevat – het volgende overwogen:

Rechtsoverweging 38

De Raad van State heeft een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:

1) Vormt een onderdaan van een derde land, die illegaal verblijft op het grondgebied van een lidstaat, een gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115, reeds omdat hij verdacht wordt van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of is daarvoor vereist dat hij door de strafrechter wegens het plegen van dit feit is veroordeeld en, in het laatste geval, dient die veroordeling dan onherroepelijk te zijn geworden?

2) Spelen bij de beoordeling of een onderdaan van een derde land, die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft, een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 naast een verdenking of een veroordeling nog andere feiten en omstandigheden van het geval een rol, zoals de ernst en aard van het naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gestelde feit, het tijdsverloop en de intentie van de betrokkene?

3) Spelen de feiten en omstandigheden van het geval die relevant zijn voor de beoordeling als bedoeld in de tweede vraag, nog een rol bij de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 geboden mogelijkheid om in het geval de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van dat artikellid te kunnen kiezen tussen enerzijds het afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek en anderzijds het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek die korter is dan zeven dagen?

Rechtsoverweging 40

In de Vreemdelingencirculaire is vermeld dat als gevaar voor de openbare orde wordt aangemerkt iedere door de korpschef van de politie bevestigde verdenking of iedere veroordeling ter zake van een naar misdrijf strafbaar gesteld feit.

Rechtsoverweging 41

Het begrip “gevaar voor de openbare orde” is in artikel 3 van de Terugkeerrichtlijn noch elders gedefinieerd.

Rechtsoverweging 50

Een lidstaat dient het begrip gevaar voor de openbare orde in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat sprake is van een dergelijk gevaar zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat de lidstaat voorbij aan een individueel onderzoek van het betrokken geval en het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zichzelf geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Rechtsoverweging 60

Het begrip: “gevaar voor de openbare orde” als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn veronderstelt hoe dan ook dat er, naast de verstoring die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, sprake is van een werkelijke en actuele bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

Rechtsoverweging 61

Daaruit volgt dat in het kader van een beoordeling van dat begrip alle feitelijke en juridische gegevens betreffende de situatie van de betrokken derdelander waardoor kan worden verduidelijkt of diens persoonlijke gedragingen een dergelijke bedreiging vormen, relevant zijn.

Rechtsoverweging 70

Een lidstaat mag niet automatisch, middels regelgeving of in de praktijk, afzien voor het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek in het geval waarin de betrokkene een gevaar voor de openbare orde vormt. Voor een juiste gebruikmaking van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geboden mogelijkheid dient per geval te worden nagegaan of het niet toekennen van een dergelijke termijn verenigbaar zou zijn met de grondrechten van de betrokkene.

Het HvJ-EU verklaart in het arrest van 11 juni 2015 voor recht:

1) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet in die zin worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te vormen in de zin van die bepaling, louter omdat hij wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld.

2) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat in het geval van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander die wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld, andere gegevens, zoals de aard en de ernst van dat feit, het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd en de omstandigheid dat die derdelander het grondgebied van die lidstaat aan het verlaten was toen hij door de nationale autoriteiten werd aangehouden, van belang kunnen zijn bij de beoordeling of die derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt in de zin van die bepaling. In het kader van die beoordeling is in voorkomend geval tevens elk gegeven relevant dat betrekking heeft op de gegrondheid van de verdenking van het aan de betrokken derdelander verweten misdrijf.

3) Artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet in die zin worden uitgelegd dat voor gebruikmaking van de bij deze bepaling geboden mogelijkheid om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen wanneer de derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, de gegevens die reeds zijn onderzocht om vast te stellen dat dit gevaar bestaat, niet opnieuw hoeven te worden onderzocht. Elke regeling of praktijk van de lidstaat terzake moet echter waarborgen dat per geval wordt nagegaan of het niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek verenigbaar is met de grondrechten van die derdelander.

B. Betekenis uitspraak HvJ-EU van 11 juni 2015 voor de toetsing van artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn

De uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 heeft betrekking op (de uitleg van) het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Naar het oordeel van het hof (Amsterdam) kan echter aan de uitleg van het begrip “openbare orde” in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn geen betekenis worden ontzegd bij de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging van de openbare orde” in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn.

Immers bieden inhoud en strekking van de Terugkeerrichtlijn geen aanknopingspunt voor de conclusie dat bij de uitleg van het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn een ander, minder verstrekkend, niveau van rechtsbescherming dan het in de uitspraak HvJ-EU d.d. 11 juni 2015 in het kader van artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn geschetste, leidend zou moeten zijn.

Met onderschrijving van voormelde overwegingen van dit hof zal het hof er thans bij de beoordeling van het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 2 ten laste gelegde van uit gaan dat de uitleg die het HvJ-EU in het aangehaalde arrest heeft gegeven aan artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn richtinggevend is voor de uitleg van artikel 11, vierde lid, van deze richtlijn.

De beschikking van 25 september 2013, waarbij aan de verdachte het inreisverbod is opgelegd, houdt, voor zover hier van belang, het volgende in (waarbij onder betrokkene wordt verstaan: de verdachte):

(..)

Het gestelde dat aan betrokkene een ISD-maatregel is opgelegd (het hof begrijpt: op 19 april 2012), is geen aanleiding om de intrekking van de verblijfsvergunning achterwege te laten. De ISD-maatregel is een vrijheidsontnemende maatregel op grond van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel heeft als doel het terugdringen van ernstige criminaliteit en onveiligheid als gevolg van, door stelselmatige daders, gepleegde strafbare feiten. De maatregel is opgelegd omdat betrokkene een bedreiging vormde voor de maatschappij. De maatregel is niet opgelegd met als doel om hem te behandelen voor zijn alcoholverslaving. Het gestelde dat betrokkene in de problemen is gekomen vanwege zijn alcoholverslaving, het ISD-traject inmiddels in een vergevorderd stadium is en dat hij is aangemeld voor een begeleid wonen traject, is geen aanleiding om vanwege bijzondere omstandigheden de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een inreisverbod achterwege te laten.(..)

Voorts is in artikel 3.77 Vb (het hof begrijpt: Vreemdelingenbesluit 2000) bepaald dat sprake is van een gevaar voor de openbare orde indien de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of onvoorwaardelijke jeugddetentie, tot een onvoorwaardelijke maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid en onder a of b van het Wetboek van Strafrecht, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd. Betrokkene voldoet hieraan en vormt derhalve een gevaar voor de openbare orde. Het gestelde dat betrokkene vanwege zijn zeer intensieve behandeling in PI Amsterdam en het vervolgtraject bij [bedrijfsnaam 1] en de [bedrijfsnaam 2] niet langer een gevaar zou vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, wordt daarom niet gevolgd.(..)

Tegen betrokkene wordt een inreisverbod uitgevaardigd ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Conform artikel 66a, lid 7 aanhef en onder a Vw juncto 6.5a vijfde lid Vb bedraagt de duur van het inreisverbod tien jaren.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat de motivering van de oplegging van het inreisverbod van 25 september 2013 in het licht van de in de uitspraak van het HvJ-EU van 11 juni 2015 geformuleerde criteria, (evident) onvoldoende is voor de conclusie dat in dit geval sprake is van een (ernstige) bedreiging van de openbare orde. In de beschikking is enkel in het algemeen verwezen naar de veroordelingen van de verdachte waarbij aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, de maatregel van ISD, een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete is opgelegd of waarvoor jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd. Ten aanzien van deze veroordelingen geldt dat uit de gegeven motivering niet naar voren komt dat zij (dermate ernstig zijn dat) redelijkerwijs van een actuele en ernstige dreiging kan worden gesproken.

Het vorenstaande brengt het hof, met de advocaat-generaal, tot het oordeel dat het inreisverbod niet overeenkomstig het bepaalde in de Terugkeerrichtlijn is uitgevaardigd, zodat het niet kan worden beschouwd als een inreisverbod als bedoeld in artikel 197 Sr. Nu het begrip inreisverbod in de tenlastelegging geacht moet worden dezelfde betekenis te hebben als daaraan in artikel 197 Sr toekomt, brengt dit mee dat de verdachte van het in zaak A onder 2 en zaak B onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

1:
hij op 17 december 2014 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand, [adres], heeft weggenomen vier blikken bier (Heineken), toebehorende aan HEMA.

Zaak B:

1:
hij op 24 september 2014 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga jou slopen, ik maak jou dood als ik jou op straat zie".

Hetgeen in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en zaak B onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich achtereenvolgens schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Winkeldiefstallen leveren veel ergernis en schade op voor de benadeelden daarvan. De verdachte heeft zich door zo te handelen niets gelegen gelaten aan het eigendomsrecht van een ander. Door het uiten van de bewezenverklaarde bedreiging heeft de verdachte op agressieve wijze het slachtoffer bejegend. Ook heeft hij bijgedragen aan mogelijke gevoelens van angst en onbehagen bij het slachtoffer.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 september 2016 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf doch acht, mede gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, een lagere gevangenisstraf passend en geboden dan die, welke door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 2 mei 2014 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk zijn geworden en het gegeven dat de verdachte voor het bewezen verklaarde in de onderhavige zaak en het bewezen verklaarde in de zaak met parketnummer 23-003220-15, in welke zaak het hof eveneens heden arrest wijst, gevangenisstraffen van kortere duur zullen worden opgelegd dan de tijd die de verdachte in beide zaken in voorarrest heeft verbleven, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 19 januari 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 2 mei 2014, parketnummer 01-845808-13, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 90 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. M.J.A. Duker en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 oktober 2016.

De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te onderteken.