Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4157

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
23-000945-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning. Overweging omtrent medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000945-16

datum uitspraak: 13 oktober 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13/654014-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 februari 2016 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning ([adres 2]) heeft weggenomen een tas (met inhoud) en/of een horloge, in elk geval een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorend aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die woning heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming en/of braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 februari 2016 te Diemen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning ([adres 2]) heeft weggenomen een tas met inhoud en een horloge toebehorende aan [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu er – kort gezegd – onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen en geen sprake is van medeplegen.

Het hof overweegt als volgt.

Relevante feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van het verweer worden de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen.

a. a) Waarnemingen met betrekking tot diefstal

Op 9 februari 2016 heeft er tussen 12.15 en 14.05 uur in de woning van aangeefster [slachtoffer] (hierna: de aangeefster) aan de [adres 2] in Diemen een diefstal van goederen plaatsgehad. De aangeefster ontdekte de diefstal omstreeks laatstgenoemd tijdstip en belde kort daarop de politie. De politie kreeg rondom datzelfde tijdstip daarnaast een melding over verdachte omstandigheden in de [adres 3] in Diemen, waar de melder [getuige 3] jongens door een tuin zag rennen en over schuttingen zag klimmen. De tuinen van de [adres 2] en de [adres 4] en [huisnummer] grenzen aan elkaar. Eerder die dag had [getuige 3] gezien dat de betreffende jongens in een auto reden voorzien van kenteken [kentekennummer], welk kenteken toen aan de politie is doorgegeven. Getuige [getuige 1], wonend aan de [adres 5] in Diemen en overbuurvrouw van de aangeefster, zag om 14.05 uur twee jongens in haar tuin staan en over de schutting klimmen. Het regende. Een andere getuige, [getuige 2], wonend aan de [adres 6], heeft gemeld dat hij twee jongens heeft zien rennen en dat één van hen een tas liet vallen. De tas bleek aan de aangeefster toe te behoren. De jongens reden weg in een auto met kenteken [kentekennummer].

b) Aantreffen verdachte

Vanaf de melding van diefstal in de woning aan de [adres 2] in Diemen hebben politieambtenaren gezocht naar de auto met het kenteken [kentekennummer]. Om 15.23 uur is deze auto in Amsterdam aangetroffen, met de verdachte als bestuurder. Hij voldeed aan één van de door de getuigen opgegeven signalementen. De auto was van zijn vader. Bij de aanhouding zagen de verbalisanten dat de achterzijde van de broek van de verdachte groen gekleurd was, vermoedelijk van gras, mos of bosschages. De schoenen die de verdachte op dat moment droeg, waren besmeurd met aarde. Op de vloermat aan de passagierszijde van de auto werden natte voetafdrukken gezien. In het rechterportier van de auto lagen twee latex handschoenen. Achter de passagiersstoel staken uit het opbergvak nog twee handschoenen. Getuige [getuige 1] is met een foto van de verdachte geconfronteerd en heeft hem herkend als één van de twee jongens die bij haar in de tuin aanwezig waren en die zij over de schutting heeft zien klimmen.

Gevolgtrekkingen

1) Betrokkenheid beide jongens bij de diefstal

Uit hetgeen onder a) is opgenomen leidt het hof in samenhang met de overige te bezigen bewijsmiddelen af dat de twee jongens die door de getuigen [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2] zijn gezien beiden betrokken waren bij de gemelde diefstal. In het bijzonder is daarbij in aanmerking genomen dat de jongens rond het tijdstip van de diefstal samen wegrenden en over een schutting klommen, één van hen bij een tas die aan de aangeefster toebehoorde liet vallen en in de auto waarin de twee jongens wegreden latex handschoenen zijn aangetroffen.

2) Is de verdachte één van deze jongens?

Het hof leidt uit het hierboven onder a) en b) vermelde af dat de verdachte één van de beide jongens was.

Hierbij is in het bijzonder het volgende van belang:

▪ Niet lange tijd na de diefstal is hij als bestuurder aangetroffen in de auto waarin de beide jongens in Diemen zijn weggereden;

▪ De broek van de verdachte was groen gekleurd en zijn schoenen zaten onder de aarde, hetgeen past bij het lopen door en verblijven in een tuin terwijl het regent;

▪ [getuige 1] heeft de verdachte op een foto herkend als één van de jongens die zij in haar tuin had gezien.

Het hof acht het zijdens de verdachte geschetste scenario dat hij de auto met kenteken [kentekennummer] omstreeks 11.00 uur heeft uitgeleend aan een kennis en hij deze om 14.30 uur terug heeft gekregen ongeloofwaardig. Hij heeft dit pas ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard en heeft deze verklaring op geen enkele wijze geconcretiseerd. Zo heeft hij geen enkel identificerend gegeven met betrekking tot de persoon die de auto zou hebben geleend willen of kunnen verschaffen. Ook overigens is er geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van deze verklaring, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

3) Is sprake van medeplegen?

De verdachte en de (tot op heden onbekend gebleven) mededader zijn vóór de inbraak door getuige [getuige 3] samen gezien in de auto met kenteken [kentekennummer] in de buurt van de plaats delict.

De verdachte rende eveneens samen met de mededader rond het tijdstip na de diefstal weg uit de richting van de woning van de aangeefster, zij zijn samen in de tuinen van de belendende woningen waargenomen en zij zijn samen naar die auto gerend waarbij één van hen een tas van de aangeefster heeft laten vallen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan de uitvoering van de diefstal. Dat de precieze rolverdeling en toedracht niet geheel duidelijk zijn geworden, doet daaraan niet af. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid ter plaatse.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de verdachte en de medeverdachte zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van de tenlastegelegde diefstal.

Slotsom

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman dient derhalve te worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 24 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal stellen onder toezicht van de reclassering en zorgt voor een zinvolle dagbesteding, te weten het volgen van een opleiding vanaf januari 2017. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, gevorderd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich samen met een ander op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning. De verdachte heeft daarbij puur uit materieel gewin gehandeld. Door het plegen van dergelijke diefstallen wordt materiële schade toegebracht aan de benadeelden. Een insluiping in een woning veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid bij de bewoners in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen.

Het hof heeft gelet op de straf die voor insluipingen in een woning pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een gevangenisstraf van 2 maanden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze op de terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen, ziet het hof, anders dan (kennelijk) de advocaat-generaal, geen aanleiding hiervan af te wijken.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 september 2016 is hij eerder voor een vermogensdelict strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld tot een taakstraf. Dit weegt in zijn nadeel. Mede in het licht hiervan zou oplegging van een vrijheidsstraf met een duur die gelijk is aan het reeds door de verdachte ondergane voorarrest, zoals door de raadsman is bepleit, onvoldoende recht doen aan de aard en de ernst van het bewezen feit.

Bij beschikking van het hof van 16 maart 2016 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst. Uit het op 19 september 2016 door Reclassering Nederland opgemaakte voortgangsverslag blijkt dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor het nakomen van de aan de schorsing verbonden bijzondere voorwaarden en dat hij niet onder reclasseringstoezicht wenst te staan. Gebleken is ook dat de verdachte niet aan de gestelde bijzondere voorwaarde om een opleiding te blijven volgen heeft voldaan. Mede in het licht hiervan ziet het hof geen reden om een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen om het stellen van bijzondere voorwaarden mogelijk te maken.

Van bijzondere omstandigheden die in het voordeel van de verdachte moeten worden gewogen, is het hof overigens ook niet gebleken.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat een zwaardere straf dan wel strafmodaliteit wordt opgelegd dan die is gevorderd door de advocaat-generaal.

Het hof stelt tot slot vast dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, gelet op de inhoud van de beschikking van 16 maart 2016, sedert de aanvang van de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep op 29 september 2016, ten einde is gekomen.

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 oktober 2016.

=========================================================================

[.]