Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4149

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
BK 15/00506 t/m BK 15/00513 en BK 15/00520 t/m BK 15/00528
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:259
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een KB-Lux-zaak oordeelt het Hof dat er geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Het Hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs dat belanghebbende eind 1994 houder was van rekeningen bij KB-Lux. In dat kader is het Hof niet gebonden aan een eerder oordeel van de strafkamer van het Hof. Hiervan uitgaande acht het Hof het voor een reeks overige jaren aannemelijk dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat de omkering van de bewijslast van toepassing is. Voorts heeft het Hof een voortvarendheidsverweer van belanghebbende verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2831
V-N Vandaag 2016/2453
mr. T.A.D. van Wordragen annotatie in NTFR 2017/160

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00506 t/m 15/00513 en 15/00520 t/m 15/00528

28 april 2016

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A] . [B ] . [C] te [PLAATS] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. J.K.A. van Loo (Labré advocaten) te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 22 april 2015 met kenmerk HAA 13/2658 t/m 13/2674 (hierna: de uitspraak van de rechtbank), waar deze uitspraak de zaken betreft met kenmerk HAA 13/2662 t/m HAA 13/2670

en het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank, waar deze uitspraak de zaken betreft met kenmerk HAA 13/2658 t/m HAA 13/2661, alsmede HAA 13/2671 t/m HAA 13/2674


in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 1991 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd ten bedrage van f 44.240. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 44.240, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 16.706 aan heffingsrente in rekening gebracht (HA 13/2658; kenmerk Hof: 15/00506).

1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 1992 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 54.347. In de navorderings-aanslag is een verhoging begrepen van ƒ 54.347, waarvan geen kwijtschelding is verleend.

Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 17.294 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2659; kenmerk Hof: 15/00507).

1.3.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 1993 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 51.120. In de navorderings-aanslag is een verhoging begrepen van ƒ 51.120, waarvan geen kwijtschelding is verleend.
Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 13.689 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2660; kenmerk Hof: 15/00508).

1.4.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 54.444. In de navorderings-aanslag is een verhoging begrepen van ƒ 54.444, waarvan geen kwijtschelding is verleend.
Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 9.395 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2661; kenmerk Hof: 15/00509).

1.5.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 1992 een navorderingsaanslag vermogensbelasting (vb) opgelegd, ten bedrage van f 8.136. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 8.136, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 3.069 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2671; kenmerk Hof: 15/00510).

1.6.

De inspecteur heeft aan eiser, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 1993 een navorderingsaanslag vb opgelegd, ten bedrage van f 8.448. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 8.448, waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 2.684 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2672; kenmerk Hof: 15/00511).

1.7.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 1994 een navorderingsaanslag vb opgelegd, ten bedrage van f 8.696. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 8.696, waarvan geen kwijtschelding is verleend.
Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 2.325 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2673; kenmerk Hof: 15/00512).

1.8.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 1998 een navorderingsaanslag vb opgelegd, ten bedrage van f 8.576. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 8.576, waarvan geen kwijtschelding is verleend.
Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van f 1.224 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2674; kenmerk Hof: 15/00513).

1.9.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 1 juli 2003, voor het jaar 2000 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van f 78.803. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van f 78.803 en is een bedrag van f 6.035 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2662; kenmerk Hof: 15/00520).

1.10.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 31 december 2004, voor het jaar 2001 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van € 27.207. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 11.299 en is een bedrag van € 1.087 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2663; kenmerk Hof: 15/00521).

1.11.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 31 december 2004, voor het jaar 2002 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van € 38.826. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 12.051 en is een bedrag van € 1.912 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2664; kenmerk Hof: 15/00522).

1.12.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 29 december 2006, voor het jaar 2003 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van € 29.398. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 12.784 en is een bedrag van € 1.572 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2665; kenmerk Hof: 15/00523).

1.13.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 29 december 2006, voor het jaar 2004 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van € 30.110. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 13.296 en is een bedrag van € 1.170 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2666; kenmerk Hof: 15/00524).

1.14.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 22 december 2008, voor het jaar 2005 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van € 29.920. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 13.218 en is een bedrag van € 1.816 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2667; kenmerk Hof: 15/00525).

1.15.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 22 december 2008, voor het jaar 2006 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van € 29.733. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 13.065 en is een bedrag van € 1.592 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2668; kenmerk Hof: 15/00526).

1.16.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 31 december 2010, voor het jaar 2007 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van € 30.745. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 14.200 en is een bedrag van € 1.873 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2669; kenmerk Hof: 15/00527).

1.17.

De inspecteur heeft aan belanghebbende, gedagtekend 13 mei 2011, voor het jaar 2008 een aanslag ib/pvv opgelegd ten bedrage van € 29.502. Bij afzonderlijke beschikkingen is een boete opgelegd van € 14.795 en is een bedrag van € 1.350 aan heffingsrente in rekening gebracht (HAA 13/2670; kenmerk Hof: 15/00528).

1.18.

De inspecteur heeft op 24 juli 2003 bezwaarschriften ontvangen tegen de navorderings-aanslagen ib/pvv 1991, 1992, 1993 en 1997, tegen de navorderingsaanslagen vb 1992, 1993, 1994 en 1998 en tegen de aanslag ib/pvv 2000, op 10 januari 2005 tegen de aanslagen ib/pvv 2001 en 2002, op 16 januari 2007 tegen de aanslagen ib/pvv 2003 en 2004, op 27 januari 2009 tegen de aanslagen ib/pvv 2005 en 2006, op 5 januari 2011 tegen de aanslag ib/pvv 2007 en op 16 mei 2011 tegen de aanslag ib/pvv 2008.

1.19.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 26 april 2013, de onder 1.1 tot en met 1.17 vermelde belastingaanslagen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd en de opgelegde verhogingen (na kwijtschelding)/boeten (hierna ook: boeten) verminderd met 20% voor de onder 1.1 tot en met 1.15 vermelde boeten en met 5% voor de onder 1.16 en 1.17 vermelde boeten.

1.20.

Op de tegen deze uitspraken ingestelde beroepen is in de uitspraak van de rechtbank als volgt beslist:


“De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslagen en de daarop betrekking hebbende boetebeschikkingen
en beschikkingen heffingsrente;

- handhaaft de aanslagen ib/pvv 2000 tot en met 2008 en de daarop betrekking hebbende
beschikkingen heffingsrente;

- vermindert de boetebeschikking 2000 tot f 59.890, de boetebeschikking 2001 tot € 8.587, de
boetebeschikking 2002 tot € 9.158, de boetebeschikking 2003 tot € 9.715, de
boetebeschikking 2004 tot € 10.104, de boetebeschikking 2005 tot € 10.045, de
boetebeschikking 2006 tot € 9.929, de boetebeschikking 2007 tot € 10.792 en de
boetebeschikking 2008 tot € 11.244;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.569,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 88 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) om aan eiser
immateriële schadevergoeding te betalen van € 500;

- veroordeelt verweerder om aan eiser immateriële schadevergoeding te betalen van
€ 3.000.”

1.20.1.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep van belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 28 mei 2015 en aangevuld bij brief van 26 juni 2015.

1.20.2.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.20.3.

Bij brief van 15 oktober 2015 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. Bij brief van 19 november 2015 heeft de inspecteur een conclusie van dupliek ingediend.

1.20.4.

Bij brief van 27 november 2015 is van de inspecteur een nader stuk ontvangen.

1.21.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep van de inspecteur is bij het Hof ingekomen op 26 mei 2015 en aangevuld bij brief van 6 juli 2015. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend, en daarbij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend. Bij brief van 26 augustus 2015 heeft de inspecteur hierop gereageerd.

1.22.

Bij brief van 19 november 2015 heeft de inspecteur een nader stuk ingediend.

1.23.1.

Bij brief van 3 december 2015 heeft het Hof vragen aan de inspecteur gesteld. Een kopie hiervan is aan belanghebbende toegezonden.

1.23.2.

Bij brief van 7 december 2015 heeft de inspecteur gereageerd op de vragenbrief van het Hof. Een kopie hiervan is aan belanghebbende toegezonden.

1.24.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015. Van het verhan-delde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig plaatsgevonden met dat in de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2015, HAA 13/3256 en 14/1972, kenmerk Hof 15/00529 en 15/00530.

2
2. Feiten

2.1.

In de onderdelen 1 tot en met 29 van de uitspraak van de rechtbank zijn de navolgende feiten vastgesteld; belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’:


“1. Eiser is geboren op [DATUM] 1933, en woonachtig in [PLAATS] op het adres [ADRES] .

2. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie van het Koninkrijk België aan de Nederlandse Belastingdienst (…) inlichtingen verstrekt over rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (hierna ook: KB-Lux). De informatie bevatte circa 20.000 bankrekeningen van circa 10.200 Nederlandse rekeninghouders, van wie een aantal codenamen gebruikte.

Eind 2001 is het Rekeningenproject van start gegaan.

3. Tot de stukken behoren:

- afdrukken van een microfiche, afkomstig van de KB-Lux met de vermelding:

[KENMERK 1] [Hof:- [KENMERK 1] ] TER LDO [A] [C] 1.304.217,85

[KENMERK 2] [Hof:- [KENMERK 2] ] VUE [A] [C] 1.294,99

- een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 16 oktober 2001 van een medewerker van de
Belastingdienst FIOD-ECD met de volgende passage:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant:

1.Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor:

[A] [C] ;

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt als enige hit naar voren:

Hr. [A] . [C] , sofinr. [...]

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux inclusief sofinummer met RDW-bestand komt de volgende hit naar voren:

[A] [C] .”


4. Uit het zogenoemde Rekeningenproject is naar voren gekomen dat de genoemde microfiches betrekking hebben op bij KB-Lux aangehouden saldi per eind januari 1994.

5. Op 30 oktober 2001 is aan eiser een ‘vordering tot uitlevering ter inbeslagname’ uitgereikt en is eiser voor de eerste keer verhoord door de FIOD-ECD. Er zijn geen bescheiden in beslag genomen. Voorts hebben twee medewerkers van de FIOD-ECD op 13 augustus 2002 eiser op zijn woonadres een bezoek hebben gebracht. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt (AH/08) op 15 augustus 2002. Daarin is – onder meer – het volgende opgenomen:

“Ik, (…), heb verdachte voorgesteld dat hij een brief zou sturen naar de KBL te Luxembourg om alle stukken van de laatste 10 jaar van de rekening op naam [A] [C] op te vragen. Verdachte verklaarde dat hij dan eerst een advocaat wil raadplegen. Hij heeft nog geen advocaat maar wil toch graag juridisch advies.

Ik, (…), heb verdachte uitgelegd dat het gevolg zou kunnen zijn wanneer hij hieraan geen medewerking zou willen verlenen is dat door de belastingdienst aanslagen inkomstenbelasting over de afgelopen 12 jaar opgelegd zouden worden, (bij unieke identificatie).”


6. Op 29 november 2002 heeft verweerder eiser verzocht om informatie over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Verweerder heeft hem hierbij verzocht een daartoe bijgevoegde verklaring in te vullen en deze te retourneren.
In de brief van 5 december 2002 vermeldt verweerder dat eiser op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) verplicht is om de vragenbrief te beantwoorden en de gevraagde gegevens te verstrekken.

7. Eiser heeft hierop gereageerd met de brief van 9 december 2002, waarin hij verklaart in een dilemma te verkeren omdat hij door de FIOD nog steeds als verdachte wordt aangemerkt en op grond daarvan zwijgrecht heeft.

8. Bij brief van 13 december 2002 is eiser door verweerder nogmaals in de gelegenheid gesteld om te reageren, en wel vóór 18 december 2002.

9. Met dagtekening 31 december 2002 zijn de navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 en vb 1991 opgelegd. Tegen deze aanslagen heeft eiser op 26 januari 2003, gemotiveerd, bezwaar aangetekend. Op 30 januari 2003 is de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. In de brief wordt eiser geïnformeerd omtrent een lopende procedure tussen de Belastingdienst en [Q.] en wordt voor meer informatie verwezen naar twee websites.
Aan eiser wordt gevraagd of hij instemt met het aanhouden van het bezwaarschrift totdat in deze procedure uitspraak is gedaan. Deze brief is op 11 februari 2003 door eiser voor akkoord ondertekend en retour gezonden.

Navordering)aanslagen ib/pvv 1991 t/m 1993, 1997 en 2000 en vb 1992 t/m 1994 en 1998

10. Op 16 mei 2003 is aan eiser een kennisgeving verstuurd waarin het voornemen wordt kenbaar gemaakt dat (navorderings)aanslagen zullen worden opgelegd met boete. Het betreft de (navorderings)aanslagen ib/pvv 1991, 1992, 1993, 1997 en 2000 en vb 1992, 1993, 1994 en 1998. In de brief worden ook de gronden aangegeven waarop de correcties zijn gebaseerd, hoe ze zijn berekend en wordt de boete gemotiveerd. Er zijn ook bijlagen van berekeningen bijgesloten. Een kopie van deze brief is op dezelfde dag aan eisers gemachtigde verstuurd.

11. Bij brief van 10 juni 2003 is aan eiser de mededeling gedaan van het voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen ib/pvv en vb met vergrijpboetes.

Omdat geen reactie was ontvangen, zijn vervolgens de navorderingsaanslagen met vergrijpboete opgelegd, conform de brief van 16 mei 2003. In de brief wordt eiser opnieuw geïnformeerd omtrent een lopende procedure tussen de belastingdienst en [Q.] en wordt voor meer informatie verwezen naar twee websites. Voorts wordt daarin aan eiser het verzoek gedaan, voor het geval eiser bezwaar zal maken, verweerder te berichten of eiser instemt met het aanhouding totdat in de vermelde procedure onherroepelijk uitspraak is gedaan.

12. Bij brieven van 9 juli 2003, ingekomen bij verweerder op 24 juli 2003, heeft eiser tegen de opgelegde (navorderings)aanslagen ib/pvv (1991, 1992, 1993, 1997 en 2000) en vb (1992, 1993, 1994 en 1998) bezwaar aangetekend. In de bezwaarschriften verwijst hij naar het door hem ingediende bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 1990 en stemt hij in met het aanhouden van de bezwaarschriften totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan in de [Q.] .

13. In de brief van verweerder van 29 juli 2003 wordt de ontvangst van de bezwaarschriften bevestigd en wordt meegedeeld dat na het onherroepelijk worden van de uitspraak in de [Q.] eiser in de gelegenheid zal worden gesteld om te worden gehoord en dat hij in dat kader zijn bezwaarschriften nader kan toelichten.

14. In de brief van verweerder van 19 juli 2005 aan eiser komt het volgende aan de orde.

- Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid om in zijn bezwaarschriften alsnog te verzoeken
om een kostenvergoeding (hetgeen eiser op 18 juli 2005 heeft gedaan).

- Eiser wordt er nogmaals op gewezen dat na het onherroepelijk worden van de uitspraak in
de [Q.] hij de gelegenheid krijgt voor een hoorgesprek en dat hij dan zijn
bezwaarschrift nader kan toelichten en desgewenst inzage kan krijgen in het dossier.

- Indien eiser er de voorkeur aan geeft niet langer te willen wachten en op korte termijn een
uitspraak wenst te ontvangen, wenst verweerder dat te vernemen.

- Het vonnis van de rechtbank in de strafprocedure van 16 juni 2005. Nu de strafrechter uitspraak heeft gedaan in deze procedure, kunnen de overige navorderingsaanslagen worden opgelegd (het betreft de jaren ib/pvv 1994-1996, 1998 en 1999 en vb 1995-1997 en 1999).
Omdat eiser door de strafrechter is veroordeeld, zal er voor deze navorderingsaanslagen geen vergrijpboete worden opgelegd.

- Indien eiser alsnog de eerder door verweerder gestelde vragen wenst te beantwoorden,
wenst verweerder dat te vernemen.

15. De brief van verweerder van 7 oktober 2005 bevat een onderbouwing van de berekening van het rendement op het vermogen van eiser, met bijlagen.

16. In de brief van 27 augustus 2008 geeft de gemachtigde aan dat zijn kantoor de nieuwe gemachtigde is van eiser. Gemachtigde verzoekt naar aanleiding van een vragenbrief van verweerder over de jaren 2005 en 2006 om de aanslagregeling van deze jaren aan te houden.


17. Bij brieven van 29 oktober 2008 en 10 december 2010 heeft eiser verzocht om inzage in het dossier. Op 23 februari 2011 is een kopie van het dossier aan eiser toegezonden.

18. Op 25 februari 2010 heeft de Hoge Raad, nadat hij eerder prejudiciële vragen had gesteld, arrest gewezen in de hiervoor genoemde [Q.] (proef-)procedures. Daarbij heeft ten aanzien van een zaak verwijzing plaatsgevonden naar de rechtbank Breda, in verband met een onderzoek naar de vraag of de navorderingsaanslagen met voldoende voortvarendheid waren opgelegd. Tegen de uitspraak van rechtbank Breda is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Tegen de uitspraak van het gerechtshof is beroep in cassatie ingesteld, hetgeen heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2012.

19. Bij brief van 10 oktober 2012 heeft verweerder aan eiser (zelf) bevestigd dat zij een datum hebben afgesproken voor het houden van een hoorgesprek. Op 12 oktober 2012 heeft de gemachtigde schriftelijk verzocht om een andere datum voor het te houden hoorgesprek.

20. In de brief van 1 november 2013 bevestigt gemachtigde aan verweerder dat hij de (nadere) motivering van de bezwaarschriften uiterlijk op 23 november 2012 zal toezenden en dat daarna een nieuwe datum voor een hoorgesprek wordt gepland.

21. Op 23 november 2012 heeft eiser het bezwaarschrift nader gemotiveerd. Er is vervolgens een hoorgesprek gepland te houden op 22 januari 2013.

22. Op 16 januari 2013 heeft verweerder eiser erover geïnformeerd dat er mogelijk een civiele procedure (kort geding) tegen eiser zou worden opgestart en dat hij dan gesommeerd zou worden om informatie te verstrekken. Verweerder heeft daarbij voorts te kennen gegeven het hoorgesprek om die reden niet te willen laten doorgaan. Op 22 januari 2013 heeft verweerder aan eiser een brief betreffende sommatie kort geding verzonden.

23. Bij brief van 14 februari 2013 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en hem gesommeerd om binnen twee weken uitspraak te doen op de bezwaarschriften.

24. Bij brief van 21 februari 2013 heeft verweerder eiser geïnformeerd over de wijze waarop hij de bezwaren verwacht te zullen afdoen en hem daarbij in de gelegenheid gesteld nog te worden gehoord. Het hoorgesprek heeft op 8 maart 2013 plaatsgevonden; van het gesprek is op 14 maart 2013 een verslag opgemaakt.

25. In maart 2013 is de beslissing genomen het kort geding tegen eiser niet door te laten gaan.

26. Op 3 april 2013 heeft eiser gereageerd op het verslag van het hoorgesprek.

27. De motivering van de uitspraken op bezwaar is vervat in de brief van verweerder van 16 april 2013. Bij uitspraken op bezwaar is voor wat betreft de enkelvoudige belasting het bezwaar afgewezen en de boete gedeeltelijk verminderd (vanwege undue delay).
De verminderingsbeschikkingen hebben alle een dagtekening van 26 april 2013.

Aanslagen ib/pvv 2001 t/m 2008

28. Voorafgaand aan het opleggen van de aanslagen ib/pvv 2001 tot en met 2008 is aan eiser steeds een kennisgeving (ex artikel 67k van de AWR) en een mededeling (ex artikel 67g van de AWR) verzonden.

29. Op 21 juli 2008 heeft verweerder een vragenbrief gestuurd aan eiser met het verzoek om informatie te geven over het banksaldo in de jaren 2005 en 2006. Hierop is geen reactie ontvangen. Op 9 juni 2010 is een vragenbrief gestuurd aan eiser met het verzoek om informatie te geven over het banksaldo in de jaren 2007 en 2008. Hierop heeft eiser

gereageerd op 5 augustus 2010 en hij heeft daarbij verwezen naar het aanhouden van de bezwaarschriften in verband met de lopende procedures. Hij heeft daarbij verzocht de aanslagregeling aan te houden.”

In aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.2.

Tot de stukken behoort een ‘Verslag van het toezichtsonderzoek naar de wijze waarop door politieambtenaren gehandeld werd bij het ontvangen en het gebruik van de informatie aangaande de KB Lux’ van 27 juli 1999 van het Belgische ‘Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten’ (hierna: Comité P). In dit rapport is onder meer vermeld dat er voor het gebruik van een ‘informant’ in België beleid is ontwikkeld in de vorm van een ministeriële omzendbrief “Bijzondere opsporingstechnieken om de zware of georganiseerde criminaliteit te bestrijden”. Het Comité P gaat onder meer in op de vraag of de opsporing van belastingfraude verwant is met zware of georganiseerde criminaliteit en of het gebruik van een informant, zoals in het geval van KB Lux, gewettigd is. Uitgaande van die gewettigdheid dienden de in de omzendbrief opgenomen richtlijnen door de politiediensten ‘op dringende wijze’ opgevolgd te worden. Het Comité P constateert echter dat dit niet is gebeurd.
De richtlijnen werden niet toegepast. De wijze waarop ter zake gehandeld werd is door het Comité P als onbehoorlijk en ondoelmatig gekwalificeerd.

2.3.

In een brief van 14 december 1999 van [D] , regionaal directeur van de Belastingadministratie in België, aan de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep te Brussel is onder meer het volgende vermeld:


“Bij brief van 28/10/1999 heeft u de vertegenwoordigers van onze administratie toegelaten inzage te nemen in het dossier no. (…) van een instructie door onderzoeksrechter [E] (…) bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel inzake Kredietbank NV (…), alsmede van de documenten die in die zaak in beslag genomen zijn (…).

Het wordt door de Belastingadministratie overwogen om aan zekere buitenlandse zusteradministraties de kopieën over te dragen van de rekeningen (…) op naam van de inwoners van die andere landen, zoals teruggevonden op die microfiches.”

2.4.

In een (vertaling van een) brief van Procureur-generaal [F] (Parket bij het Hof van Beroep Brussel) aan de Directeur Regionale Administratie van de Speciale Inspectie Belastingen te Brussel van 10 mei 2000 is onder meer het volgende vermeld:


“In antwoord op uw brief (…) deel ik het mee dat ik het niet opportuun acht om aan buitenlandse instanties geheel of ten dele inlichtingen door te geven die aan uw instantie zijn verleend.
Ik vraag echter uw aandacht voor het feit dat het aan de belastingdienst zelf is om te beslissen – voor eigen verantwoordelijkheid – of het passend is om de inlichtingen, waarover zij beschikt, aan zusterdiensten te verstrekken.”

2.5.

In een nota, toegezonden aan de FIOD-ECD bij een brief van [G] , van de Bijzondere belastinginspectie (BBI) te België, gedagtekend 27 oktober 2000, is onder meer vermeld:


“0. ALGEMEEN
Hierbij worden u fotokopieën van microfiches overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier (…) KREDIETBANK N.V. en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-Lux) op naam van inwoners van uw land.
1. VOORAFGAANDE OPMERKING
KB-Lux betwist de juridische geldigheid van de stukken in het gerechtelijk dossier als bewijsmiddel. De Belgische fiscale administratie beschikt echter over de toelatingen tot consultatie van het betrokken gerechtelijk dossier.
Deze toelating is rechtsgeldig verleend door de heer Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Brussel en laat de inzage en afschriftname toe, evenals het gebruik van de stukken (…).
(…)
4. AARD VAN DE OVERGEMAAKTE INFORMATIE
Deze zending bevat fotocopieën van de afgedrukte microfiches;
(…)
De bewuste stukken stellen per pagina voor:
De “Rechtvaardiging van de saldi per LMI(…) rubrieken [Hof: LMI is: Luxemburgs Monetair Instituut] op 31/01/1994”.
(…)
De aard van de betrokken rekeningen kan van 5 types zijn:
* Zichtrekeningen van klanten KB-Lux
* Termijnrekeningen/rekeningen met opzeggingstermijn
* Termijnspaarrekening/spaarrekening met opzeggingstermijn
* Rekeningen belichaamd door kasbonnen
* Rekeningen van andere aard (…)
De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van KB-Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB-Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. (…)
Algemene kenmerken van de documenten (…)
> Elke pagina gedrukte microfiche bevat in de rechterbovenhoek een paginanummer (…)
> De meeste LMI genummerde rubrieken krijgen automatisch een omschrijving die de juiste aard van de betrokken rekening herneemt (..)
> Elke pagina vermeldt de valuta waarin de rekeningsaldi zijn uitgedrukt (…)
> Ter hoogte van de lijn met de LMI-sleutel is de nationaliteit van de rekeninghouder van de lijst aangegeven (…)
> Elke lijn van inschrijving vermeldt:
> het rekening nummer van de titularis (…)
> in dit nummer behoren de 6 cijfers tussen de gedachtestrepen aan één enkele
rekeninghouder toe en zijn altijd opgenomen in zijn rekeningnummer (…)
> de naam van de rekeninghouder (…)
> het rekeningsaldo in de gespecificeerde-valuta (…)”

2.6.

In een ‘Nota rechtmatigheid gebruik informatie rekeninghouders’ van de Belastingdienst van 16 augustus 2001 is onder meer het volgende vermeld:


“In de gevallen waarin een belastingplichtige blijft weigeren om de vereiste medewerking te verlenen aan het heffingsonderzoek (…) dient de correctie op een redelijke en te motiveren wijze te worden geschat. (…)
De invulling van een redelijk te achten standpunt kan op dit moment nog niet plaatsvinden, omdat daarvoor eerst bewijs moet worden verzameld. Daartoe zijn in het Zoeklicht enkele resultaatvelden opgenomen, die kunnen worden ingevuld wanneer een belanghebbende wél bekend heeft en alle informatie heeft aangeleverd. Met die informatie zal getracht worden een algemeen beeld te vormen van de historische ontwikkeling van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Mede aan de hand daarvan zal een redelijk en te motiveren standpunt worden geformuleerd. Omdat het bewijs daarvoor nog verzameld moet worden moeten aanslagen, waarbij een dergelijk standpunt moet worden ingenomen, nog niet worden opgelegd. (…)”

2.7.

In het proces-verbaal van de FIOD-ECD van 16 oktober 2001 (uitspraak rechtbank onder 3) is voorts onder meer vermeld:


“Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).
Dit bestand is op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle Nederlandse natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie.
Op deze manier zijn ruim 2000 rekeninghouders geïdentificeerd en is voornoemd cliëntenbestand KB Lux onder meer aangevuld met de sofinummers van de vermoedelijke rekeninghouders. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.
Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen zijn opgenomen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer ((…) RDW-bestand).”

2.8.

In Nieuwsbrief 1 van het Rekeningenproject, gedagtekend 1 november 2001, is onder meer het volgende vermeld:


“2. Het strafrechtelijke traject
Ten aanzien van de beschikbaar gekomen gegevens is nauw overleg gevoerd met het OM over de mate waarin posten kunnen worden voorgedragen voor strafrechtelijke vervolging en welke criteria daarbij van belang zijn. Het aantal posten dat kon worden voorgedragen werd bepaald door de beschikbare capaciteit bij het OM. Afgesproken is dat 200 posten zouden worden geselecteerd. Op 10 oktober 2001 is gestart met de vervolging van een beperkt aantal personen met rekeningen op of via Duitse bankrekeningen. Op 30 oktober is de eerste Luxemburgse tranche gestart met de vervolging van 50 posten KB Lux. De eerste ervaringen zijn positief. Ongeveer driekwart van de belastingplichtigen erkende rekeninghouder te zijn (geweest) bij de KB Lux. De tweede tranche van ongeveer 150 posten staat gepland voor december 2001. Deze posten komen dus voorlopig niet voor de klantbehandeling beschikbaar. De ervaringen uit het strafrechttraject worden in een uitvoeringsdraaiboek klantbehandeling verwerkt of zullen afzonderlijk met alle uitvoerenden op de eenheden worden gecommuniceerd. De FIOD-ECD levert hieraan een actieve bijdrage.
(…)
9. Wat mag u binnenkort verwachten
Conform het plan van aanpak rekeningenproject staat op 3, 4 en 5 december 2001 de kick off gepland van de klantbehandeling. Het doel van de kick off is om alle betrokkenen van eenheden te informeren over de aard, de achtergronden en de wijze van aanpak van de klantbehandeling.
(…)
Bijeenkomst Amsterdam op 5 december 2001 (…)”

2.9.

In Nieuwsbrief 2, gedagtekend 16 november 2001, is onder meer het volgende vermeld:


“We gaan door!!
Op 13 november jl. heeft de stuurgroep Rekeningenproject beslist dat de eerste resultaten van zowel het strafrechtelijke als het pilottraject klantbehandeling zodanig positief zijn dat er groen licht kon worden gegeven voor het vervolg. Dat betekent dat de kick-off bijeenkomsten begin december definitief doorgaan (…).
1. Voorlopige resultaten onderzoek FIOD/ECD
(…)
Ten aanzien van de ontkenningen wordt het onderzoek voortgezet.
(…)
3. Bestanden
De strafrechtelijke onderzoeken of de klantbehandeling kan starten zodra een belastingplichtige is geïdentificeerd. (…) Op dit moment beschikken we over 6200 rekeningen op naam, waarvan er zo’n 2400 zijn geïdentificeerd. Het beheer van dit brestand ligt bij de FIOD-ECD. Dat excelbestand heet het Nederlands Cliëntenbestand.”

2.10.

In Nieuwsbrief 3 van het Rekeningen Project, gedagtekend 17 januari 2002, is onder meer het volgende vermeld:


“5. Procedure overlijdensposten
Van de KB Lux cliënten, die in het FIOD-bestand staan, waren er inmiddels 75 overleden. (…) Van alle overleden rekeninghouders zijn door NN17 van het Specialistenteam successie & schenking te Rotterdam dossiers aangemaakt. In het successiesysteem heeft hij nagezocht welke gegevens bekend waren en daarvan heeft hij prints gemaakt. Met name voor wat betreft de oudere sterfgevallen is dat niet gelukt, omdat die overlijdens niet voorkomen in het systeem zoals dat thans functioneert. Voor 50 dossiers heeft hij stukken opgevraagd bij het Centraal Archief in Apeldoorn.”

2.11.1.

In Nieuwsbrief 6 van het Rekeningen Project, gedagtekend 21 juni 2002, is onder meer het volgende vermeld:


“2. Voortgang strafrechtelijke onderzoeken
De strafrechtelijke onderzoeken in het kader van het Rekeningenproject zijn inmiddels vrijwel afgerond. Van ca. 2/3 hiervan zijn de processen-verbaal inmiddels ter hand gesteld aan het Openbaar Ministerie.”

2.11.2.

Voorts is in deze nieuwsbrief vermeld:


“In een aantal gevallen is gebleken dat belastingplichtigen, die ten tijde dat de bankrekening bij KB-Lux werd geopend in Nederland woonachtig waren, na die tijd naar het buitenland zijn geëmigreerd.”

2.12.

In de brief van de inspecteur aan belanghebbende van 29 november 2002 is aangegeven dat belanghebbende houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen en zijn, daarvan uitgaande, zonder meer de volgende vragen gesteld:


Algemeen:
- Wat voor soort rekening betrof het en in welke valuta?
- Op welke datum (dag-maand-jaar) is deze rekening geopend?
- Door wie is deze rekening geopend?
Crediteringen:
- Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen gestort of laten storten, dan wel
overgemaakt of laten overmaken op deze bankrekening (…)
Debiteringen:
- Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen opgenomen of laten opnemen, dan wel overgeboekt of laten overboeken van deze bankrekening (in de ruimste zin van het woord)?
- Op welke data (dag-maand-jaar) hebben opnamen en/of overboekingen plaatsgevonden?
- Wat was het bestedingsdoel van deze opnamen of overboekingen?
Opbrengsten:
- Heeft u het saldo en/of de opbrengsten van deze banktegoeden vermeld op uw aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting?
Tevens verzoek ik u mij de volgende bescheiden te verstrekken:
(…)
- De afschriften van de banktegoeden van ieder jaar;
- Een specificatie van de ontvangen rente per jaar (…)”.

2.13.

In een proces-verbaal van ambtshandeling van [H] , [FUNCTIE] voor de FIOD-ECD van het rekeningenproject, van 10 januari 2003 is onder meer het volgende vermeld:


“4. Op 21 januari 2002 heb ik (…) in het Paleis van Justitie te Luxemburg Stad gesproken met een rechter-commissaris en een officier van justitie.
1. Verslag bezoek BBI Brussel
(…)
De vermelding op de overzichten van het land geeft volgens de BBI het woonland aan van de rekeninghouder.
(…)

4. Verslag bezoek Luxemburg
Op 21 januari 2002 heb ik (…) in het Paleis van Justitie te Luxemburg Stad gesproken met [I] , [FUNCTIE] en [J] , [FUNCTIE] .
Doel van de bespreking was gericht op de mogelijkheden van het doen van rechtshulpverzoeken aan de Luxemburgse bevoegde autoriteiten voor het verkrijgen van bankstukken van de KB Lux voor rekeningen op naam en voor coderekeningen.”

2.14.

Door middel van een door de inspecteur opgestelde ‘Verklaring buitenlandse bankrekeningen’ heeft belanghebbende op 28 januari 2003 verklaard dat hij na 1 januari 1990 geen bankrekeningen in het buitenland heeft aangehouden.

2.15.

In een brief van [K] van de Bijzondere Belastinginspectie van België aan een functionaris van FIOD-ECD van 20 februari 2003 is onder meer het volgende vermeld:


“Teneinde aan te tonen dat de (…) microfiches effectief afkomstig zijn van KB-Lux, werden de afdrukken van bepaalde van deze microfiches vergeleken met documenten die met zekerheid afkomstig waren van KB-Lux (…) en die door sommige belastingplichtigen zelf ter beschikking werden gesteld als antwoord op de aan hen gestelde vragen om inlichtingen.
Bij die vergelijking werd vastgesteld dat de rekeningnummers en de saldo’s die voorkomen op de microfiches wel degelijk overeenkomen met deze die voorkomen op de door de betrokken belastingplichtigen ter beschikking gestelde documenten.”

2.16.

Op 28 februari 2006 heeft de strafkamer van het Hof belanghebbende vrijgesproken van het hem tenlastegelegde opzettelijk doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 1994, 1995, 1996, 1998 en 1999, alsmede de vermogensbelasting 1995, 1996, 1997, 1999 en 2000. In dit arrest heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:


“In het dossier bevinden zich twee fotokopieën (…) van – naar het hof begrijpt – weergaven van microfiches die gegevens afkomstig van KB Lux bevatten. Hierop staan – voor zover thans van belang – saldi vermeld die kennelijk op 31 januari 1994 ten name van [A] [C] geboekt waren. Het hof is van oordeel dat aan de hand van deze stukken niet kan worden vastgesteld of enige (mede) door of namens verdachte gedane aangifte voor de inkomstenbelasting (over de jaren 1994 tot en met 1996, alsmede 1998 en 1999) en de vermogensbelasting (over de jaren 1995 tot en met 1997, alsmede 1999 en 2000) onjuist en/of onvolledig is geweest. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken waarop een dergelijke conclusie kan steunen, is het hof van oordeel dat het (…) tenlastegelegde reeds op deze grond niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, (…).”

2.17.

In de conclusie van dupliek voor de rechtbank heeft de inspecteur onder meer het volgende geschreven:


“De datum van de overdracht van het dossier door de FIOD aan de belastingdienst Amster-dam voor de verdere behandeling (opleggen van de aanslagen), is mij niet bekend. Ik heb uitgezocht of te achterhalen is wanneer dit heeft plaatsgevonden. Helaas is hier geen vastlegging van geweest, er is niet geregistreerd op welke datum het dossier door de FIOD aan de belastingdienst Amsterdam is overgedragen dan wel de Belastingdienst Amsterdam het dossier van de FIOD heeft ontvangen.”

2.18.

Uit de aangiftegegevens van belanghebbende blijkt dat zijn sofinummer [...] is.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Voor alle onder 1 vermelde belastingaanslagen zijn – evenals in eerste aanleg – de volgende vragen in geschil:

- is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en – indien dat het geval is – welke
processuele gevolgen heeft dat;
- is de belastingrechter – zoals belanghebbende stelt – voor wat betreft bewijskracht van de
afdrukken van een microfiche gebonden aan de beslissing van het Hof (strafkamer) van 28
februari 2006;

- was belanghebbende houder van rekeningen bij KB-Lux;
- zijn de vereiste aangiften gedaan;
- zijn de belastingaanslagen naar de juiste bedragen vastgesteld; indien sprake is van
omkering van de bewijslast: heeft de inspecteur de belastbare inkomens en vermogens
redelijk geschat;
- zijn in de navorderingsaanslagen terecht verhogingen begrepen en zo ja, dienen deze
verder te worden kwijtgescholden dan de rechtbank heeft gedaan;
- zijn de boeten die gelijktijdig met de navorderingsaanslag IB 2000 en de aanslagen zijn
opgelegd terecht en naar de juiste hoogte opgelegd.

3.2.

Voor de navorderingsaanslagen ib/pvv 1991, 1992, 1993 en 1997, alsmede vb 1992, 1993, 1994 en 1998, is in geschil of de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld, met dien verstande dat indien het Hof – evenals de rechtbank – oordeelt dat niet voldoende voortvarend is gehandeld voor de desbetreffende belastingaanslagen niet meer wordt toegekomen aan de onder 3.1 vermelde punten van geschil.

3.3.

De hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding.

4 Beoordeling van het geschil


De rechtmatigheid van het bewijs
4.1.1. Over de rechtmatigheid van het bewijs heeft de rechtbank als volgt geoordeeld (de rechtbank duidt belanghebbende aan als eiser en de inspecteur als verweerder):


“32. De voor het bewijs gebezigde afdrukken van microfiches zijn door de Belgische belastingautoriteit aan de Nederlandse Belastingdienst verstrekt op basis van artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen. Er bestaat onvoldoende aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding of bemachtiging van de microfiches.
Ook anderszins bestonden voor de Nederlandse Belastingdienst geen redenen aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht was geschonden, dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van de gegevens van de microfiches ontoelaatbaar moet worden geoordeeld.
De omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering, gepleegd door particulieren, is verkregen, staat niet in de weg aan gebruik van dat materiaal in een fiscale procedure. Daarnaast is niet gebleken dat Nederlandse overheidsdienaren betrokken zijn geweest bij een onregelmatigheid, zoals diefstal of verduistering van de documenten van KB-Lux, of dat zij op andere wijze onrechtmatig gedrag van werknemers of ex-werknemers van KB-Lux hebben geïnitieerd of gefaciliteerd.
Indien al zou moeten worden aangenomen dat de Belgische autoriteiten zich in het kader van het in handen krijgen van de microfiches onrechtmatig hebben gedragen, kan evenmin worden gezegd dat de gegevens door de Nederlandse Belastingdienst zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43 050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179). Dat er na de eerste verkrijging onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, zoals eiser stelt, is voor het gebruik van de afdrukken van de microfiches in de onderhavige zaak niet van belang.

33. Eiser stelt in het kader van de (on)rechtmatigheid van het bewijs voorts dat de Richtlijn door zowel de Belgische als de Nederlandse staat is geschonden. Daartoe betoogt eiser dat geen sprake is geweest van gegevensuitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten aangezien slechts de Ministers van Financiën daartoe bevoegd zijn.
De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de gegevensuitwisseling niet door de bevoegde autoriteiten heeft plaatsgevonden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de begeleidende brief waarmee de afdrukken van de microfiches naar de Nederlandse autoriteiten zijn verzonden, is geadresseerd aan het Ministerie van Financiën.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding gehoor te geven aan het verzoek van eiser nader onderzoek door een deskundige te laten instellen naar het contact tussen de Belgische autoriteiten en het Nederlandse Ministerie van Financiën, aangezien dit niet raakt aan de rechtmatigheid van het verkregen bewijs.”


4.1.2.1. In hoger beroep heeft belanghebbende – samengevat weergegeven – gesteld dat bij de verstrekking van informatie vanuit België aan de Nederlandse autoriteiten is gehandeld in strijd met Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977, betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen (hierna: de Richtlijn), alsmede de daarop gebaseerde Regeling van 25 september 1997 tussen Nederland en België ter uitvoering van die richtlijn. Volgens belanghebbende blijkt nergens uit dat in deze is gehandeld door de bevoegde autoriteiten, dat wil zeggen de Ministers van Financiën.

4.1.2.2. Volgens belanghebbende is slechts met het oog op de belastingheffing in België aan de Belgische belastingdienst toestemming verleend voor inzage in justitiële dossiers waartoe de hiervoor bedoelde informatie behoorde.

4.1.2.3. Belanghebbende wijst voorts op ernstige strafvorderlijke gebreken in verband met de verkrijging door justitiële autoriteiten in België van bewijsmateriaal waartoe (naar het Hof begrijpt) onder meer de (kopieën van) microfiches behoorden als vermeld in onderdeel 3 van de uitspraak van de rechtbank. Volgens belanghebbende hebben Belgische overheids-functionarissen de hand gehad in het opmaken van valse processen-verbaal van een in scene gezette huiszoeking om de verkrijging van de microfiches te ‘legaliseren’. Deze gebreken hebben volgens belanghebbende in een strafrechtelijke procedure in België geleid tot een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie door de Correctionele Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, welke beslissing vervolgens in beroep en in cassatie in stand is gebleven. Belanghebbende verwijst in dit verband naar een (kennelijk) op een strafzaak betrekking hebbend arrest van het Belgische Hof van Cassatie van 31 mei 2011, 1103/0331 (noot 11 in een door gemachtigde bij brief van 2 oktober 2013 overgelegd advies van 14 augustus 2013 van [L] en [M] ).

4.1.2.4. De gang van zaken voorafgaand aan verkrijging van de microfiches door de Belgische en – vervolgens – de Nederlandse belastingdienst is volgens belanghebbende in strijd met artikel 6 EVRM en met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarvan in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens belanghebbende zijn de microfiches verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.1.3.1. De inspecteur – onder verwijzing naar zijn betoog in eerste aanleg – stelt ter zake van de microfiches dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs; niet in strafrechtelijke zin en niet in fiscaalrechtelijke zin. Omtrent de wijze waarop de microfiches in België door overheidsfunctionarissen zijn verkregen bestaat volgens hem geen (absolute) zekerheid. In dat verband verwijst de inspecteur onder meer naar het rapport van het Comité P (als vermeld onder 2.2). Volgens de inspecteur heeft de Belgische belastingdienst toestemming verkregen voor gebruik van in het kader van in Belgische strafrechtelijke procedures in beslag genomen bewijsmateriaal en zijn de microfiches, waaronder die waarop gegevens betreffende belanghebbende voorkomen, door de Belgische belastingdienst aan de Nederlandse belastingdienst ter beschikking gesteld.

4.1.3.2. Weliswaar hebben ex-werknemers van KB Lux een strafbaar feit gepleegd door informatie van die bank te ontvreemden, maar dat houdt volgens de inspecteur niet in dat een latere verkrijging van die informatie door de Belastingdienst als jegens belanghebbende onrechtmatig moet worden aangemerkt. Het is de overheid volgens de inspecteur toegestaan om informatie te gebruiken die afkomstig is van een door derden gepleegd misdrijf (diefstal). Bovendien betwist de inspecteur dat de verkrijging van de microfiches door de overheid in België jegens belanghebbende onrechtmatig is.
Het Comité P heeft daarover volgens de inspecteur geen oordeel gegeven. Volgens de inspecteur is ook overigens geen sprake van onrechtmatigheden, begaan (rechtstreeks) in relatie tot belanghebbende.

4.1.3.3. De microfiches zijn volgens de inspecteur op basis van Richtlijn 77/799/EEG bevoegdelijk door de Belgische belastingdienst aan de Nederlandse belastingdienst verstrekt. De Belastingdienst heeft daarbij erop mogen vertrouwen dat die informatie in overeenstem-ming met de in België geldende rechtsregels in de verstrekkende staat is verkregen.

4.1.3.4. Voor het geval toch sprake zou zijn van in strafrechtelijke zin onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal wijst de inspecteur op de maatstaven die daarvoor zijn neergelegd in het arrest HR 1 juli 1992, BNB 1992/306. In dat verband herhaalt de inspecteur dat er geen sprake is van een onrechtmatig handelen jegens belanghebbende. Er is geen sprake geweest van enige onrechtmatigheid bij de verkrijging van de microfiches van de zijde van de Nederlandse overheid. Evenmin is volgens de inspecteur sprake van enig handelen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.1.4.1. Het Hof sluit zich aan bij de onder 4.1.1 opgenomen overwegingen van de rechtbank en voegt daar nog het volgende aan toe.

4.1.4.2. Indien – veronderstellenderwijs – ervan wordt uitgegaan dat Belgische overheidsfunctionarissen, zoals belanghebbende heeft gesteld, de hand hebben gehad in het opmaken van valse processen-verbaal van (een in scene gezette) huiszoeking om de verkrijging van informatie te ‘legaliseren’, is sprake van ernstige onrechtmatigheden in strafprocesrechtelijke zin. Deze onrechtmatigheden hebben betrekking op de wijze van verkrijging van informatie voorafgaand aan de verkrijging door de Nederlandse autoriteiten en vermoedelijk – het rapport van het Comité P wijst daar althans niet op – ook voorafgaand aan verkrijging van die informatie door de Belgische belastingdienst. Tot die informatie behoort, naar mag worden aangenomen, onder meer het op belanghebbende betrekking hebbende microfiche. Dat deze onrechtmatigheden aanleiding hebben gegeven om te twijfelen aan de authenticiteit van de informatie die op belanghebbende betrekking heeft is – anders dan de betwisting door belanghebbende van de bewijskracht van de onder 2.5 aangehaalde brief – niet gesteld en ook overigens niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het Hof staan de hiervoor bedoelde onrechtmatigheden in een te ver verwijderd verband ten opzichte van de heffing en boeteoplegging ten aanzien van belanghebbende.
Het zijn ook geen onrechtmatigheden jegens belanghebbende, dat wil zeggen dat de onrechtmatigheden niet zijn begaan in een onderzoek naar belanghebbende zelf. Meer in het algemeen is het Hof niet gebleken dat in enig stadium van de verkrijging van de informatie, vanaf de verkrijging in Luxemburg tot en met de verkrijging van de informatie door de Nederlandse Belastingdienst, onrechtmatig of onzorgvuldig is gehandeld tegenover belanghebbende zelf. Deze onrechtmatigheden kunnen in de onderhavige procedure dan ook niet leiden tot uitsluiting van bewijs van de langs die (onrechtmatige) weg verkregen informatie (verg. Hof Den Bosch ECLI:NL:GHSHE:2014:5201, overweging 4.11; het daartegen ingesteld cassatieberoep werd door de Hoge Raad verworpen ECLI:NL:HR:2016: 26).


4.1.4.3. Een belemmering voor het gebruik is ook niet gelegen in de wijze waarop de microfiches aan de Belastingdienst zijn verstrekt. Voor zover al van belang – belangheb-bende is daaraan voorbij gegaan – , geldt dat Procureur-generaal [F] deze verstrekking, zoals blijkt uit de onder 2.4 aangehaalde brief, ter beoordeling van de Belgische belastingdienst heeft gelaten. Het Hof ziet geen reden er aan te twijfelen dat deze verstrekking bevoegdelijk is geschied. Voor zover dit al – als gesteld door belanghebbende – bij ontbreken van een mandateringsbesluit anders zou zijn, levert dit – wat daarvan verder mag zijn en in het licht van hetgeen overigens onder 2 van de uitspraak van de rechtbank, en onder 2.5 en 2.13 over de verstrekking van de informatie aan de Belastingdienst is vermeld – niet een zodanige schending van de Richtlijn dan wel daarop gebaseerde procedurele voorschriften op dat de verkregen informatie op die grond in de onderhavige procedure niet gebruikt zou mogen worden.

4.1.4.4. Indien – veronderstellenderwijs – zou moeten worden geconcludeerd dat de verkrijging van de microfiches door de justitiële autoriteiten in België jegens belanghebbende onrechtmatig is geweest, dan kan het gebruik door de inspecteur van dat strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in een uitzonderlijke situatie in strijd komen met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ervan uitgaande dat de inspecteur, buiten die onregelmatigheden, zonder wettelijke belemmering van de microfiches had kunnen kennis nemen, zou het gebruik van dat bewijsmateriaal door de inspecteur slechts dan niet zijn toegestaan, indien het zou zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (verg. HR 1 juli 1992, nr. 26331, BNB 1992/306 en HR 20 maart 2015, 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, BNB 2015/173). Van de onder 4.1.4.2 bedoelde onregelmatigheden kan, anders dan belanghebbende heeft gesteld, niet worden geoordeeld dat daarmee aan het (hiervoor vermelde) ‘zozeer indruist’-criterium is voldaan. Dat jegens belanghebbende een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in zo aanzienlijke mate is geschonden, dat de uitkomst van het desbetreffende onderzoek in de onderhavige belasting- en bestuurlijke boetezaken van bewijs dient te worden uitgesloten, is – hoe ernstig de onder 4.1.4.2 bedoelde onrechtmatigheden ook mogen zijn – niet aannemelijk geworden.

4.1.4.5. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen acht het Hof het niet nodig nader onderzoek te verrichten naar de wijze waarop de Belgische autoriteiten de Nederlandse autoriteiten (mogelijk) hebben geïnformeerd over strafvorderlijke onrechtmatigheden die zich (mogelijk) bij de verkrijging van de microfiches in België hebben voorgedaan. Het Hof wijst derhalve het daartoe strekkende verzoek van belanghebbende af.

De authenticiteit van de verstrekte gegevens
4.2.1. Over de authenticiteit van de verstrekte gegevens heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“34. Tot slot betwist eiser dat de microfiches afkomstig zijn van de KB-Lux. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. De Belgische belastingautoriteit heeft in haar brief van 27 oktober 2000 expliciet verklaard dat de afdrukken afkomstig zijn van microfiches behorende tot de administratie van KB-Lux. In haar brief van 20 februari 2003 is vermeld op welke wijze de Belgische belastingautoriteit zich ervan heeft vergewist dat de microfiches afkomstig zijn van KB-Lux. Verweerder stelt, onder verwijzing naar jurisprudentie over dit punt, dat de valutacodes op de microfiches overeenkomen met de valutacodes van KB-Lux en dat uit een onderzoek van de inhoud van een aantal fotokopieën is gebleken dat het microfiches zijn met rekeninggegevens bij KB-Lux. Gelet op het gemotiveerde betoog van verweerder ligt het op de weg van eiser diens stelling aannemelijk te maken. Eiser is daarin niet geslaagd. Hij heeft geen substantieel bewijs voor de juistheid van zijn stelling bijgebracht. Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank aannemelijk dat de microfiches gegevens bevatten van rekeningen die door de daarop vermelde personen op 31 januari 1994 worden aangehouden bij KB-Lux en dat de bij brief van 27 oktober 2000 ontvangen afdrukken ook betrekking hebben op microfiches die uit de administratie van KB-Lux afkomstig zijn.”

4.2.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de rechtbank ten onrechte bewijskracht heeft toegekend aan de onder 2.5 aangehaalde brief van [G] van 27 oktober 2000 waarin is verklaard dat de afdrukken van de microfiches afkomstig zijn van de administratie van de in Luxemburg gevestigde bank KB-Lux (hierna: KB-Lux).

4.2.3.

De inspecteur is niet expliciet op deze stelling van belanghebbende ingegaan, maar in diens standpunt ligt een betwisting van de stelling van belanghebbende besloten.

4.2.4.

Naar het oordeel van het Hof vormt de brief van [G] van 27 oktober 2000 – bezien in samenhang met hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is vermeld onder 3 en met de brief van [K] van 20 februari 2003 – voldoende bewijs van de authenticiteit van de aan de Belastingdienst verstrekte gegevens. Mitsdien acht het Hof het aannemelijk dat de verstrekte gegevens (afschriften van microfiches) betrekking hebben op Nederlandse dan wel in Nederland wonende houders van rekeningen bij KB-Lux, naar de daarbij vermelde bedragen op of omstreeks het tijdstip (eind januari 1994) waarop die gegevens betrekking hebben.

4.2.5.

Het verzoek van belanghebbende inzage te doen verschaffen in het origineel van de aan de Belastingdienst verstrekte gegevens (in het bijzonder het op belanghebbende betrekking hebbende microfiche) dan wel in afschriften van rechtsgeldige processen-verbaal omtrent de uitleg van de codes op de fiches, wijst het Hof af omdat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de noodzaak daartoe ontbreekt en omdat voldoende nadere motivering van dat verzoek ontbreekt.

Identificatie
4.3.1. Over de identificatie van belanghebbende als houder van rekeningen met daarop, per eind januari 1994, saldi van f 1.304.217,85 en f 1.294,99, als vermeld onder 3 in de uitspraak van de rechtbank, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:


“35. De rechtbank stelt voorop dat – gelet op de ontkenning van eiser – verweerder aannemelijk dient te maken dat hij een rekening heeft aangehouden bij de KB-Lux. Verweerder baseert zijn standpunt dat eiser rechthebbende was van inkomens- en vermogensbestanddelen op een Luxemburgse bankrekening op de hiervoor weergegeven gegevens zoals die van de Belgische autoriteiten zijn ontvangen, alsmede op de op ambtseed opgemaakte bevindingen van de ambtenaren die met het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder waren belast.
Van verweerder wordt niet verlangd, anders dan eiser kennelijk meent, dat hij het overtuigende bewijs in strafrechtelijke zin levert als bedoeld in artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering. In het belastingrecht geldt immers de vrije bewijsleer en is ieder middel dat tot bewijs kan dienen toegestaan. De rechtbank zal bij de beoordeling meewegen dat eiser bij arrest van 28 februari 2006 van het Gerechtshof te Amsterdam, nr. 645/06, is vrijgesproken van - kort gezegd - het doen van onvolledige/onjuiste aangiften ib/pvv en vb over enkele andere jaren dan thans aan de orde, doch dit dwingt niet tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs is voor het rekeninghouderschap van eiser over de onderhavige jaren. Het beroep van eiser op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg van 23 oktober 2014 (Melo Tadeu vs Portugal) kan eiser niet baten, nu het feitencomplex in die zaak niet gelijk is aan dat in de onderhavige zaak. Dit arrest werpt bovendien geen ander licht op het beginsel dat de belastingrechter een eigen beoordeling van het bewijs moet maken. Verweerder kan derhalve volstaan met het aannemelijk maken van zijn stelling, hetgeen verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, ook heeft gedaan.

36. Eiser stelt dat de inhoud van de afdrukken van de microfiches, mede gelet op de wijze waarop deze zouden zijn verkregen, niet te controleren is en daarom als onbetrouwbaar moeten worden afgedaan. Deze enkele stelling acht de rechtbank niet voldoende om uitsluitend op grond daarvan aan te nemen dat niet kan worden uitgegaan van de gegevens die zijn vermeld op de afdrukken van de microfiches die verweerder in het geding heeft gebracht. De omstandigheid dat de microfiches destijds zijn gestolen, geeft op zichzelf, zonder bijkomende omstandigheden die een vermoeden in die richting rechtvaardigen, ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan te twijfelen. Daarenboven geldt dat de rechtbank, gezien de toelichting die is ontvangen van de Belgische autoriteiten en hetgeen verweerder overigens nog op dit punt heeft toegelicht in zijn verweerschrift, geen enkele aanleiding heeft om te twijfelen aan de aard en oorspronkelijke herkomst van bedoelde stukken, noch aan de inhoud daarvan zoals deze door verweerder en de Belgische autoriteiten is geduid. De rechtbank acht daarbij van belang dat een groot aantal van de KB-Lux-rekeninghouders naar aanleiding van deze gegevens openheid van zaken heeft gegeven en daarbij niet is gebleken dat de informatie onbetrouwbaar was.


37. Eiser voert in dit verband aan dat het proces-verbaal van de Belastingdienst FIOD-ECD vals is, aangezien zijn tweede voornaam [B ] ontbreekt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de tweede voorletter dan wel tweede voornaam wel in de bestanden van het BVR en de RDW stonden vermeld, maar omdat op het microfiche alleen de eerste voornaam en de achternaam van eiser staat, in het proces-verbaal is volstaan met het vermelden van de eerste voorletter. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank dan ook op geen enkele wijze afbreuk aan de deugdelijkheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal van de FIOD-ECD.

38. Eiser heeft bij zijn nadere stuk van 17 januari 2015 een kopie van een persoonskaart van [N] [A] [C] (met daarop vermeld als vader [A] [O] [P] [C] ) overgelegd. Eiser geeft daarbij aan dat de stukken niet uitsluiten dat de op de microfiches voorkomende namen Nederlanders zijn die buiten Nederland wonen of buitenlanders die al dan niet tijdelijk in Nederland wonen en evenmin in het BVR staan. Tot slot kan niet worden uitgesloten dat het om personen gaat uit de Nederlandse Antillen. Aldaar komt de naam [C] vaak voor. Een groot aantal heeft enige tijd in Nederland gewoond. In ieder geval staan niet alle personen die in 1990 de naam [C] hadden in het BVR, zodat niet is bewezen dat de naam op het microfiche die van eiser is, aldus eiser.
Ten aanzien van de naam op de persoonskaart overweegt de rechtbank dat deze persoon is genaamd [N] [A] [C] , zodat de microfiches niet op hem betrekking kunnen hebben. Ten aanzien van zijn vader, [A] [O] [P] [C] , geldt in de eerste plaats dat deze persoon al in 1983 is overleden, zodat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat er in 1994 nog een rekening op zijn naam staat. Bovendien kan uit de overgelegde persoonskaart niet worden afgeleid dat deze persoon in Nederland heeft gewoond. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat de vermelding “NL” op het microfiche erop duidt dat de rekening toebehoort aan een inwoner van Nederland. Verweerder heeft in dit verband gewezen op een proces-verbaal van ambtshandeling, parketnummer 13/120067-01, opgemaakt op 10 januari 2003 door een ambtenaar bij de belastingdienst FIOD-ECD-Haarlem, waarin is opgenomen dat de Belgische belastinginspectie in een onderhoud met de FIOD-ECD heeft aangegeven dat de vermelding op de overzichten verband houdt met het woonland van de rekeninghouder.
De rechtbank concludeert dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in 1994 andere personen met de eerste voornaam [A] en de achternaam [C] in Nederland woonachtig waren.

39. Gelet op het feit dat er slechts één persoon in Nederland woonachtig blijkt te zijn geweest met de achternaam [C] en de voorletter [A] , is er geen ruimte voor twijfel aan het door verweerder geleverde bewijs dat eiser de rekeninghouder is (geweest). De door eiser ingenomen stelling dat verweerder heeft verzuimd na te gaan of een naar het buitenland geëmigreerde persoon ook dezelfde achternaam en voorletter als eiser zou kunnen hebben, behoeft dan ook geen verdere behandeling.”


4.3.2.1. Belanghebbende heeft gesteld dat uit het arrest EHRM 23 oktober 2014, Melo Tadeu tegen Portugal, nr. 27785/10, volgt dat het Hof ter zake van de vraag of op basis van het tot de stukken behorende bewijsmateriaal kan worden vastgesteld dat belanghebbende houder was van een rekening bij KB-Lux met daarop de hiervoor vermelde saldi, is gebonden aan het oordeel van het Hof in de strafzaak die heeft geleid tot de vrijspraak van belanghebbende ter zake van het hem tenlastegelegde, als vermeld onder 2.13. De inspecteur heeft deze stelling betwist.

4.3.2.2. Het Hof overweegt dat voor de vraag of een feit geacht kan worden te zijn bewezen in het strafrecht andere maatstaven gelden dan in het recht ter zake van bestuurlijke boeten. Hieruit volgt dat de belastingrechter niet gebonden is aan het oordeel van de strafrechter over de vraag of een bepaald feit vaststaat, zelfs al is dit oordeel gebaseerd op hetzelfde bewijsmateriaal als in de strafzaak voorhanden was. Om dezelfde reden is de strafrechter niet gebonden aan het oordeel van de belastingrechter over de vraag of een bepaald feit vaststaat, ook al is dat oordeel gebaseerd op hetzelfde bewijsmateriaal als in de belastingzaak voorhanden was. Hieruit volgt tevens dat een van het oordeel van de strafrechter afwijkend oordeel van de belastingrechter over de vraag of een bepaald feit vaststaat, op zichzelf geen twijfel oproept over de juistheid van het oordeel van de strafrechter, ook al zijn beide oordelen gebaseerd op hetzelfde bewijsmateriaal.
Het Hof verwerpt derhalve de stelling van belanghebbende dat reeds de vrijspraak van belanghebbende door de strafkamer van het Hof ertoe heeft te leiden dat het beroep gegrond is.

4.3.2.3. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat uit de microfiches niet volgt dat deze betrekking hebben op inwoners van Nederland. De aanduiding NL op het microfiche zou ook kunnen staan voor nationaliteit. Dat betrekking hebben op inwoners van Nederland zou volgens belanghebbende een premisse betreffen die slechts is gebaseerd op een enkele mededeling uit België van corrupte overheidsfunctionarissen. Voorts acht belanghebbende niet bewezen dat de voornaam op de microfiches altijd de eerste voornaam van de rekeninghouder is. De overweging van de rechtbank dat het onwaarschijnlijk zou zijn dat een rekening zou toebehoren aan iemand die in 1983 is overleden wordt volgens belanghebbende gelogenstraft door een passage uit Nieuwsbrief nr. 3 (als vermeld onder 2.10). De Belasting-dienst had ook moeten nagaan of naar het buitenland geëmigreerde personen dezelfde achternaam en voorletter(s) hebben als belanghebbende. Gelet ook op hetgeen hierover in Nieuwsbrief nr. 6 is vermeld (zie onder 2.11.2) is de rechtbank daaraan ten onrechte voorbij gegaan. Tevens wijst belanghebbende erop dat er ‘slapende bankrekeningen’ kunnen bestaan die toebehoorden aan rekeninghouders die inmiddels zijn overleden. Al deze omstandighe-den maken de identificatie van belanghebbende als houder van een rekening bij KB-Lux onbetrouwbaar, aldus belanghebbende.
De rechtbank heeft volgens belanghebbende ten onrechte bij hem de last neergelegd om te bewijzen dat er in 1994 andere personen met als eerste voornaam [A] en de achternaam [C] in Nederland woonachtig waren.

4.3.3.1. De inspecteur wijst erop dat aan de identificatie een uitgebreid en (zijns inziens) zorgvuldig onderzoek vooraf is gegaan. Dat de microfiches gegevens van bankrekening bij KB-Lux bevatten volgt volgens de inspecteur uit:
- de mededelingen van de Belgische autoriteiten;
- de valutacodes op de microfiches welke overeenkomen met die van KB-Lux, en
- al de microfiches van belastingplichtigen die wel informatie aan de inspecteur hebben
verstrekt en die betrekking bleken te hebben op KB-Lux.

4.3.3.2. De inspecteur wijst erop dat de gegevens van de microfiches zijn vergeleken met de gegevens in het databestand BVR (beheer van relaties) van de Belastingdienst waarin alle natuurlijke en rechtspersonen die in Nederland wonen of gevestigd zijn opgenomen.
In dit bestand kwamen ten tijde van de identificatie nog geen voornamen voor. Vervolgens zijn de gegevens van de microfiches gekoppeld aan een sofinummer en aan een bestand van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) dat wel voornamen bevatte. In dit verband heeft de inspecteur gesteld dat het bestand BVR tevens gegevens bevat van belastingplichtigen die zijn overleden of zijn geëmigreerd.
Dit proces van vergelijken van de gegevens op het microfiche met databestanden waarover de inspecteur kon beschikken, heeft – zoals ook tot uiting komt in het onder 3 van de uitspraak van de rechtbank aangehaalde proces-verbaal van de FIOD-ECD – geleid tot de identificatie van belanghebbende als houder van de in de microfiches vermelde rekeningen bij KB-Lux. Volgens de inspecteur hebben de microfiches betrekking op inwoners van Nederland; hij baseert zich daarbij onder meer op de hiervoor onder 2.3, 2.5 en 2.13 vermelde stukken.
4.4.4.1. Naar het oordeel van het Hof ligt het op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat belanghebbende eind januari 1994 houder was van rekeningen bij KB-Lux met – naar het Hof op grond van de microfiches en de daarop gegeven toelichting op zichzelf aannemelijk acht – saldi (destijds) van f 1.304.217,85 en f 1.294,99 (hierna: de rekeningen). Anders dan belanghebbende veronderstelt, wordt voor dit bewijs van de inspecteur niet verlangd dat ‘met 100% zeker’ is op welke wijze de naam [C] op het microfiche is terechtgekomen. Zoals hiervoor is overwogen gaat het Hof op zichzelf uit van de authenticiteit (van de kopie) van het microfiche en de gegevens die daarop zijn vermeld.
Dit betekent dat de inspecteur aannemelijk dient te maken dat belanghebbende de op het microfiche vermelde persoon is.

4.4.4.2. Het Hof acht de inspecteur in dit bewijs geslaagd, op grond van gegevens die zijn vermeld in onderdeel 3 van de uitspraak van de rechtbank. Het gaat om afdrukken van een microfiche op naam van [A] [C] , alsmede een ambtsedige verklaring van een medewerker van de FIOD-ECD welke inhoudt dat de naam die op het microfiche voorkomt ten name van [A] . [C] , met sofinummer [...] , één zogenoemde hit heeft opgeleverd met het bestand BVR (beheer van relaties) en dat het cliëntenbestand KB-Lux inclusief sofinummer, gekoppeld aan het bestand van RDW, een hit heeft opgeleverd met [A] [C] . Deze gegevens, bezien ook in samenhang met hetgeen in verband daarmee en ter toelichting daarop is vermeld onder 2.19, de onder 2.3. aangehaalde brief van [D] , de onder 2.5 aangehaalde toelichtende nota bij de brief van [G] van 27 oktober 2000, het onder 2.7 aangehaalde proces-verbaal van 16 oktober 2001 en het onder 2.13 aangehaalde proces-verbaal van 10 januari 2003 – mede waar het betreft de omstandigheid dat in beginsel ervan kan worden uitgegaan dat die gegevens betrekking hebben op inwoners van Nederland –, leveren naar het oordeel van het Hof (naar de maatstaf van aannemelijk maken) voldoende bewijs op voor het feit dat belanghebbende eind januari 1994 houder was van de rekeningen. De omstandigheid dat belanghebbende in 2006 door de strafkamer van het Hof is vrijgesproken, als vermeld onder 2.16, doet hieraan niet af, hetgeen mede verklaring vindt in hetgeen onder 4.3.2.2 is overwogen.

4.4.4.3. Dat bij de identificatie van belanghebbende als houder van de rekeningen onvolkomenheden zijn opgetreden, in het overnemen van gegevens die door de Belgische belastingdienst zijn verstrekt en in het verwerken van die gegevens teneinde deze te kunnen vergelijken met bestanden BVR en van RDW, acht het Hof niet aannemelijk. Aan hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede aan hetgeen is overwogen onder 4.2.4, verbindt het Hof mede als conclusie dat het, anders dan waartoe belanghebbende heeft verzocht, niet nodig is nader onderzoek te (doen) verrichten naar (zoals belanghebbende het heeft geformuleerd) een ‘Excel bestand waarin (…) gegevens van de microfiches zij overgetypt (ten behoeve van) de Nederlandse belastingdienst’.

4.4.4.4. Het Hof sluit zich voorts aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 38 en 39. In dat verband neemt het Hof mede in aanmerking dat – naar de inspecteur niet weersproken door belanghebbende heeft verklaard en het Hof (ook overigens) aannemelijk acht – het bestand BVR tevens gegevens bevat over belastingplichtigen die zijn overleden of geëmigreerd. Nu onder 4.4.4.2 is geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende eind januari 1994 houder was van de rekeningen, heeft het op de weg van belanghebbende gelegen om van dat aannemelijk geachte feit tegenbewijs te leveren. Evenals de rechtbank, acht het Hof belanghebbende daarin niet geslaagd. In dit verband sluit het Hof zich ook aan bij het slot van r.o. 38 van de uitspraak van de rechtbank, waarin is overwogen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in 1994 in Nederland andere personen woonachtig waren met de voornaam [A] en de achternaam [C] .
Voortvarendheid
4.5.1. De navorderingsaanslagen ib/pvv 1991, 1992, 1993, 1997 en 2000, alsmede de navorderingsaanslagen vb 1992, 1993, 1994 en 1998 zijn opgelegd met toepassing van de twaalfjaarstermijn als bedoeld in artikel 16, vierde lid, AWR. In eerste aanleg heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur van die verlengde navorderingstermijn geen gebruik heeft mogen maken. Op dit punt heeft de rechtbank belanghebbende in het gelijk gesteld en daartoe het volgende overwogen:


“42. In zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43067bis (ECLI:NL:HR:2010: BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120) heeft de Hoge Raad regels geformuleerd in verband met het door het Hof van Justitie van de EU in zijn arrest van 11 juni 2009, C -155/08 en C157/08, BNB 2009/222 genoemde evenredigheidsbeginsel. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen voor het bestaan van in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.


43. In dit kader is blijkens onder meer het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2013, nr. 12/01598 (ECLI:NL:HR:2013:CA2255) van betekenis de lengte van de periode tussen het moment dat niets aan het opleggen van de navorderingsaanslagen op basis van de door eisers verstrekte gegevens in de weg stond, en de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen met boetes. Indien bij het opleggen van de navorderingsaanslagen een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, moet ervan uit worden gegaan dat de vereiste voortvarendheid niet in acht is genomen (HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717 en Hoge Raad 12 november 2013, nr. 12/03376, ECLI:NL:HR:2013:2015).


44. De rechtbank overweegt dat blijkens het proces-verbaal van de Belastingdienst FIOD-ECD van 16 oktober 2001 eiser op dat moment als rekeninghouder was geïdentificeerd. Naar het oordeel van de rechtbank stond verweerder toen niets meer in de weg om verdere actie te ondernemen. Verweerder heeft echter pas bij brief van 29 november 2002 aan eiser verzocht om informatie over een in het buitenland aangehouden bankrekening. Verweerder, op wie in zoverre de bewijslast rust, heeft geen afdoende verklaring kunnen geven van het stilzitten gedurende de periode van 16 oktober 2001 tot het verzoek om informatie op 29 november 2002. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat het proces-verbaal van identificatie van 16 oktober 2001 is opgemaakt door een “ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD / vestiging Haarlem”. De Belastingdienst kan derhalve op de hoogte worden geacht te zijn geweest met de inhoud van het proces-verbaal van 16 oktober 2001. Verweerder heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat hij goede gronden had om niettemin met het fiscale onderzoek te wachten totdat het strafrechtelijk onderzoek zou zijn afgerond. Voorts neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat verweerder desgevraagd heeft verklaard niet te beschikken over gegevens waaruit kan worden afgeleid op welk moment de FIOD hem dossiers betreffende eiser heeft doen toekomen. Dat verweerder veronderstelt dat dit gebeurd zal zijn in november 2002 kort voor het informatieverzoek van verweerder aan eiser van 29 november 2002, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Nu sprake is van een periode van onverklaarbaar stilzitten door verweerder van meer dan zes maanden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen onvoldoende voortvarendheid heeft betracht.
Dat betekent dat de navorderingsaanslagen, inclusief de daarop betrekking hebbende boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente, zullen worden vernietigd.”


4.5.2.1. Tegen dit onderdeel van de uitspraak van de rechtbank is de inspecteur in hoger beroep gegaan. Volgens hem heeft de Belastingdienst voldoende voortvarend gehandeld.
Na ontvangst van de inlichtingen van de Belgische belastingdienst is, gelet ook op de aard en omvang van die inlichtingen, door de Belastingdienst besloten tot een projectmatige aanpak. Dit ‘rekeningenproject’ is in 2002 van start gegaan. Gelet op de omvang en het tijdsbeslag voor de regionale eenheden en het verloop van het identificatieproces zijn de op belastingplichtigen betrekking hebbende gegevens in drie tranches aan die eenheden toegezonden: begin januari 2002, maart 2002 en rond juni/juli 2002. Bovendien was met het ontwikkelen van een landelijke, gecoördineerde aanpak de nodige tijd gemoeid.

4.5.2.2. Voorts wijst de inspecteur erop dat tegen belanghebbende in 2002 een strafrechtelijk onderzoek liep van de FIOD/ECD naar het doen van onjuiste belastingaangiften door belanghebbende en dat dit onderzoek in september 2002 nog niet was afgerond.
De inspecteur wijst op hetgeen daarover in verschillende Nieuwsbrieven is vermeld. Volgens de inspecteur was het dossier van belanghebbende tot medio september in behandeling bij de FIOD/ECD.
4.5.3. Belanghebbende verwijst naar het oordeel van de rechtbank. Voorts stelt hij dat uit een brief van de Belastingdienst van 18 december 2002 blijkt dat de berekeningen voor alle navorderingsaanslagen voor de jaren 1990 tot en met 2000 reeds toen beschikbaar waren, terwijl die belastingaanslagen niet eerder dan 1 juli 2003 zijn opgelegd. Volgens belanghebbende kan de tijd die is gemoeid met een strafrechtelijk traject bij de beoordeling van de voortvarendheid niet mee in aanmerking worden genomen. Volgens belanghebbende is de inspecteur ten onrechte ervan uitgegaan ‘toch tijd genoeg te hebben’.

4.5.4.1. Bij de beoordeling van de vraag of de Belastingdienst in het onderhavige geval bij toepassing van de twaalfjaarstermijn van artikel 16, vierde lid, AWR voldoende voortvarend heeft gehandeld, gelden de uitgangspunten die de Hoge Raad in zijn arrest van 1 mei 2015, heeft geformuleerd (HR 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, BNB 2015/155, r.o. 2.3.1 tot en met 2.3.3). Deze uitgangspunten houden onder meer in dat de in acht te nemen voortvarendheid niet alleen ziet op handelingen van de inspecteur dan wel de specifieke heffingsfunctionaris belast met de heffing van belastingen van belanghebbende, maar dat bij de beoordeling daarvan tevens handelingen van andere functionarissen van de Belastingdienst een rol kunnen spelen. Daartoe rekent het Hof ook werkzaamheden van functionarissen die overigens bij het rekeningenproject betrokken waren, alsmede met dat project verband houdende werkzaamheden van functionarissen van de FIOD/ECD die betrekking hebben op een strafrechtelijke vervolging wegens het niet aangeven van vermogen bij KB-Lux en daaruit vloeiende inkomsten.

4.5.4.2. In de uitspraak van de rechtbank is vermeld dat aan belanghebbende op 30 oktober 2001 een ‘vordering tot uitlevering ter inbeslagname’ is uitgereikt en door de FIOD-ECD is gehoord. Het Hof gaat ervan uit dat belanghebbende toen door de Belastingdienst was geïdentificeerd als (mogelijke) houder van de rekeningen. Dit strookt met het proces-verbaal van de FIOD-ECD van 16 oktober 2001, als vermeld onder 2.7 en met onderdeel 3 van de uitspraak van de rechtbank (‘proces-verbaal van identificatie’), alsmede met hetgeen onder het kopje ‘Het strafrechtelijke traject’ is vermeld in de onder 2.8 aangehaalde Nieuwsbrief 1 van het Rekeningenproject. Uit deze nieuwsbrief kan voorts worden afgeleid dat het strafrechtelijke traject procesmatig een onderdeel vormde van het Rekeningenproject. Uit Nieuwsbrief 1 blijkt voorts dat op 5 december 2001 was voorzien dat lokale inspecteurs in de regio Amsterdam zouden worden geïnformeerd over de aard, de achtergronden en de wijze van aanpak van de ‘klantbehandeling’. Van belang is voorts dat een onderzoek is gedaan naar rekeninghouders die (mogelijk) zouden zijn overleden. Hiervan is verslag gedaan in Nieuwsbrief 3 van 17 januari 2002. In januari 2002 heeft overleg plaats gevonden met autoriteiten (onder meer) in Luxemburg, als vermeld onder 2.13. In Nieuwsbrief 6 van 21 juni 2002 is vermeld dat de strafrechtelijke onderzoeken in het kader van het Rekeningen-project vrijwel zijn afgerond. Ten aanzien van belanghebbende was dat toen kennelijk nog niet het geval, omdat ook op 13 augustus 2002 medewerkers van de FIOD-ECD nog een bezoek aan belanghebbende hebben gebracht (uitspraak van de rechtbank, onderdeel 5). Vaststaat voorts dat de inspecteur op 29 november 2002 diverse feitelijke vragen aan belanghebbende heeft gesteld, als vermeld hiervoor onder 2.12 en onder 6 in de uitspraak van de rechtbank.

4.5.4.3. Op grond van Nieuwsbrief 1 acht het Hof het aannemelijk dat de inspecteur van het ambtsgebied waaronder belanghebbende destijds ressorteerde begin december 2001 is geïnformeerd over het project en de aanpak van houders van rekeningen bij KB-Lux. Tevens valt uit deze nieuwsbrief af te leiden dat dossiers die voor een strafrechtelijke afhandeling zijn geselecteerd, (enige tijd) niet voor klantbehandeling – naar het Hof begrijpt: aanslagregeling – beschikbaar zijn. Voorts acht het Hof het op grond van de in 2002 verschenen Nieuwsbrieven aannemelijk dat de projectmatige aanpak van houders van KB-Luxrekeningen in de loop van dat jaar voortging en dat deze ook van belang was voor belastingplichtigen die inmiddels als houder van rekeningen bij KB-Lux waren geïdentificeerd. Het ging daarbij in het bijzonder – zoals de inspecteur, niet weersproken door belanghebbende, heeft gesteld – om het (projectmatig) ontwikkelen van normen voor het schatten van de verzwegen inkomsten en vermogensbestanddelen, onder meer op basis van informatie van meewerkende rekeninghouders. Dit vindt bevestiging in hetgeen is vermeld onder 2.6, ontleend aan de ‘Nota rechtmatigheid gebruik informatie rekeninghouders’. Het Hof acht het voorts aannemelijk dat er tussen het moment waarop die inspecteur werd geïnformeerd en 29 november 2002, het moment waarop de vragenbrief aan belanghebbende is uitgegaan, diverse (administratieve/ organisatorische) handelingen (moeten) zijn verricht, met het oog op de afstemming van de aanpak van de tot het ambtsgebied van de inspecteur behorende houders van rekeningen bij KB-Lux en de voorbereiding van de heffing van belanghebbende in het bijzonder.

4.5.4.4. Naar het oordeel van het Hof is er op grond van de onder 4.5.4.2 en 4.5.4.3 vermelde feiten en omstandigheden in de periode van 16 oktober 2001 tot 29 november 2002 geen onverklaarbare vertraging van de Belastingdienst opgetreden van meer dan zes maanden.
In het bijzonder, omdat in die periode werkzaamheden met het oog op een strafrechtelijke aanpak van belanghebbende zijn verricht, in welk verband het Hof het om redenen van doelmatigheid en voorkoming van een onwenselijke samenloop van bevoegdheidsuitoe-fening begrijpelijk acht dat na de identificatie van belanghebbende op 16 oktober 2001 niet parallel aan het strafrechtelijk onderzoek het heffingsonderzoek is voortgezet.
Gelet ook op hetgeen is overwogen onder 4.5.4.1, doet aan dit oordeel niet af dat er in een periode van meer dan zes maanden in het kader van de heffing geen aanwijsbaar contact geweest tussen belanghebbende en de inspecteur.

4.5.4.5. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat van een onverklaarbare vertraging sprake is na 29 november 2002, verwerpt het Hof deze stelling, omdat daaraan, gelet op de feiten die in de uitspraak van de rechtbank zijn vermeld onder 6 tot en met 13, feitelijke grondslag ontbreekt.

4.5.4.6. Het hiervoor overwogen betekent dat de navorderingsaanslagen ib/pvv 1991, 1992, 1993 en 1997, en de navorderingsaanslagen vb 1992, 1993, 1994 en 1998, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet onbevoegdelijk zijn opgelegd. Hierna beoordeelt het Hof ook het op deze navorderingsaanslagen betrekking hebbende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van belanghebbende.

Omkering van de bewijslast
4.6.1.1. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is ten aanzien van belanghebbende de omkering en verzwaring van de bewijslast van artikel 27e AWR (hierna: omkering van de bewijslast) niet van toepassing op de grond dat belanghebbende niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. In alle zaken is immers uitspraak op bezwaar gedaan na 1 juli 2011, terwijl na die datum en voordat uitspraak op bezwaar is gedaan geen informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR is genomen (HR 2 oktober 2015, nr. 14/02335, ECLI:NL:HR:2015: 2795, BNB 2016/2).

4.6.1.2. Anders dan belanghebbende ter zitting van het Hof heeft gesteld, kan de omkering van de bewijslast ook van toepassing zijn indien niet de vereiste aangifte is gedaan.
De omstandigheid dat die processuele sanctie niet mogelijk is bij ontbreken van een informatiebeschikking staat daaraan, zoals ook blijkt uit het arrest BNB 2016/2 (r.o. 2.3.1), niet in de weg.

4.6.2.1. De inspecteur heeft tevens gesteld – onder meer in zijn verweerschrift in hoger beroep – dat de omkering van toepassing is, omdat niet de vereiste aangifte is gedaan. Belanghebbende heeft dit standpunt betwist.

4.6.2.2. Voor het geval de omkering van de bewijslast niet van toepassing zou zijn, heeft de inspecteur subsidiair gesteld dat dan ervan moet worden uitgegaan dat de rekeningen jaarlijks met f 25.000 afnemen.

4.6.3.1. Het ligt op de weg van de inspecteur om aannemelijk te maken dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Bij brief van 3 december 2015 heeft het Hof de inspecteur verzocht een cijfermatige onderbouwing te overleggen van zijn standpunt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. In zijn reactie van 7 december 2015 heeft de inspecteur gewezen op het verschil tussen de te betalen belasting op basis van de ingediende aangiften en de te betalen belasting op basis van de definitieve aanslagen en navorderingsaanslagen. Ter zitting heeft het Hof de inspecteur voorgehouden dat het uitgangspunt van zijn reactie niet juist is, omdat hij daarin het niet-doen van de vereiste aangifte mede baseert op aanslagen en navorderingsaanslagen die met toepassing van de omkering van de bewijslast zijn opgelegd. Dat zijn belastingaan-slagen die de inspecteur met toepassing van een schatting heeft vastgesteld. Bij die schatting geldt voor de hoogte van de belastingaanslag niet de aannemelijkheid ervan als maatstaf, maar de redelijkheid ervan. Voor de vraag of de vereiste aangifte is gedaan zal het Hof evenwel aannemelijkheid als maatstaf hanteren en derhalve voorbijgaan aan de cijfermatige uitwerking van de inspecteur in zijn brief van 7 december 2015.
Overigens heeft de inspecteur ter zitting van het Hof verwezen naar tot de stukken behorende – en op zichzelf niet door belanghebbende betwiste – gegevens over marktrenten en over rente die in de onderhavige jaren door KB-Lux werd vergoed en gesteld dat, uitgaande van het in januari 1994 aanwezige saldo op de rekeningen en van die rentegegevens, belanghebbende, door geen inkomsten en vermogen uit hoofde van die rekeningen aan te geven, niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.2. Bij de beoordeling of belanghebbende voor de in geschil zijnde jaren de vereiste aangiften ib/pvv en vb heeft gedaan gaat het Hof ervan uit dat de aangiftegegevens – niet weersproken door belanghebbende – zijn vermeld in de brief van de inspecteur van 7 december 2015 en bijlage 86 verweerschrift in eerste aanleg voor de jaren tot en met 2000. Voor de daaropvolgende jaren gaat het Hof uit van de tot de stukken behorende aangiften. Tevens gaat het Hof ervan uit dat belanghebbende voor alle jaren is uitgenodigd tot het doen van aangifte. De inspecteur heeft dit gesteld, hoewel hij niet in staat was kopieën van alle aangiften te overleggen. Hij baseert zijn stelling op het gegeven dat belanghebbende was beschreven voor de inkomsten- en vermogensbelasting, dat hij fiscaal als ondernemer werd aangemerkt en bekend was dat hij over vermogen beschikte. Het kan niet anders, aldus de inspecteur, of belanghebbende is uitgenodigd door het doen van aangifte. Belanghebbende heeft de stellingen van de inspecteur niet weersproken. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende voor alle in geding zijnde jaren is uitgenodigd om aangifte te doen.
Aan de omstandigheid dat de inspecteur niet van alle aangiften kopieën heeft overgelegd, verbindt het Hof – anders dan belanghebbende – verder geen gevolg, omdat de aangiftegegevens die voor de beoordeling van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan op zichzelf niet in geschil zijn.

4.6.3.3. Nu belanghebbende ondanks de daartoe strekkende verzoeken van de inspecteur geen informatie over de hoogte en het verloop van de rekeningen heeft verstrekt, zal het Hof bij de beoordeling of de vereiste aangifte is gedaan voorts de volgende uitgangspunten hanteren. Het Hof zal ervan uitgaan dat het saldo op de rekeningen per eind januari 1994
f 1.305.513 (€ 592.416) bedraagt en acht het vermoeden gerechtvaardigd dat dit saldo sedert die datum tot en met 2008 niet is afgenomen. Of het saldo op de rekeningen na januari 1994 is toegenomen laat het Hof bij de beoordeling van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan in het midden. Voor de tijdstippen 1 januari 1991, 1 januari 1992 en 1 januari 1993 zal het Hof uitgaan van lagere bedragen, overeenkomstig het voor deze jaren door de inspecteur ingenomen standpunt, te weten respectievelijk: f 1.012.513, f 1.105.057 en f 1.209.817.
Voor wat betreft de door belanghebbende op de rekeningen genoten inkomsten zal het Hof uitgaan van een jaarlijkse rente van 2,5%.
Genoemde 2,5% is bijna het laagste percentage over de periode 1993 tot en met 2000 dat blijkens een tot de stukken behorend overzicht door KB-Lux over bij haar aangehouden termijndeposito’s met een looptijd van 1 maand werd vergoed (‘Bijlage 2 Draaiboeken & Nieuwsbrieven geschoond’ bij het verweerschrift in eerste aanleg). Voorts zal het Hof, bij voldoende substantiële verschillen tussen aangegeven inkomens en inkomens die zouden moeten zijn aangegeven met bijtelling van niet aangegeven rente of vermogen, een ‘vertaling’ van deze exercitie in termen van verschuldigde belasting achterwege laten.
Deze uitganspunten brengen het Hof tot de volgende beoordeling.

4.6.3.4. Voor het jaar 1991 is aangegeven een inkomen van f 19.651. Bij een gemiddeld bedrag van de rekeningen van f 1.058.785 is aannemelijk dat hierop f 26.470 aan inkomsten is genoten. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 1991 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.5. Voor het jaar 1992 is aangegeven een inkomen van f 28.554. Bij een gemiddeld bedrag van de rekeningen van f 1.157.437 is aannemelijk dat hierop f 28.936 aan inkomsten is genoten. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 1992 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.6. Voor het jaar 1993 is aangegeven een inkomen van f 39.913. Bij een gemiddeld bedrag van de rekeningen van f 1.257.665 is aannemelijk dat hierop f 31.442 aan inkomsten is genoten. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 1993 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.7. Voor het jaar 1997 is aangegeven een inkomen van f11.199. Bij een gemiddeld bedrag van de rekeningen van f 1.305.513 is aannemelijk dat hierop f 32.638 aan inkomsten is genoten. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 1997 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.8. Voor het jaar 2000 is aangegeven een inkomen van f 117.448. Bij een gemiddeld bedrag van de rekeningen van f 1.305.513 is aannemelijk dat hierop f 32.638 aan inkomsten is genoten. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2000 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.9. Voor het jaar 1992 is aangegeven een vermogen van f 507.000. Niet aangegeven is een vermogen van f 1.105.057. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de vb 1992 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.10. Voor het jaar 1993 is aangegeven een vermogen van f 520.000. Niet aangegeven is een vermogen van f 1.209.817 Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de vb 1993 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.11. Voor het jaar 1994 is aangegeven een vermogen van f 549.000. Niet aangegeven is een vermogen van f 1.305.513. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de vb 1994 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.12. Voor het jaar 1998 is aangegeven een vermogen van f 271.000. Niet aangegeven is een vermogen van f 1.305.513. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de vb 1998 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.13. Voor het jaar 2001 is aangegeven een verzamelinkomen van € 55.081, inclusief een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.688. Niet aangegeven is een inkomen uit sparen en beleggen ter grootte van € 23.697. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2000 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.14. Voor het jaar 2002 is aangegeven een verzamelinkomen van € 76.227, inclusief een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.663. Niet aangegeven is een inkomen uit sparen en beleggen ter grootte van € 23.697. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2002 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.15. Voor het jaar 2003 is aangegeven een verzamelinkomen van € 57.480, inclusief een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.315. Niet aangegeven is een inkomen uit sparen en beleggen ter grootte van € 23.697. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2003 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.16. Voor het jaar 2004 is aangegeven een verzamelinkomen van € 58.040, inclusief een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.659. Niet aangegeven is een inkomen uit sparen en beleggen ter grootte van € 23.697. Het Hof acht dit bedrag relatief (hier en hierna: gerelateerd aan het verzamelinkomen) en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2004 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.17. Voor het jaar 2005 is aangegeven een verzamelinkomen van € 57.754, inclusief een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.349. Niet aangegeven is een inkomen uit sparen en beleggen ter grootte van € 23.697. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2005 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.18. Voor het jaar 2006 is aangegeven een verzamelinkomen van € 58.345, inclusief een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.733. Niet aangegeven is een inkomen uit sparen en beleggen ter grootte van € 23.697. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2006 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.19. Voor het jaar 2007 is aangegeven een verzamelinkomen van € 59.989, inclusief een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.229. Niet aangegeven is een inkomen uit sparen en beleggen ter grootte van € 23.697. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2007 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.20. Voor het jaar 2008 is aangegeven een verzamelinkomen van € 61.410, inclusief een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.252. Niet aangegeven is een inkomen uit sparen en beleggen ter grootte van € 23.697. Het Hof acht dit bedrag relatief en absoluut van een zodanige omvang dat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende voor de ib/pvv 2008 niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.6.3.21. Nu hiervoor belanghebbende voor de ib/pvv ter zake van al de in geschil zijnde jaren en voor de vb ter zake van de jaren 1992, 1993, 1994 en 1998, niet de vereiste aangifte heeft gedaan, dient hij overtuigend aan te tonen dat de bij uitspraak op bezwaar gehandhaafde belastingaanslagen niet juist zijn.

Hoogte van de aanslagen
4.7.1. Ter zake van de hoogte van de aanslagen ib/pvv 2001 tot en met 2008 heeft de rechtbank het navolgende overwogen:


“46. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomsten/vermogensbestanddelen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierin is geslaagd. Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat aan de schatting geen hoge eisen gesteld mogen worden, aangezien verweerder slechts beschikt over beperkte gegevens, namelijk de afdrukken van de microfiches, de bekende rentepercentages van KB-Lux en de gegevens die verkregen zijn van de meewerkende rekeninghouders. Verweerder heeft bij het vaststellen van de aanslagen de berekeningsmethodiek gehanteerd zoals die bij het zogeheten Rekeningenproject te doen gebruikelijk was en voor wat betreft de jaren tot en met 2000 is gesanctioneerd door de Hoge Raad in het arrest van 12 augustus 2011 (ECLI:Nl:HR:2011:BN6324) (overweging 4.4.2) en het arrest van 12 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6811). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belastbare inkomens uit sparen en beleggen over de onderhavige jaren op redelijke wijze geschat. Verweerder is voor de jaren 2001 tot en met 2008 voor de berekening van de correcties uitgegaan van het berekende saldo eind 2000 en heeft dat saldo verhoogd met een veronderstelde aangroei. De door verweerder gehanteerde oprenting van het (geschatte) vermogen acht de rechtbank redelijk.
De rechtbank acht ook de aanname dat de tegoeden hebben bestaan in de gehele periode van 2000 tot en met 2008 niet onredelijk, nu niets is komen vast te staan omtrent eventuele opheffing van de onderhavige rekening. Eiser heeft zijn stelling dat, gelet op zijn leeftijd, aannemelijk is dat hij het vermogen inmiddels (deels) heeft aangewend als appeltje voor de dorst, op geen enkele wijze geconcretiseerd laat staan onderbouwd.

47. Eiser voert nog aan dat de (latente) belastingschulden in box 3 in de jaren 2001 tot en met 2008 in aanmerking zouden moeten worden genomen. De wettelijke bepaling (artikel 5.3, derde lid, letter b, van de Wet IB 2001) waarin dit wordt uitgesloten is volgens eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals verwoord in het EVRM. Verplichtingen uit buitenlandse belastingverplichtingen kunnen immers wel in mindering op de rendementsgrondslag komen. De rechtbank stelt voorop dat artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd, en in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is.
Uit de parlementaire geschiedenis behorende bij de Wet IB 2001 volgt dat artikel 5.3, lid 3, letter b, van de Wet IB 2001 is opgenomen omdat (i) het in belangrijke mate de administratieve lasten en uitvoeringslasten voor zowel de burgers als de belastingdienst beperkt, (ii) het ingewikkelde herberekeningen van oude belastingschulden voorkomt en risico's van procedures beperkt, en (iii) zonder een dergelijke maatregel het bepalen van de omvang van de rendementsgrondslag onnodig complex zou worden. Met deze standpunten is de wetgever gebleven binnen de hiervoor bedoelde ruime beoordelingsmarge, ook al gelden de hiervoor weergegeven argumenten niet alle in dezelfde mate voor iedere soort van belastingschuld. Hierbij is van belang dat de hiervoor genoemde verdragsbepalingen niet vereisten dat zo uitgewerkte regelingen worden getroffen dat elke ongelijkheid of onevenredigheid in elke denkbare situatie wordt vermeden (vgl. Hoge Raad 2 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9673).”

4.7.2.

Bij gebreke aan andere informatie dan die betreffende de rekeningen is de inspecteur genoodzaakt geweest de belastingaanslagen schattenderwijs vast te stellen. Daarbij dient de inspecteur de redelijkheid in acht te nemen. Voor de navorderingsaanslagen ib/pvv 1991, 1992, 1993 en 1997, alsmede de navorderingsaanslagen vb 1992, 1993, 1994 en 1998, heeft de inspecteur de door hem gemaakte schatting bij brief aan belanghebbende van 16 mei 2003 als volgt toegelicht:


“Ik ben bij het vaststellen van de correctiebedragen uitgegaan van het saldo van de mij bekende buitenlandse rekening(en) op uw naam per eind 1994.
Dat bedrag heb ik contant gemaakt naar een vermogen per eind 1989. Ik heb aangenomen dat dit vermogen in het vierde kwartaal van 1989 volledig beschikbaar was en dat u dit vermogen belegd heeft in 12 maandsdeposito’s. Voor de jaren 1990, 1991, 1992 en 1993 ben ik ervan uitgegaan dat de vrijgekomen rente telkens weer belegd is tegen de geldende gemiddelde rente op een 12 maands termijndeposito. Voor die beleggingsvorm heb ik gekozen vanuit de benadering dat risicomijdend belegd is tegen een zo hoog mogelijke rente. In die jaren was de 12 maandsrente ongeveer gelijk of zelfs hoger dan de rente op staatsobligaties met een looptijd van 5 jaar.
Uit het renteverloop van 1992, 1993 en 1994 blijkt een stevige daling van de 12 maandsrente voor termijndeposito’s. Om die redenacht ik het aannemelijk dat u gezocht heeft naar een andere risicomijdende beleggingsvorm met hoog rendement. Die mogelijkheid bestond in het vierde kwartaal van 1994 in de vorm van staatsobligaties NL met een looptijd van 5 tot 8 jaar. Om die reden is bij de berekening van het rendement op uw vermogen vanaf 1-1-1995 uitgegaan van het rendement op die staatsobligaties. De jaarlijkse rente is in de berekening telkens herbelegd in dezelfde beleggingsvorm tegen de dan geldende rentevoet.
Voor de correcties vermogensbelasting is aansluiting gezocht bij het per 1 januari van elk jaar voor belegging beschikbare bedrag. De invloed van stortingen en onttrekkingen is buiten beschouwing gebleven.
Voor u leidt dit nu tot de volgende consequenties:
Middel en jaar correctie te betalen belasting
Inkomstenbelasting 1991 f 92.544 f 44.240
Inkomstenbelasting 1992 f 104.759 f 54.347
Inkomstenbelasting 1993 f 95.696 f 51.120
Inkomstenbelasting 1997 f 113.715 f 54.444
Inkomstenbelasting 2000 f 131.390 f 78.803

Vermogensbelasting 1992 f 1.105.057 f 8.136
Vermogensbelasting 1993 f 1.209.817 f 8.448
Vermogensbelasting 1994 f 1.305.513 f 8.696
Vermogensbelasting 1998 f 1.699.686 f 8.576

De gevolgen voor de heffingsrente kunt u terugvinden in het meegezonden totaaloverzicht.”


Voor de schatting van de inkomens over de jaren 2000 tot en met 2008 verwijst het Hof naar hetgeen daarover in de uitspraak van de rechtbank is vermeld.

4.7.4.1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur bij de gemaakte schattingen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van opnamen van de rekeningen. Volgens belanghebbende is het een feit van ‘algemene bekendheid’ dat een persoon met de leeftijd van belanghebbende (geboren 1933) en zonder partner of kinderen, geen ‘appeltje voor de dorst’ meer zou willen aanhouden of opbouwen. Op deze grond beschouwt belanghebbende het oprenten van de rekeningen niet als redelijk.

4.7.4.2. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat de heffing in box 3 over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, in het bijzonder vanwege de niet-aftrekbaarheid van belastingschulden voor de heffingsgrondslag van dat inkomen, onverbindend is wegens strijd met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM.

4.7.5.

De inspecteur heeft geconstateerd dat de rechtbank voor het jaar 2000 zijn schatting heeft gevolgd. De voor dit jaar gevolgde methode is volgens de inspecteur ook door de Hoge Raad gevolgd. Voor wat betreft de gestelde schending van artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM verwijst de inspecteur eveneens naar het oordeel van de rechtbank.

4.7.6.1. Voor wat betreft de redelijkheid van de schattingen van de inspecteur sluit het Hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank. Waar dit oordeel betrekking heeft op de aanslag ib/pvv 2000, geldt dat voor de navorderingsaanslagen ib/pvv 1991, 1992, 1993 en 1997 van dezelfde methode is uitgegaan. Ook voor deze navorderingsaanslagen acht het Hof de door de inspecteur gevolgde methode van schatting niet onredelijk. Dat geldt eveneens voor de navorderingsaanslagen vb. In dit verband kan er – anders dan belanghebbende meent – niet als vanzelfsprekend van worden uitgegaan dat iemand die zich in de positie bevindt (ook qua leeftijd) als die van belanghebbende, jaarlijks gelden aan de rekening onttrekt. Uit de aangiftegegevens van belanghebbende blijkt dat hij buiten de geschatte inkomsten uit hoofde van de rekeningen ook over andere inkomsten beschikte, zodat de veronderstelling dat er onttrekkingen (noodzakelijk) zouden zijn geweest nadere onderbouwing behoefde.
Deze onderbouwing is echter uitgebleven. Dat zou wellicht anders zijn geweest als belanghebbende antwoord had gegeven op de door de inspecteur gestelde vragen, als vermeld onder 2.12, maar dat heeft hij nu juist niet gedaan.

4.7.6.2. De stelling dat de aanslagen ib/pvv voor de jaren 2001 en volgende, waar het betreft de heffing naar inkomen uit sparen en beleggen, in strijd zouden zijn met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM verwerpt het Hof op de gronden die daarvoor in de uitspraak van de rechtbank zijn gegeven.
Ook overigens is belanghebbende niet erin geslaagd overtuigend aan te tonen dat de bij uitspraak op bezwaar gehandhaafde belastingaanslagen niet juist zijn

Boeten
4.8.1.1. Met betrekking tot de in geschil zijnde boeten heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:


“48. Verweerder heeft boetes opgelegd van 100%.
Op grond van de artikelen 67d en 67e van de AWR en de bepalingen uit het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) bedraagt de boete bij opzet in beginsel 50% van de boetegrondslag, tenzij sprake is van een strafverzwarende omstandigheid. In dat geval bedraagt de boete 100%. Verweerder heeft aangevoerd dat eiser er bewust voor heeft gekozen een bankrekening te openen in een land met bankgeheim teneinde aldus het tegoed en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor verweerder verborgen te houden. Gelet hierop en op de omstandigheid dat het om omvangrijke bedragen gaat, is volgens verweerder sprake van strafverzwarende omstandigheden.
In casu is sprake van een zeer aanzienlijk vermogen, namelijk een termijndeposito met op 31 januari 1994 een saldo van f 1.304.217 en een zichtrekening met een saldo op genoemde datum van f 1.294. Gelet op de omvang van het deposito en de aard van deze rekening acht de rechtbank verweerder geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat eiser vanaf 1 januari 1994 beschikte over de twee rekeningen vermeld op de afdruk van de microfiches.

De rechtbank acht aannemelijk dat eiser het sinds 31 januari 1994 aanwezige vermogen ook nadien heeft aangehouden in het buitenland.
Voorts acht de rechtbank verweerder geslaagd in het bewijs van zijn standpunt dat het aan opzet van eiser is te wijten dat de ingediende aangiften als gevolg hadden dat op grond daarvan te weinig belasting zou worden betaald. Het gebruikmaken van een aparte bankrekening in een land met een bankgeheim strekte, naar mag worden aangenomen, tot doel die tegoeden buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. Op grond hiervan wordt dan ook aangenomen dat eiser wist dat tegoeden en inkomsten van een buitenlandse bankrekening moeten worden aangegeven bij de Nederlandse fiscus. Dat de tegoeden in het buitenland zijn aangehouden met het doel deze buiten het zicht van verweerder te houden, vormt voorts een strafverzwarende omstandigheid, zodat in beginsel boetes van 100% gerechtvaardigd zijn.
Eiser beroept zich op het gelijkheidsbeginsel met de stelling dat belastingplichtigen (tot 1 juli 2014) boetevrij konden inkeren ten aanzien van hun gerechtigheid tot buitenlandse vermogens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn gedragslijn om zogenoemde meewerkers lager te beboeten dan niet-meewerkers, het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De situatie van een meewerker is niet gelijk aan die van een niet-meewerker. Voor de verschillende behandeling is een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Eiser had ervoor kunnen kiezen opening van zaken te geven, in welk geval de lagere boete op hem van toepassing zou zijn geweest. Nu hij ervoor heeft gekozen geen opening van zaken te geven, kan niet geoordeeld worden dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door hem deze begunstiging te ontzeggen.

49. Bij de vraag of de opgelegde boetes passend en geboden zijn moet rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden hoort, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008 (nr. 41832, ECLI:NL:HR: BC1962), de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook de omstandigheid dat de zogenoemde omkering van de bewijslast daarbij is toegepast. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetegrondslag te matigen met 5%.

50. Eiser heeft aangevoerd dat de boetes gematigd dienen te worden omdat rekening gehouden moet worden met het gegeven dat meerdere feiten tegelijkertijd worden bestraft die een oorzakelijk verband met elkaar hebben. De rechtbank verwerpt deze stelling. Eiser had ieder jaar de keuze om de vermogensbestanddelen in het buitenland al dan niet in zijn aangifte op te nemen. Hij heeft er zelf iedere keer voor gekozen dit niet te doen. Met betrekking tot het beroep van eiser op het ne-bis-in-idembeginsel overweegt de rechtbank dat alle navorderingsaanslagen en boetes die betrekking hebben op de jaren waarvoor eiser ook in een strafrechtelijke procedure betrokken is geweest zijn vernietigd. De in geding zijnde aanslagen zien alle op jaren die niet betrokken zijn geweest in een strafrechtelijke procedure.
De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat de vrijspraak in de strafzaak ertoe zou moeten leiden dat alle boetes dienen te worden vernietigd op de grond dat zij alle verband houden met hetzelfde feit, namelijk met het niet vermelden in de belastingaangiftes van het saldo op een buitenlandse bankrekening. Nog daargelaten dat niet bekend is of de strafrechter over alle stukken beschikte waarover de belastingrechter in de onderhavige zaken beschikt, staat het de belastingrechter vrij een eigen beoordeling van het bewijs te maken en is hij daarbij op geen enkele wijze gebonden aan het oordeel van de strafrechter.

Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke situatie van eiser, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een strafverminderende omstandigheid die reden is de boetes te verminderen.
De rechtbank acht een matiging van de boetes met 5% dan ook voldoende.”


4.8.1.2. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank dat de inspecteur heeft verklaard dat de verhogingen begrepen in de navorderingsaanslagen ib/pvv 1991, ib/pvv 1992, vb 1992 en vb 1993 dienen te vervallen. Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting van het Hof verklaard dat dit standpunt nog niet is geëffectueerd. Het Hof zal derhalve overeenkomstig het door de inspecteur ter zitting van de rechtbank ingenomen standpunt beslissen.

4.8.2.1. Met betrekking tot de overige verhogingen/boeten heeft belanghebbende gesteld dat deze tot nihil moeten worden gematigd, omdat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de inkeerregeling, terwijl belastingplichtigen met vermogen in het buitenland waarmee de Belastingdienst in 2013 nog niet bekend was wel een beroep op de inkeerregeling hebben kunnen doen met matiging van de boete tot nihil. Belanghebbende acht deze gang van zaken in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

4.8.2.2. Voorts heeft belanghebbende in eerste aanleg gesteld – en het Hof gaat ervan uit dat belanghebbende heeft bedoeld dit verweer in hoger beroep te herhalen – dat van belanghebbende niet het bewijs kan worden verlangd van de afwezigheid van de rekeningen, nu die rekeningen er volgens hem niet zijn geweest. Daarnaast heeft belanghebbende – naar het Hof begrijpt – voor het jaar ib/pvv 1993 gesteld dat de inspecteur met aanvullend bewijs dient te komen, omdat de informatie betreffende de rekeningen waarop hij zich baseert betrekking heeft op 1994.

4.8.2.3. Voor zover enige boete in stand blijft bepleit belanghebbende een matiging met ten minste 40%.

4.8.3.

Met betrekking tot de door belanghebbende gestelde schending van het gelijkheids-beginsel verwijst de inspecteur naar de overwegingen van de rechtbank. Voor het overige gaat het Hof ervan uit dat de inspecteur zijn verweer van eerste aanleg handhaaft.

4.8.4.1. Met betrekking tot de boeten stelt het Hof voorop dat op de inspecteur de last rust om te bewijzen dat belanghebbende inkomsten en vermogensbestanddelen heeft verzwegen en dat het aan opzet is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Naar het oordeel van het Hof is de inspecteur geslaagd in het bewijs van het houden van de rekeningen door belanghebbende in 1994 en aangezien het rekeningen bij een financiële instelling betreft, is ook aannemelijk te achten dat daarop rente is genoten. Het gaat hierbij om aanzienlijke bedragen, nu is komen vast te staan dat het saldo van de rekeningen in januari 1994
f 1.305.513 bedroeg (een termijndeposito van f 1.304.217 en een zichtrekening met een saldo van f 1.294). Evenals de rechtbank acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de rekeningen na 1994 heeft aangehouden, dat daarop rente is bijgeschreven en dat belanghebbende aldus heeft beschikt over wassende vermogensbestanddelen waarop rente-inkomsten zijn genoten. Voorts acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende ook in 1993 over de rekeningen heeft beschikt.

4.8.4.2. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de ingediende aangiften ertoe leidden dat te weinig belasting zou worden geheven, nu de rekeningen niet in de door hem ingediende aangiften zijn vermeld. Daarbij weegt zwaar dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van rekeningen bij een bank die was gevestigd in een land met bankgeheim. Evenals de rechtbank beschouwt het Hof dit als een strafverzwarende omstandigheid die verhogingen van 100% zonder kwijtschelding respectievelijk boeten van 100% rechtvaardigt.

4.8.4.3. Het beroep van belanghebbende op toepassing van het gelijkheidsbeginsel wijst het Hof af op grond van hetgeen de rechtbank daartoe onder 48 heeft overwogen.

4.8.4.4. In de omstandigheid dat bij de beoordeling van het geschil over de belastingaansla-gen de omkering van de bewijslast is toegepast, welk oordeel doorwerkt in de grondslag van de boeten, ziet het Hof in dit geval reden die verhogingen (na kwijtschelding)/boeten met 20% te matigen. Het Hof acht de aldus vast te stellen verhogingen (na kwijtschelding)/boeten passend en geboden en ziet voor het overige geen reden voor een verdere matiging van de verhogingen (na kwijtschelding)/ boeten. In zoverre sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank in onderdeel 50 van haar uitspraak.

Redelijke termijn (verhogingen en boeten)
4.9.1. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“51. Op grond van de uitgangspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37 984 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006) heeft voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het aanvangstijdstip van de termijn is het tijdstip waarop verweerder een handeling verricht waaraan eiser in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem een boete zou worden opgelegd. De rechtbank legt de aanvang van de termijn bij de brief van verweerder van 16 mei 2003, waarbij verweerder aan eiser een kennisgeving heeft verstuurd waarin het voornemen is geuit (navorderings)aanslagen ib/pvv over de jaren 1991 tot en met 1993, 1997 en 2000 en vb 1992 tot en met 1994 en 1998 op te leggen.
Uit de overgelegde stukken volgt dat van de zijde van eiser direct in het bezwaarschrift van 9 juli 2003 en nadien ook ten aanzien van alle in geding zijnde (navorderings)aanslagen is ingestemd met aanhouding van de bezwaarschriften totdat op de door [Q.] ingestelde procedures over de verlengde navorderingstermijn onherroepelijk zou zijn beslist.
Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de redelijke termijn is opgeschort tot 25 februari 2010, de datum waarop de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de [Q.] . Dit geldt voor de aanslagen ib/pvv 2000 tot en met 2006.
Uitgaande van de hiervoor genoemde datum van 25 februari 2010 zijn sindsdien ruim vijf jaren verstreken. Voor de jaren 2007 en 2008 is op 1 december 2010 een kennisgeving van het navorderingsvoornemen verzonden. Ook voor die jaren bedraagt de overschrijding dus meer dan twee jaar.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat bij een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar of meer, een compensatie van 20% wordt verleend.
De rechtbank ziet geen reden de termijnoverschrijding geheel dan wel gedeeltelijk gerechtvaardigd te achten door de ingewikkeldheid van de zaak of andere omstandigheden. Dit betekent dat de boetes, na vermindering met 5% vanwege het feit dat zij met toepassing van omkering van de bewijslast zijn opgelegd, in verband met overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar, verder moeten verminderd met 20%.
Het voorgaande leidt ertoe dat de boetes moeten worden verminderd tot op de volgende bedragen:
2000: f 59.890
2001: € 8.587
2002: € 9.158
2003: € 9.715
2004: € 10.104
2005: € 10.045
2006: € 9.929
2007: € 10.792
2008: € 11.244”

4.9.2.

Het Hof volgt de overweging van de rechtbank over de redelijke termijn en constateert dat met de behandeling van het hoger beroep geen verdere overschrijding van de redelijke termijn is opgetreden, met dien verstande dat bij de uitspraak op bezwaar reeds met de vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn is rekening gehouden.
Deze overweging geldt ook voor de verhogingen (na kwijtschelding) die zijn opgelegd naast de in geschil zijnde navorderingsaanslagen. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de boeten moeten worden verminderd tot op de volgende bedragen:

1991 ib/pvv: f nihil
1992 ib/pvv: f nihil
1993 ib/pvv: f 32.716
1997 ib/pvv: f 34.844
1992 vb : f nihil
1993 vb : f nihil
1994 vb : f 5.565
1998 vb : f 5.488
2000 ib/pvv: f 50.433
2001 : € 7.231
2002 : € 7.712
2003 : € 8.181
2004 : € 8.509
2005 : € 8.459
2006 : € 8.361
2007 : € 9.088
2008 : € 9.468


Heffingsrente
4.10.1. Met betrekking tot de heffingsrente heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“52. Eiser heeft verzocht om vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente vanwege de lange behandelingsperiode. Dienaangaande overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de heffingsrente is berekend tot aan het moment waarop de aanslagen zijn vastgesteld. De periode erna heeft derhalve geen invloed meer op de hoogte van de in rekening gebrachte heffingsrente.

Met betrekking tot de duur van de aanslagregeling geldt het volgende. Uit de wetsgeschiedenis van de bepalingen over heffingsrente blijkt dat de berekening van heffingsrente, zowel het in rekening brengen als het vergoeden, is bedoeld ter compensatie van niet genoten rente door de belastingplichtige dan wel de Schatkist. Wanneer heffingsrente in rekening wordt gebracht heeft de belastingplichtige gedurende de periode waarover de heffingsrente wordt berekend de mogelijkheid gehad om over dat geld rente te ontvangen bij een bank. Gedurende die periode behoorde het belastingbedrag eigenlijk toe aan de Schatkist en heeft de Schatkist daarom gedurende die periode geen rente over dat bedrag kunnen ontvangen. Ter compensatie wordt heffingsrente in rekening gebracht aan de belastingplichtige ongeacht de vraag of de belastingplichtige daadwerkelijk rente heeft gekweekt. De enkele omstandigheid dat de juiste vaststelling van de verschuldigde belasting niet aanstonds heeft plaatsgevonden, vormt in beginsel derhalve geen reden om de daarmee gepaard gaande heffingsrente achterwege te laten of te beperken. Het achterwege laten of beperken van de in rekening gebrachte heffingsrente kan pas aan de orde komen waarin het in rekening brengen van heffingsrente het gevolg is van zozeer handelen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, dat het vergoeden van rente redelijkerwijze niet meer van de belastingplichtige mag worden verwacht.
Eiser heeft geen gronden aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van (zodanig) onzorgvuldig handelen van de zijde van verweerder en de rechtbank is ook niet gebleken dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verweerder handelt niet onzorgvuldig door - in overeenstemming met de wet - heffingsrente in rekening te brengen wanneer hij een onjuiste aangifte, al dan niet middels een navorderingsaanslag, corrigeert. Uit het vorenoverwogene volgt dat de grief van eiser tegen de in rekening gebrachte heffingsrente niet slaagt.”

4.10.2.

Nu belanghebbende in hoger beroep geen afzonderlijke grief tegen het oordeel van de rechtbank over de heffingsrente heeft aangevoerd, zal het Hof dit oordeel volgen.

Vergoeding van immateriële schade
4.11.1. Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“53. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.


54. Uit genoemd arrest volgt dat de redelijke termijn in beginsel is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaar is verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Het uitgangspunt dat de redelijke termijn in beginsel twee jaar bedraagt, neemt niet weg dat de met de beslechting van het geschil gemoeide termijn mede afhankelijk is van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de belastingplichtige of diens gemachtigde op het procesverloop.


55. De gezamenlijk behandelde zaken hebben (en hadden in bezwaar) in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk in het buitenland aangehouden spaartegoeden welke niet in de betreffende aangiftes waren aangegeven. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift (gedateerd op 9 juli 2013), ingekomen bij verweerder op 24 juli 2003 (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540). Dit betrof het bezwaarschrift tegen de (navorderings)aanslagen ib/pvv 1991, 1992, 1993, 1997 en 2000 en vb 1992 tot en met 1994 en 1998.
Uit de feiten volgt dat van de zijde van eiser ten aanzien van alle in geding zijnde (navorderings)aanslagen is ingestemd met aanhouding van de bezwaarschriften totdat op de door [Q.] ingestelde procedures over de verlengde navorderingstermijn onherroepelijk zou zijn beslist. Gesteld noch gebleken is dat (de gemachtigde van) eiser op enig moment die instemming heeft herroepen of anderszins verweerder heeft verzocht om uitspraak op bezwaar te doen.
Dit brengt met zich dat ten aanzien van alle in geding zijnde (navorderings)aanslagen voor de aanvang van de redelijke termijn de facto moet worden uitgegaan van 25 februari 2010, de datum waarop de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de [Q.] . Vanaf die datum tot aan de uitspraak van de rechtbank is meer dan vijf jaar maar minder dan vijfeneenhalf jaar verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn is derhalve meer dan drie jaar maar minder dan drieënhalf jaar.
In een geval als het onderhavige waarin meerdere zaken van een belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp gezamenlijk zijn behandeld, wordt voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. De rechtbank is van oordeel dat daarom voor de procedures kan worden volstaan met de toekenning van een schadevergoeding van éénmaal € 500 per half jaar. Niet aannemelijk is dat eiser zo veel meer spanning en frustratie heeft ondervonden doordat sprake is van meerdere (navorderings)aanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetes dat daarmee een hogere vergoeding dan in totaal € 3.500 gerechtvaardigd is.

56. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013: BX6666) en 9 augustus 2013, nr. 12/06009 (ECLI:NL:HR:2013:199) is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. Gelet op het feit dat de termijn (de facto) op 25 februari 2010 is aangevangen en verweerder op 26 april 2013 uitspraak heeft gedaan, komt de overschrijding van de redelijke termijn grotendeels voor rekening van verweerder. De rechtbank heeft op 7 juni 2013 het beroepschrift ontvangen en de uitspraak dateert van 22 april 2015. Hiermee heeft de rechtbank de ‘beroepstermijn’ van anderhalf jaar met enkele maanden overschreden. Van de totale overschrijding van drieënhalf jaar rekent de rechtbank drie jaar toe aan verweerder en een half jaar aan de rechtbank.”

4.11.2.

Nu belanghebbende in hoger beroep geen afzonderlijke grief tegen het oordeel van de rechtbank over de vergoeding van immateriële schade heeft aangevoerd, zal het Hof dit oordeel volgen. Daarbij is van belang dat de in dit verband in aanmerking te nemen redelijke termijn in hoger beroep niet verder is overschreden.

Slotsom
4.12. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het hoger beroep van belanghebbende, het hoger beroep van de inspecteur gegrond en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond zijn. De gegrondheid van het hoger beroep van de inspecteur leidt ertoe dat de navorderingsaanslagen gehandhaafd dienen te blijven.
De gegrondheid van het hoger beroep en van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van belanghebbende leidt ertoe dat de verhogingen (na kwijtschelding)/boeten die de rechtbank heeft vastgesteld verder moeten worden verminderd.
Voor het overige zal het Hof de uitspraak van de rechtbank in stand laten.

Proceskosten
5.1. Het Hof ziet ter zake van de toekenning van proceskosten door de rechtbank, anders dan belanghebbende, geen reden om te treden in de door de rechtbank toegepaste factor voor zwaarte. Toekenning van een hogere factor voor het element zwaarte had ook gekund, maar de marge waarover de rechtbank bij de toekenning van proceskosten beschikt acht het Hof niet overschreden.

5.2.

Het Hof zal de inspecteur veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. Nu het samenhangende zaken betreft zal het Hof voor de berekening van de hoogte van de vergoeding op de voet van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) ervan uitgaan dat de zaken één zaak zijn. De kosten zijn op de voet van het Besluit vastgesteld op € 3.906 (= 1 hogerberoepschrift, 1 voorwaardelijk incidenteel hoger beroepschrift, 1/2 conclusie van repliek, 1 verschijnen ter zitting x € 496 waarde per punt x 1,5 wegingsfactor x 1,5 samenhangende zaken).

6
6. Beslissing

Het Hof:

-
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover deze uitspraak betrekking
heeft op het handhaven van aanslagen ib/pvv 2000 tot en met 2008 en de daarop betrekking
hebbende beschikkingen heffingsrente, de vergoeding van proceskosten in bezwaar en
beroep, de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van griffierecht;
- verklaart de bij de rechtbank ingediende beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- handhaaft de navorderingsaanslagen en de daarop betrekking hebbende beschikkingen
heffingsrente, behoudens de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen;
- vermindert de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen, na kwijtschelding, als
volgt:

- ib/pvv 1991: nihil
- ib/pvv 1992: nihil
- ib/pvv 1993: f 32.716
- ib/pvv 1997: f 34.844
- vb 1992 : f nihil
- vb 1993 : f nihil
- vb 1994 : f 5.565
- vb 1998 : f 5.488

- vermindert de boetebeschikkingen als volgt:

- ib/pvv 2000: f 50.433
- ib/pvv 2001: € 7.231
- ib/pvv 2002: € 7.712
- ib/pvv 2003: € 8.181
- ib/pvv 2004: € 8.509
- ib/pvv 2005: € 8.459
- ib/pvv 2006: € 8.361
- ib/pvv 2007: € 9.088
- ib/pvv 2008: € 9.468

-
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van
€ 3.906;

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het ter zake van het hoger beroep betaalde
griffierecht ad € 123 vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, H.E. Kostense en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 28 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c . een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.