Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4148

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
BK 15/00529 en 530
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:258
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dezelfde belanghebbende als van de zaak Hof Amsterdam 15/00506 t/m 15/00513 en 15/00520 t/m 15/00528) heeft voor de jaren 2009 en 2010 niet voldaan aan een verzoek om inlichtingen te verstrekken. Op deze grond heeft de inspecteur terecht in een informatiebeschikking vastgesteld dat niet is voldaan aan de verplichting van art. 47 AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2456
NTFR 2017/161 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 15/00529 en 15/00530

28 april 2016

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A ] . [B] . [C] te [PLAATS] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. J.K.A. van Loo (Labré advocaten) te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 22 april 2015 met kenmerk HAA 13/3256 en 14/1972 (hierna: de uitspraak van de rechtbank),

in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 17 september 2012 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) genomen met betrekking tot een op te leggen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) voor het jaar 2009 (HA 13/3256; kenmerk Hof: 15/00529).

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 22 juli 2013 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) genomen met betrekking tot een op te leggen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) voor het jaar 2010 (HA 14/1972; kenmerk Hof: 15/00530).

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 13 juni 2013, de informatiebeschikking 2009 gehandhaafd.

1.4.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 9 april 2014, de informatiebeschikking 2010 gehandhaafd.

1.5.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de hiervoor vermelde uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na het onherroepelijk worden van de uitspraak te voldoen aan de in de beschikkingen van 17 september 2012 en 22 juli 2013 opgenomen verplichtingen.

1.6.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep van belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 28 mei 2015 en aangevuld bij brief van 26 juni 2015.

1.7 .

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig plaatsgevonden met dat in de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2015, HAA 13/2658 t/m 13/2674, kenmerk Hof 15/0056 t/m 15/00513 en 15/00520 t/m15/00528 inzake belastingaanslagen en boeten over voorgaande jaren.

2
2. Feiten

2.1.

In de onderdelen 1 tot en met 13 van de uitspraak van de rechtbank zijn de navolgende feiten vastgesteld; belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’:

“1. Eiser is geboren op [DATUM] 1933 en woonachtig in [PLAATS] op het adres [ADRES] .

2. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie van het Koninkrijk België aan de Nederlandse Belastingdienst spontaan inlichtingen verstrekt over rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (hierna ook: KB-Lux). De informatie bevatte circa 20.000 bankrekeningen van circa 10.200 Nederlandse rekeninghouders, van wie een aantal codenamen gebruikte.
Eind 2001 is het Rekeningenproject van start gegaan.

3. Tot de stukken behoren:

- afdrukken van een microfiche, afkomstig van de KB-Lux met de vermelding:

[KENMERK 1] TER LDO [A ] [C] 1.304.217,85

[KENMERK 2] VUE [A ] [C] 1.294,99

- een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 6 oktober 2001 van een medewerker van de Belastingdienst FIOD-ECD met de volgende passage:

“Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor:

[A ] [C] ;

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt als enige hit naar voren:

Hr. [A ] . [C] , sofinr. [...]

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux inclusief sofinummer met RDW-bestand komt de volgende hit naar voren:

[A ] [C] .”

4. Uit het zogenoemde Rekeningenproject is naar voren gekomen dat de genoemde microfiches betrekking hebben op bij KB-Lux aangehouden saldi per eind januari 1994.

5. Eiser heeft op 9 maart 2011 aangifte ib/pvv over 2009 gedaan en op 9 februari 2011 aangifte ib/pvv over 2010. Hij heeft in deze aangiftes geen melding gemaakt van in het buitenland aangehouden rekeningen.

6. Op 14 juni 2012 heeft verweerder met betrekking tot het belastingjaar 2009 vragen gesteld aan eiser. Eiser heeft als reactie hierop bij brief van 16 juni 2012 verzocht om de aanslagregeling over het jaar 2009 aan te houden, in verband met lopende fiscale procedures over eerdere jaren.


7. Vervolgens heeft verweerder voor het jaar 2009 bij brief van 17 september 2012 een informatiebeschikking genomen.

8. Op 11 juli 2013 heeft verweerder met betrekking tot het belastingjaar 2010 een vragenbrief aan eiser gestuurd.

9. Eiser heeft in zijn reactie hierop van 15 juli 2013 aangegeven geen rekening in het buitenland te hebben en daarom de vragen niet te kunnen beantwoorden.

10. Vervolgens heeft verweerder voor het jaar 2010 bij brief van 22 juli 2013 een informatiebeschikking genomen.”


Het Hof zal ook uitgaan van de hiervoor vermelde feiten en voegt daar nog de volgende feiten aan toe.

2.2.

In de brief aan belanghebbende van 14 juni 2012 heeft de inspecteur onder verwijzing naar de op te leggen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) voor het jaar 2009 [na verwijzing naar een door belanghebbende in 1994 aangehouden bankrekening bij Kredietbank Luxemburg (KB-Lux)] de volgende vragen gesteld:


“1. Is deze bankrekening in 2009 nog steeds door u aangehouden?
2. Zo ja, wat was het saldo (…) op 1 januari en 31 december 2009?
3. Zo nee, waar wordt het eerder op de KBL-rekening gestalde vermogen in 2009 aangehouden?
4. Wat was het saldo van die andere rekeningen op 1 januari en 31 december 2009?
5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?
6. Heeft u nog andere buitenlandse bankrekeningen, waar geen opgaaf van gedaan is?
7. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen.”

2.3.

Bij brief aan de inspecteur van 16 juni 2012 heeft belanghebbende verzocht de aanslagregeling 2009 aan te houden in afwachting van de uitspraken in de procedures over voorgaande jaren. Voorts bevat deze reactie geen antwoord op de door de inspecteur gestelde vragen.

2.4.

In de brief aan belanghebbende van 11 juli 2013 zijn over het jaar 2010 (overigens) dezelfde vragen gesteld als in de brief van 14 juni 2012.

3
3. Geschil in hoger beroep

In geschil is, evenals voor de rechtbank, of de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen.

4
4. Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het geschil als volgt beoordeeld:


“14. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a van de AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan. Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.

15. Bij uitspraak van heden in de zaken met zaaknummers HAA 13/2658 t/m 13/2674 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser gerechtigd is (geweest) tot een bankrekening bij de KB-Lux. Aan de enkele ontkenning van eiser in dezen hecht de rechtbank geen geloof.

16. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zijn voor de vaststelling van de voor de jaren 2009 en 2010 aan eiser op te leggen aanslagen ib/pvv. Hieraan kan niet afdoen de enkele omstandigheid dat de afdrukken van de microfiche gegevens bevatten over het jaar 1994, nu uit die omstandigheid niet kan worden afgeleid dat de gevraagde gegevens en inlichtingen niet (meer) van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van eiser voor de onderhavige jaren. Het valt immers niet uit te sluiten dat eiser in jaren na 1994 nog steeds houder was van de gewraakte bankrekening. Nu het voorts een algemene ervaringsregel is dat buitenlandse bankrekeningen voor een periode van meerdere jaren worden aangehouden, vraagt dit om een nadere toelichting van de zijde van eiser.

17. Eiser voert aan dat de afdrukken van de microfiche, zeker zolang in de overige procedures nog niet onherroepelijk is beslist, geen grond kunnen vormen voor omkering van de bewijslast in de jaren 2009 en 2010.

De rechtbank overweegt dat in de onderhavige procedure louter beoordeeld moet worden of de informatiebeschikkingen terecht zijn afgegeven. De vraag of ten aanzien van de aanslagen 2009 en 2010 omkering en verzwaring van de bewijslast mag worden toegepast, komt pas aan de orde in een eventuele procedure over de belastingaanslagen.

Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van rechtbank Breda (12/1937). In die zaak heeft de rechtbank, anders dan in de onderhavige zaak, geoordeeld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de belanghebbende in 1994 gerechtigd was tot de banktegoeden; dat oordeel brengt vervolgens mee dat verweerder evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de belanghebbende de vragen niet naar waarheid heeft beantwoord.
In casu is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het feit dat er slechts één persoon in Nederland woonachtig blijkt te zijn met de achternaam [C] en de voorletter [A ] , hetgeen eiser naar voren heeft gebracht onvoldoende is om te twijfelen aan het door verweerder geleverde bewijs dat eiser de rekeninghouder is geweest.

18. Tot slot beroept eiser zich erop dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door ten aanzien van de onderhavige jaren vragen te stellen, terwijl over eerdere jaren nog beroepsprocedures bij de rechtbank lopen. Iedere belastingaanslag staat op zichzelf en ten aanzien van ieder jaar dient beoordeeld te worden of verweerder gerechtigd is een informatiebeschikking af te geven. Evenmin is sprake van schending van het beginsel van détournement de pouvoir. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat er, ook voor de jaren 2009 en 2010, een potentieel fiscaal belang van voldoende omvang ten aanzien van eiser is bij kennisname van de gevraagde gegevens. Voor het door eiser geuite vermoeden dat verweerder de vragen heeft gesteld met het oog het bewijs rond te krijgen voor de jaren vóór 2009, heeft de rechtbank dan ook geen enkele aanleiding.

19. Onder de hiervoor vermelde omstandigheden rust op eiser ingevolge artikel 47, eerste lid, van de AWR de verplichting de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Eiser heeft niet aan de verplichting tot verstrekking van gegevens en inlichtingen voldaan en zal daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld.

20. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de informatiebeschikkingen terecht zijn afgegeven, zodat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.”

4.2.1.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn genomen, omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 1994 gerechtigd was tot banktegoeden bij KB-Lux. Belanghebbende acht het daartoe door de inspecteur bijgebrachte bewijs onvoldoende.
Voorts wijst belanghebbende erop dat de navorderingsaanslagen 1994, 1995 en 1996 door de inspecteur zijn vernietigd, zodat er ook in zoverre geen grond bestaat voor de genomen informatiebeschikkingen.

4.2.2.

Naast de betwisting van het (in 1994) gerechtigd zijn tot rekeningen bij KB-Lux, acht belanghebbende het relevant dat hij door (de strafkamer van) het Hof is vrijgesproken van belastingfraude, terwijl in die zaak dezelfde bewijsmiddelen voorhanden waren als in de belastingzaken. Belanghebbende meent dat de belastingrechter de strafrechter dient te volgen en ziet zich in dit standpunt gesteund door het arrest EHRM 23 oktober 2014, Melo Tadeu tegen Portugal, nr. 27785/10 en de uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2014, nr. 13/01227, ECLI:NL:GHARL:2014:9826.

4.2.3.

Belanghebbende acht het onrechtmatig en in strijd met algemene beginselen van procesrecht (HR 10 februari 1988, nr. 23.925, BNB 1988/160) dat de inspecteur over de jaren 2009 en 2010 vragen stelt en een informatiebeschikking neemt, terwijl over voorafgaande jaren waarin dezelfde geschilpunten aan de orde zijn nog wordt geprocedeerd. Voorts heeft belanghebbende aangevoerd dat de inspecteur in andere procedures – het betreft de zaken met kenmerk 15/00506 t/m 15/00513 en 15/00520 t/m 15/00528 – heeft gesteld dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat daaruit volgt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn genomen.

4.3.1.

De inspecteur wijst erop dat de rechtbank Noord-Holland in haar uitspraak van 22 april 2015 met kenmerk HAA 13/2658 t/m 13/2674 heeft geoordeeld dat het aannemelijk was dat belanghebbende in 1994 houder was van rekeningen bij KB-Lux en dat de rechtbank op basis van die uitspraak heeft geoordeeld dat de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen.

4.3.2.

De vernietiging van de navorderingsaanslagen ib/pvv 1994, 1995, 1996, 1998 en 1999, alsmede van de navorderingsaanslagen vb 1995, 1996, 1997 en 1999 is volgens de inspecteur gebaseerd op het niet voldoen aan het voortvarendheidscriterium dat bij de toepassing van artikel 16, vierde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in acht moet worden genomen. Voor de onderhavige jaren ligt dat anders.

4.3.3.

De vrijspraak van belanghebbende in de strafrechtelijke procedure leidt volgens de inspecteur niet tot de conclusie dat belanghebbende in 1994 niet gerechtigd was tot rekeningen bij KB-Lux. De inspecteur verwijst ook op dit punt naar de uitspraak van de rechtbank.

4.3.4.

Voorts heeft de inspecteur betwist dat algemene beginselen van procesrecht dan wel algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan de informatiebeschikkingen in de weg staan.

4.4.1.

Het Hof heeft in een uitspraak van heden ten aanzien van belanghebbende met kenmerk 15/00506 t/m 15/00513 en 15/0020 t/m 15/00528 aannemelijk geacht dat belanghebbende in 1994 over een rekening bij KB-Lux beschikte, zoals ook vermeld in de uitspraak van de rechtbank (onder 3). Gelet hierop heeft de rechtbank naar het oordeel van het Hof terecht overwogen dat de door de inspecteur gevraagde gegevens en inlichtingen voor het heffen van de belasting ten aanzien van belanghebbende van belang konden zijn.
Nu belanghebbende de gevraagde gegevens en inlichtingen niet heeft verstrekt, geldt als uitgangspunt dat hij niet heeft voldaan aan de op hem krachtens artikel 47 AWR rustende verplichting, zodat de inspecteur terecht een informatiebeschikking heeft gegeven. Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen. Indien een belastingplichtige niet beschikt, en ook redelijkerwijs niet kan beschikken, over de gegevens en inlichtingen die de inspecteur van hem vraagt, kan niet gezegd worden dat hij door het niet-verschaffen van die gegevens of inlichtingen de in artikel 47 AWR neergelegde verplichting schendt. Belanghebbende beroept zich in wezen op die uitzondering, nu hij ontkent rekeninghouder te zijn (geweest). Het ligt dan op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan genoemde uitzondering van toepassing kan worden geacht.
Daartoe acht het Hof de enkele ontkenning door belanghebbende van de gerechtigdheid tot de rekeningen niet toereikend; het Hof acht deze ontkenning niet geloofwaardig.
Genoemde uitzondering doet zich dan ook niet voor.

4.4.2.

De omstandigheid dat belanghebbende strafrechtelijk is vrijgesproken van belasting-fraude leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof verwijst op dit punt naar hetgeen hierover is overwogen in zijn uitspraak van heden met kenmerk 15/00506 t/m 15/00513 en 15/0020 t/m 15/00528 (r.o. 4.3.2.1 en 4.3.2.2).

4.4.3.

De omstandigheden dat op eerdere jaren betrekking hebbende navorderingsaanslagen (ambtshalve) door de inspecteur zijn vernietigd staat niet aan de informatiebeschikkingen in de weg, omdat die vernietigingen kennelijk zijn gebaseerd op het oordeel van de inspecteur dat hij de desbetreffende navorderingsaanslagen niet voldoende voortvarend heeft opgelegd en omdat die voortvarendheidskwestie voor de onderhavige zaken (nog) niet aan de orde is, nu de informatiebeschikkingen betrekking hebben op nog te leggen aanslagen.

4.4.4.

De omstandigheid dat gelijktijdig met het nemen van de informatiebeschikking wordt geprocedeerd over eerdere jaren (de zaken met kenmerk 15/00506 t/m 15/00513 en 15/0020 t/m 15/00528), verhindert niet dat de inspecteur op de voet van artikel 47 AWR vragen stelt over eenzelfde kwestie als in die procedures aan de orde is (verg. HR 24 april 2015 (civiele kamer), nr. 14/0416 en 14/0286, ECLI:NL:HR:2015:1130, r.o. 5.6). Dit is mogelijk anders indien de inspecteur het voornemen zou hebben gehad om de informatie die hij door middel van de onder 2.2 en 2.3 vermelde vragen wenst te verkrijgen ook in de lopende zaken te gebruiken, maar voor die veronderstelling bestaat onvoldoende grond. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om door middel van een verbod op een dergelijk gebruik daarmee thans rekening te houden. Met het stellen van vragen heeft de inspecteur evenmin in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.4.5.

Tot slot staat ook de omstandigheid dat de inspecteur zich in de zaken over voorgaande jaren heeft beroepen op het niet-doen door belanghebbende van de vereiste aangifte niet aan de informatiebeschikkingen in de weg. Het één sluit het ander niet uit (verg. r.o. 4.6.1.2 in de uitspraak van heden ten aanzien van belanghebbende met kenmerk 15/00506 t/m 15/00513 en 15/0020 t/m 15/00528).

Conclusie
4.5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de informatiebeschikkingen terecht zijn genomen. De uitspraak van de rechtbank dient derhalve te worden bevestigd.


Proceskosten
5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6
6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, H.E. Kostense en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 28 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.