Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4143

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
R 001129-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

zaaksbegrip, voeging afgewezen, bezien op welke feiten de voorlopige hechtenis betrekking had

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: 001129-15 / (89 Sv HB)

Parketnummer in eerste aanleg: 13-666920-11


Beschikking op het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2013 op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. [naam 1],

[adres].

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, ter zake van schade die de verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormeld parketnummer, welke schade als volgt is gespecificeerd:

  • -

    3 dagen verblijf op het politiebureau (ad € 105,00 per dag) € 315,00

  • -

    88 dagen verblijf in het huis van bewaring (ad € 80,00 per dag) € 7.040,00

  • -

    18 dagen beperkingen (ad € 25,00 per dag) € 450,00

Totaal € 7.805,00

2 Procesverloop

De raadkamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verzochte vergoeding toegewezen, met dien verstande dat de verzoeker (hierna: appellant) 87 in plaats van 88 dagen in het huis van bewaring heeft verbleven, zodat de vergoeding dienovereenkomstig naar beneden is aangepast.

Het hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer, van het onderhavige verzoekschrift, van de stukken met betrekking tot de behandeling van dit verzoek in eerste aanleg en van de appelschriftuur van de officier van justitie.

Het hof heeft op 14 oktober 2015 en 16 september 2016 de advocaat-generaal en de advocaat van de verzoeker mr. [naam 2], namens mr. [naam 1], ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De appellant is telkens, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bij tussenbeschikking van 18 november 2015, welke aan deze beschikking is gehecht en daarvan deel uitmaakt, heeft het hof de reeds gesloten behandeling in raadkamer heropend en bepaald dat het dossier zal worden aangevuld met alle stukken die van belang zijn voor de beoordeling van de aard van de verdenkingen die hebben geleid tot de bevelen tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis ten aanzien van de appellant in de zaak met parketnummer 13-666920-11 en de (proces)houding van de appellant ten aanzien van die verdenkingen.

De advocaat van de appellant heeft aan de hand van de door haar in raadkamer van 14 oktober 2015 overgelegde pleitnotities en in raadkamer van 16 september 2016 onder meer betoogd dat de verzochte vergoeding dient te worden toegewezen, met dien verstande dat de appellant 87 in plaats van 88 dagen in het huis van bewaring heeft verbleven. Subsidiair heeft de advocaat verzocht om een gematigde vergoeding.

De advocaat-generaal heeft onder verwijzing naar de appelmemorie van de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

De appellant is op 16 juli 2011 aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld wegens verdenking van het (mede)plegen van voorbereidingshandelingen voor diefstallen met geweld gepleegd in de periode van

4 juli tot en met 16 juli 2011. Vervolgens is de voorlopige hechtenis van de appellant ter zake gelast. De voorlopige hechtenis is in september 2011 opgeheven. De appellant is ten aanzien van deze verdenking verder vervolgd onder parketnummer 13-660720-11 (in het dossier verder aangeduid met: zaak A).

Op 1 november 2011 is de appellant aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld op verdenking van

– kort gezegd – betrokkenheid bij een gewapende overval gepleegd te Krommenie op 29 juni 2011, alsmede een aantal andere overvallen gepleegd in de periode 1 tot en met 7 oktober 2010, samengevat in een “verzamelfeit”. Vervolgens is onder parketnummer 13-666920-11 (in het dossier verder aangeduid met: zaak B) de voorlopige hechtenis van de appellant bevolen op 4 november 2011. De appellant is in deze zaak op

30 januari 2012 in vrijheid gesteld nadat de rechtbank de voorlopige hechtenis had opgeheven wegens het ontbreken van ernstige bezwaren ten aanzien van zowel de overval te Krommenie als het verzamelfeit.

De appellant is vervolgens alleen ter zake van verdenking van betrokkenheid bij de overval te Krommenie gedagvaard. Het hof maakt hieruit, alsmede uit de door de officier van justitie ingediende appelmemorie, op dat de zaak tegen de appellant waar het de verdenking van het verzamelfeit betreft de facto is geseponeerd.

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 13 december 2012 van de rechtbank Amsterdam met voornoemd parketnummer is de appellant vrijgesproken van betrokkenheid bij de overval te Krommenie. De officier van justitie heeft geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden. Derhalve is de strafzaak geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

De appellant vraagt thans vergoeding van de dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht in zaak B.

Met de rechtbank – maar op andere gronden – en anders dan het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat de verdenkingen in de hiervoor genoemde zaak A bij de beoordeling van het onderhavige verzoek geen rol kunnen spelen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, onder “zaak” als bedoeld in artikel 258, eerste lid, Sv, te worden verstaan “al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had”. De inleidende dagvaarding bepaalt de grenzen van het rechtsgeding met dien verstande dat deze grenzen nader kunnen worden bepaald door wijziging van de tenlastelegging op de voet van het bepaalde in de artikelen 313 tot en met 315a Sv of door voeging op de voet van het bepaalde in artikel 258 Sv, waardoor twee oorspronkelijk gescheiden zaken tot één zaak worden in de zin van

laatstgenoemd artikel. De term “zaak” in de zin van artikel 89 Sv heeft, nu er sprake is geweest van een onderzoek ter terechtzitting, dezelfde betekenis als in artikel 258, eerste lid, Sv.

De vaststelling of er al dan niet van voeging in vorenbedoelde zin sprake is geweest is een feitelijke. Voeging van de als zodanig aangeduide zaken A en B is door de rechter – thans onherroepelijk – geweigerd. De reden daarvoor maakt dit als zodanig vaststaande feit niet anders en is bij de beoordeling van het onderhavige verzoek dan ook niet relevant. Met het vorenstaande is gegeven dat hetgeen zich in de thans niet aan de orde zijnde zaak A heeft afgespeeld, geen rol kan spelen ter zake van de beslissing of de appellant aanspraak kan maken op een schadevergoeding in de nu wel aan de orde zijnde zaak B.

Anders dan de rechtbank is het hof echter van oordeel dat de onschuldpresumptie niet verbiedt, bij de inhoudelijke beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn om de gevraagde schadevergoeding geheel dan wel gedeeltelijk toe te wijzen, rekening te houden met de destijds bestaande verdenkingen en met de opstelling van de appellant gedurende de preventieve hechtenis in zaak B. De onschuldpresumptie stelt wel de grenzen waarbinnen deze beoordeling kan plaatsvinden. Voorbeelden daarvan worden gegeven in het ook door de rechtbank in haar beschikking genoemde arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) “Ashendon en Jones”, zij het dat dit daar “in the context of defendants’ costs orders” gebeurt. Het hof gaat er echter van uit dat één en ander ook richtinggevend is voor een vergoeding als hier verzocht.

Samengevat komen de overwegingen en oordelen van het EHRM hierop neer dat deze vergoedingen niet kunnen worden geweigerd op gronden die “were based on any continuing suspicion that the applicant was guilty” of in het geval dat “the applicant had been penalised for exercising his right to silence”. Wél kan weigering bijvoorbeeld toegelaten zijn in het geval dat “it was inevitable that a defendant who declined to produce any evidence until trial would incur costs until trial, and that those costs would then have to be borne by the defendant” of als “the applicant had brought suspicion on himself and misled the prosecution into thinking the case against him was stronger than it was” of in de situatie dat als “the applicant (had) explained her position before trial, the prosecution would in all likelihood have been dropped and there would have been no question of a defendant’s cost order”.

Anders dan door de verdediging is betoogd en door de rechtbank is overgenomen, moeten bij de beoordeling of er in dit geval gronden van billijkheid voor toekenning van schadevergoeding zijn, ook de verdenking ten aanzien van het verzamelfeit en de houding van appellant daarin betrokken worden. De omstandigheid dat alleen de verdenking ten aanzien van Krommenie tot een dagvaarding heeft geleid, doet immers niet af aan het feit dat de voorlopige hechtenis ter zake waarvan vergoeding wordt gevraagd op beide verdenkingen was gegrond. Omgekeerd had het de appellant ook vrij gestaan een verzoek tot schadevergoeding ex artikel 89 Sv te doen – mits tijdig – ter zake van de verdenking van het verzamelfeit. Voor toepassing van artikel 89 Sv hoeft de zaak immers niet te zijn geëindigd door een rechterlijke einduitspraak in de zin van de artikelen 348/350 Sv (recent nog: HR:2015:2756, r.o.v. 4.4).

Naar het oordeel van het hof waren er ten tijde van het bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis belastende feiten en omstandigheden, die in de risicosfeer van de appellant lagen en die tot zijn inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis konden leiden. De appellant heeft ondanks de hem belastende feiten en omstandigheden om hem moverende redenen geen openheid van zaken willen geven. Dit, terwijl met betrekking tot twee overvallen een DNA mengprofiel werd aangetroffen van tenminste drie personen waaronder een DNA profiel van de appellant. Nu een voortvarend onderzoek door de politie naar voor de appellant belastende omstandigheden door de houding van de appellant is belemmerd dient, in het licht van het gewicht van de tegen de appellant gerezen bezwaren, de door de appellant als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis geleden schade voor zijn rekening en risico te blijven. Onder deze omstandigheden zijn er, hoewel de strafzaak zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd, geen gronden van billijkheid als bedoeld in artikel 90 Sv aanwezig om vergoeding toe te kennen voor de schade die de verzoeker stelt te hebben geleden. Derhalve zal het hof de verzochte vergoeding afwijzen.

Gelet op het voorgaande acht het hof het hoger beroep van de officier van justitie gegrond.

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Wijst het verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, M. Iedema en M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 14 oktober 2016.