Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4138

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
R 001028-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

verrekening ex artikel 90, derde lid, Sv: geen vergoeding kosten hoger beroep als advocaat op de hoogte had kunnen zijn van vaste jurisprudentie van hof Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: 001028-16 / (591a HB)

Parketnummer in eerste aanleg: 13-654254-15

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de voorzitter van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2016 op het verzoekschrift krachtens artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. [naam],

[adres].

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van de forfaitaire vergoeding ten behoeve van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het gelijktijdig ingediende verzoekschrift op de voet van artikel 89 Sv.

2 Procesverloop

De voorzitter in eerste aanleg heeft als volgt overwogen en beslist.

De voorzitter heeft het verzoek dat strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas, tot een bedrag van in totaal € 280,00, toegewezen en het toegewezen bedrag op grond van artikel 90, derde lid, Sv verrekend met geldboetes en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de verzoeker op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is indien die nog niet door hem zijn voldaan.

Het hoger beroep is ingesteld namens de verzoeker (hierna: appellant).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op

16 september 2016 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De appellant en de advocaat van de appellant zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het beroep.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Bij e-mailbericht van 14 september 2016 heeft de advocaat van de appellant kenbaar gemaakt dat de reden voor het instellen van hoger beroep is gelegen in het feit dat de voorzitter van de rechtbank ten onrechte het toegewezen bedrag op grond van artikel 90, derde lid, Sv heeft verrekend met geldboetes en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de appellant bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de appellant op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is indien die nog niet door hem zijn voldaan. Het is niet redelijk en billijk dat ook de vergoeding van de kosten van een raadsman voor verrekening in aanmerking zou kunnen komen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank

’s-Hertogenbosch met de rekestnummers 15-1633 en 15-1634 (parketnummer 02-800199-14) van

29 maart 2016 heeft de advocaat van de appellant het hof verzocht de beschikking van de voorzitter van de rechtbank te vernietigen en te beslissen dat er geen verrekening op grond van artikel 90, derde lid, Sv zal plaatsvinden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft in onder meer ECLI:NL:GHAMS:2015:4977 reeds overwogen dat het noch in de tekst van de wet, noch in de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 89, 90, 591 en 591a Sv een beletsel ziet voor de door de voorzitter van de rechtbank toegewezen verrekening van de vergoeding van de kosten van de raadsman als bedoeld in het tweede lid van artikel 591a Sv.

Het hof constateert dat het vierde lid van artikel 591a Sv – dat het gehele artikel 90 Sv van overeenkomstige toepassing verklaart – al lang voordat de verrekening in het derde lid van artikel 90 Sv werd toegevoegd van kracht was. Bij de invoering van het huidige derde lid van artikel 90 Sv heeft de wetgever op geen enkele manier iets geuit dat opgevat zou kunnen worden als de wens om de vergoeding voor de kosten van een raadsman uit te zonderen van de nieuw in te voeren verrekeningsmogelijkheid. In zoverre biedt de wetsgeschiedenis dus geen aanknopingspunten voor de door de raadsman voorgestane visie.

Een zodanig aanknopingspunt ziet het hof evenmin in de omstandigheid dat het tweede lid van artikel 591a Sv enerzijds spreekt over vergoeding van “schade” ten gevolge van tijdverzuim en anderzijds van vergoeding voor de “kosten” van een raadsman, terwijl het derde lid van artikel 90 Sv alleen spreekt over een “schadevergoeding”. De wetgever stelt immers evenzeer in de laatste zin van het tweede lid van artikel 591a Sv dat een vergoeding voor “deze kosten” voorts kan worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. Nergens blijkt uit – en dit artikellid is ook nooit zodanig uitgelegd – dat de wetgever het hier alleen over de kosten van de raadsman heeft en niet over de schade ten gevolge van tijdverzuim. Het hof houdt het er daarom voor dat de termen “kosten” en “schade” hier door elkaar worden gebruikt, zonder dat hiermee is bedoeld een juridisch relevant verschil aan te geven.

Het voorgaande laat onverlet dat het hof in het onderhavige geval de eventueel toe te wijzen vergoeding niet ingevolge het bepaalde in artikel 90, derde lid, Sv kan verrekenen met de door de appellant aan de Staat (CJIB) verschuldigde bedragen, nu op het meest recente overzicht openstaande zaken van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) van 25 augustus 2016 geen voor verrekening vatbare bedragen zijn vermeld. Derhalve ziet het hof aanleiding de bestreden beschikking – voor zover betrekking hebbend op het verzoek op de voet van artikel 591a Sv – te vernietigen.

De strafzaak met voormeld parketnummer is op 7 maart 2016 door de officier van justitie geseponeerd en derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Nu de advocaat van de appellant het verzoekschrift in hoger beroep in raadkamer niet mondeling heeft toegelicht en hij voorts op de hoogte had kunnen zijn van de vaste jurisprudentie van het hof ten aanzien van de verrekeningsmogelijkheid van de vergoeding van de kosten van de raadsman op grond van het bepaalde in artikel 90, derde lid, Sv, acht het hof gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding alleen ter zake van het opstellen en indienen en in eerste aanleg toelichten van het verzoekschrift op de voet van artikel 89 Sv ten bedrage van € 550,00.

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Kent uit ’s Rijks kas aan de appellant een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro).

Wijst het meer of anders verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, M. Iedema en M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 14 oktober 2016.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), te betalen uit ’s Rijks kas aan de appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [......].

Amsterdam, 14 oktober 2016.

Mr. J.L. Bruinsma, voorzitter.