Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:409

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
09-02-2016
Zaaknummer
23-002995-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, gewoontewitwassen. Verweren omtrent betrouwbaarheid aangeefster en bewijsminimum. Vordering benadeelde partij, berekening materiële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002995-14

datum uitspraak: 4 februari 2016

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-728066-13 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1974,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd onder het eerste kopje (‘heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouwen’). Het hof is van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, waarin feiten zijn ten laste gelegd die van elkaar zijn gescheiden door de woorden ‘en/of’, sprake is van een cumulatieve tenlastelegging.

Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven deelbeslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven deelbeslissing tot vrijspraak.

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens de appèlschriftuur van de officier van justitie en de mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, evenmin gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep opgenomen deelbeslissing tot vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 407 Sv, zal het hof het openbaar ministerie in zoverre niet ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, bij gebrek aan enig belang bij de voortzetting daarvan in zoverre.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2014 en 21 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid Sv, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1


hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland en/of Bulgarije, een ander of anderen te weten [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouwen, door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouwen en/of

- die [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouwen (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) en/of met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouwen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) en/of

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] en/of een of meer andere vrouwen en/of

- die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouwen met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouwen met of voor een derde

bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of bedreiging met die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of die afpersing en/of die misleiding en/of dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat verdachte

- met die [slachtoffer] een relatie is aangegaan en/of (ten onrechte) de indruk heeft gewekt bij die [slachtoffer] dat zij met verdachte een (monogame) liefdesrelatie had (terwijl hij, verdachte, tevens een relatie met een of meer andere vrouwen onderhield en/of met een andere vrouw getrouwd was) en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) onder druk heeft gezet en/of er (zodoende) toe heeft aangezet en/of heeft gebracht om in de prostitutie te werken en/of te blijven werken, (onder meer) door die [slachtoffer] voor te houden dat hij, verdachte, indien er voldoende geld was met haar een toekomst wilde opbouwen (in Bulgarije) en/of met haar wilde trouwen en/of die [slachtoffer] heeft voorgehouden dat zij veel geld zou kunnen verdienen door te werken als prostituee en/of

- een of meermalen die [slachtoffer] heeft geholpen bij het regelen van een prostitutiekamer en/of bij het verzorgen van de papieren die die [slachtoffer] nodig had om als prostituee te mogen werken en/of

- die [slachtoffer] plastische chirurgie (te weten: een borstvergroting) heeft laten ondergaan (zodat zij meer geld kon verdienen) en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] prostitutiewerkzaamheden verrichten) (telefonisch en/of in persoon) die [slachtoffer] (telkens) heeft gecontroleerd en/of laten controleren en/of haar om het kwartier belde (om te informeren naar haar verdiensten) en/of

- ( telkens) de portemonnee van die [slachtoffer] heeft doorzocht en/of laten doorzoeken en/of

- die [slachtoffer] (telkens) dubbele diensten ( 15 uren achter elkaar) heeft laten werken en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) heeft mishandeld door haar (met een riem) tegen haar rechterscheenbeen) althans haar lichaam te slaan en/of die [slachtoffer] (met zijn, verdachtes, beringde hand) in haar gezicht heeft geslagen en/of die [slachtoffer] tegen haar lichaam heeft geschopt en/of geslagen indien die [slachtoffer] te weinig had verdiend en/of als die [slachtoffer] dronken was en/of

- die [slachtoffer] heeft bedreigd (door (onder meer) tegen haar te zeggen dat het hem, verdachte, 200 euro zou kosten om iemand iets met haar gezicht te laten doen”) en/of

- die [slachtoffer] heeft bedreigd door tegen haar te zeggen dat: “als je wilt stoppen dan kill ik je, dan neem ik je twee nichtjes” en/of

- die [slachtoffer] heeft opgelegd dat zij een vast bedrag (1000 euro) per dag moest verdienen en/of

- ( dagelijks) alle dan wel een groot deel van de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] heeft afgepakt en/of afgenomen en/of door die [slachtoffer] heeft laten afstaan en/of

- een huis voor hem, verdachte en/of zijn, verdachtes, moeder heeft gefinancierd met de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] en/of

- een of meer auto’s heeft gekocht met de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer];

2


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam en/of Den Haag, in elk geval in Nederland en/of te Bulgarije van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, een of meer (contante) geldbedrag(en), te weten:

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer] of één of meer andere vrouwen verrichte prostitutiewerkzaamheden verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of heeft gebruikt en/of heeft omgezet en/of verborgen of verhuld wie de rechthebbende op de woning met het adres [adres] is (geweest) door deze woning op naam van een ander te zetten terwijl hij (telkens) wist dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit misdrijf/misdrijven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar en inconsistent zijn en tegenstrijdigheden bevatten.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat in de verklaringen van de aangeefster een zekere mate van inconsistentie is aan te wijzen, inherent is aan het lange tijdsverloop tussen de ten laste gelegde feiten waarover de aangeefster heeft verklaard. Ook valt daardoor te verklaren dat de aangeefster haar verklaringen op onderdelen heeft aangevuld met nieuwe gegevens. Indien de verschillende verklaringen in hun onderling verband worden bekeken is geen sprake van zodanige tegenstrijdigheden dat die verklaringen niet betrouwbaar geacht kunnen worden. Het hof is van oordeel dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd daartoe onvoldoende aanleiding biedt. Het verweer wordt verworpen.

Bewijsminimum

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken vanwege schending van de bewijsminimumregel van artikel 342 Sv. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Het hof overweegt dat de rechter het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft – niet uitsluitend kan aannemen op de verklaring van één getuige. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de omstandigheden van het concrete geval. In casu is het hof van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster [slachtoffer], voor zover dit de bewezenverklaarde onderdelen in de tenlastelegging betreft, in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Het verweer wordt verworpen.

Partiële vrijspraak

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van de ten laste gelegde dwangmiddelen ‘dwang’, ‘geweld’ en ‘dreiging met geweld’ en van de concreet ten laste gelegde mishandelingen. Tegen deze partiële vrijspraak is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld en de advocaat-generaal heeft ook van deze onderdelen van de tenlastelegging de bewezenverklaring gevorderd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voor de ten laste gelegde mishandelingen, naast de aangifte, te weinig ondersteunend bewijs voorhanden is. De blauwe plekken en het litteken op het scheenbeen van de aangeefster, die zijn waargenomen door verbalisant [verbalisant], alsmede de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] – die beiden spreken over blauwe plekken – zijn daarvoor onvoldoende. De verklaringen van de aangeefster omtrent de mishandelingen zijn te weinig specifiek om aan deze waarnemingen te kunnen worden gekoppeld. Niet uitgesloten kan worden dat de blauwe plekken een andere oorzaak hebben dan gewelddadig optreden van de zijde van de verdachte jegens de aangeefster. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1


hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam en Den Haag en Bulgarije, een ander te weten [slachtoffer], door misleiding met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer]

- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) en

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] en

- die [slachtoffer] heeft bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met een derde

bestaande die misleiding hierin dat verdachte

- met die [slachtoffer] een relatie is aangegaan en ten onrechte de indruk heeft gewekt bij die [slachtoffer] dat zij met verdachte een monogame liefdesrelatie had terwijl hij, verdachte, tevens een relatie met een andere vrouw onderhield en

- die [slachtoffer] er toe heeft gebracht om in de prostitutie te blijven werken, onder meer door die [slachtoffer] voor te houden dat hij, verdachte, indien er voldoende geld was met haar een toekomst wilde opbouwen in Bulgarije en met haar wilde trouwen en

- dagelijks alle dan wel een groot deel van de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] heeft afgepakt en door die [slachtoffer] heeft laten afstaan en

- een huis voor hem, verdachte en/of zijn, verdachtes, moeder heeft gefinancierd met de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer];

2


hij in de periode van 1 april 2009 tot en met 30 november 2012 in Nederland en/of Bulgarije van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode, bij wijze van gewoonte (contante) geldbedragen, te weten:

- telkens een groot deel van de verdiensten uit de door [slachtoffer] verrichte prostitutiewerkzaamheden verworven en voorhanden gehad en overgedragen en gebruikt en omgezet en verborgen wie de rechthebbende op de woning met het adres [adres] is (geweest) door deze woning op naam van een ander te zetten terwijl hij telkens wist dat die geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit misdrijf.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het aanwenden van een rechtsmiddel zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 97.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2014, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 515.000,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende een lange periode misbruik gemaakt van de aangeefster en heeft hiermee groot leed toegebracht in haar leven. Hij heeft zijn persoonlijk en geldelijk gewin gesteld boven de keuzevrijheid van het slachtoffer; onvergelijkbare waarden in een mensenleven. De aangeefster heeft aan den lijve ondervonden wat het betekent handelswaar te zijn voor de verdachte. Het is een feit van algemene bekendheid dat de slachtoffers van mensenhandel doorgaans nog lange tijd psychisch lijden en de medemens niet of nauwelijks meer durven te vertrouwen.

Voorts heeft de verdachte een gewoonte gemaakt van het witwassen van de verdiensten van de door het slachtoffer verrichte prostitutiewerkzaamheden. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Gelet op de ernst van de feiten en al het voorgaande acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur gerechtvaardigd. Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf daaraan onvoldoende recht doet.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 515.000,00 en bestaat uit € 490.000,00 aan materiële schade en

€ 25.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 97.200,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Bij het bepalen van de materiële schade gaat het hof uit van de resultaten van het onderzoek van kamerverhuurbedrijf [bedrijf]. Uit dit onderzoek valt af te leiden dat de benadeelde partij de kamer in de jaren 2009 tot en met 2012 in totaal 411 dagen heeft gehuurd. Voorts gaat het hof op grond van de inhoud van het dossier en de toelichting ter terechtzitting door de advocaat van de benadeelde partij uit van een (minimale) dagopbrengst van € 500,00. Het hof waardeert de geleden materiële schade aldus op een bedrag van (411 dagen x € 500,00 =) € 205.500,00.

Het hof waardeert de immateriële schade, gelet op de indringendheid van het bewezen verklaarde en de ernstige aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelde partij, op een bedrag van € 15.000,00. Het hof heeft bij het bepalen van dit bedrag mede gelet op de schriftelijke slachtofferverklaring van de benadeelde partij van 19 mei 2014, waaruit blijkt dat zij zich door het handelen van de verdachte gedesillusioneerd en lichamelijk en geestelijk vernederd voelde. Zij beschrijft deze periode als een gitzwarte periode waarin zij is beroofd van haar lichaam, haar zelfrespect, haar vertrouwen in mensen en vriendschappen en in mensen in het algemeen. Met de rechtbank ziet het hof in de partiële vrijspraak van de tenlastegelegde mishandelingen aanleiding de vordering voor wat betreft immateriële schade te matigen.

De vordering van de benadeelde partij kan aldus worden toegewezen tot een bedrag van € 220.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 april 2013, zijnde de datum van aangifte, door de benadeelde partij, tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 273f en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 onder het eerste kopje (‘heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] en/of één of meer andere vrouwen’) ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt voorts dat de tijd die de verdachte in overleveringsdetentie heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 220.500,00 (tweehonderdtwintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 205.500,00 (tweehonderdvijfduizend vijfhonderd euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële- en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 220.500,00 (tweehonderdtwintigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 205.500,00 (tweehonderdvijfduizend vijfhonderd euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële- en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. N.A. Schimmel en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van

mr. F.A. Dudok van Heel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2016.