Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2016:4083

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
200.187.689/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Zorgregeling, huurrecht echtelijke woning, kinderbijdrage. Het verzoek van de vrouw om een uitkering tot haar levensonderhoud is afgewezen. De vrouw heeft de huwelijkse behoefte, tegenover de betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd. Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen is afgewezen, omdat de vrouw daar geen belang meer bij heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 11 oktober 2016

Zaaknummers: 200.187.689/ 01 en 200.187.689/ 02

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/231082 / FA RK 15-5049

in de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 01 in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [A] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.M. van Hemert te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen

[de man] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. H. Durdu te Rotterdam,

in de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 02 van:

[de vrouw] ,

wonende te [A] ,

verzoekster,

advocaat: mr. E.M. van Hemert te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen

[de man] ,

wonende te [B] ,

verweerder,

advocaat: mr. H. Durdu te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep en het verzoek tot voorlopige voorzieningen

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is in de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 01 op 17 maart 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 30 december 2015 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, met kenmerk C/15/231082 / FA RK 15-5049.

1.3.

In de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 02 heeft de vrouw op 17 maart 2016 een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen gedaan.

1.4.

De man heeft op 9 mei 2016 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

De vrouw heeft op 11 mei 2016 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.

1.6.

De zaken zijn op 13 mei 2016 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van een tolk in de Turkse taal;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw D.M. van Dijk, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

1.8.

Op 20 mei 2016 is de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige] door de voorzitter, in het bijzijn van de griffier, in raadkamer gehoord. Bij brief van 26 mei 2016 aan de advocaten van partijen heeft het hof de mening van [de minderjarige] - kort samengevat - weergegeven en partijen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De vrouw heeft op 3 juni 2016 bij het hof een schriftelijke reactie ingediend. Van de man is geen reactie ontvangen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 17 juli 2002 te [plaats] , Turkije, gehuwd. Hun huwelijk is op

7 april 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van

30 december 2015 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2004.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1978. Hij woont samen met zijn partner.

Hij is sinds 24 oktober 2005 werkzaam in loondienst bij [bedrijf a] . Blijkens de jaaropgave 2015 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 39.065,-. Zijn partner voorziet in eigen levensonderhoud.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1971. Zij vormt met [de minderjarige] een eenoudergezin.

Zij is sinds 17 april 1998 werkzaam in loondienst bij [bedrijf b] Blijkens de jaaropgave 2015 bedroeg het fiscaal loon in dat jaar € 9.589,-. Daarnaast ontvangt zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV. Volgens de jaaropgave 2015 bedroeg het fiscaal loon op basis van deze uitkering in dat jaar € 6.877,-. Uit de door haar overgelegde salaris- en betaalspecificaties blijkt dat zij een salaris ontvangt van € 685,- netto per maand en een uitkering ontvangt van € 346,- netto per maand.

Aan huur en enige servicekosten betaalt de vrouw € 619,- per maand. De huurtoeslag bedraagt € 293,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 161,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 83,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 385,- per jaar. Dit bedrag wordt verbruikt.

Zij ontvangt thans een kindgebonden budget van € 355,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep en het verzoek tot voorlopige voorzieningen

In de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 01:

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, op het verzoek van de man, voor zover thans van belang, bepaald dat:

- de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [b-straat] , [A] te blijven wonen tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont en met uitsluiting van de man;

- de man € 196,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De vrouw is in eerste aanleg niet verschenen.

3.2.

De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek ter zitting in hoger beroep en met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:

- de vrouw huurder zal zijn van de (voormalig) echtelijke woning aan de [b-straat] te [A] ;

- de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] maandelijks, bij vooruitbetaling, een bedrag ter hoogte van € 407,- zal dienen te voldoen, zulks met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- de man aan de vrouw maandelijks, bij vooruitbetaling, een aanvullende bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal dienen te voldoen ter hoogte van bruto € 496,-, zulks met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

De man verzoekt, naar het hof begrijpt, het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.4.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man, na wijziging van zijn verzoek ter terechtzitting in hoger beroep, een zorgregeling vast te stellen waarbij hij [de minderjarige] in de week dat hij niet overdag werkt, van dinsdag tot en met vrijdag van school haalt en na twee uur bij grootmoeder (moederszijde) terugbrengt.

3.5.

De vrouw verzoekt het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

In de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 02:

3.6.

De vrouw heeft het hof, na wijziging van dit verzoek ter zitting in hoger beroep, verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van deze procedure te bepalen dat:

- de man aan de vrouw als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag ter hoogte van € 407,- zal dienen te voldoen, zulks met ingang van 17 maart 2016 tot aan de datum van de in deze te geven eindbeschikking;

- de man aan de vrouw als voorlopige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag ter hoogte van bruto € 496,- zal dienen te voldoen, zulks met ingang van 17 maart 2016 tot aan de datum van de in deze te geven eindbeschikking.

3.7.

De man verzoekt primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de verzochte voorlopige voorziening af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 01:

in incidenteel hoger beroep:

Zorgregeling

4.1.

Het hof ziet aanleiding om allereerst het verzoek van de man, om een zorgregeling tussen [de minderjarige] en hemzelf vast te stellen, te behandelen.

4.2.

De man verzoekt om de contactmomenten zoals hij die volgens hem met [de minderjarige] heeft, als zorgregeling vast te stellen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij in 3 ploegen/weekdiensten werkt. De eerste twee weken van zijn werkrooster kan hij [de minderjarige] niet ophalen, maar in de derde week is hij vrij en haalt hij hem op vier middagen op van school (op maandag haalt een broer van de vrouw [de minderjarige] uit school). Vervolgens brengen zij ongeveer twee uur per middag met elkaar door, waarna de man [de minderjarige] terugbrengt naar de grootmoeder van [de minderjarige] (moederszijde). Aangezien er geen communicatie is tussen partijen, heeft de man deze regeling alleen met [de minderjarige] afgesproken, maar heeft dit nooit tot een probleem met de vrouw geleid. Meestal gaat [de minderjarige] van school met hem mee, soms niet, als [de minderjarige] aangeeft dat hij andere plannen heeft. Vanaf het moment dat [de minderjarige] naar de middelbare school gaat, kan de man eventueel zijn werktijden aanpassen, aldus de man.

4.3.

De vrouw voert aan dat de door de man voorgestelde regeling te onbepaald is en iedere structuur mist. Zij weet dat de man in ploegendiensten werkt en dat hij [de minderjarige] af en toe van school haalt. Voor zover zij weet, zien de man en [de minderjarige] elkaar dan twee middagen en brengen zij telkens minder dan twee uur met elkaar door. De vrouw is niet tegen omgang tussen [de minderjarige] en de man, maar wil de invulling daarvan aan [de minderjarige] overlaten. Op dit moment is het echter zo dat [de minderjarige] geen contact met de man wil, maar dit niet altijd durft te zeggen tegen de man. Hij is gekwetst door de gebeurtenissen die tot de echtscheiding hebben geleid. Bovendien gaat [de minderjarige] na de zomervakantie 2016 naar de middelbare school en zal de door de man voorgestelde regeling in verband met gewijzigde schooltijden niet langer haalbaar zijn, aldus de vrouw.

4.4.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat tussen partijen sprake is van onverwerkte echtscheidingsproblematiek, waarbij [de minderjarige] klem lijkt te zitten tussen partijen. Op dit moment wordt de verantwoordelijkheid voor de zorgregeling bij [de minderjarige] neergelegd, terwijl partijen zelf die verantwoordelijkheid moeten nemen. Voor hulp en ondersteuning bij het opstellen van een zorgregeling kunnen partijen zich wenden tot het Centrum Jeugd en Gezin van de gemeente Zaanstad, waarbij het proces-verbaal van deze zitting hen van dienst kan zijn, mede in verband met financiering van deze hulp. Als partijen dit niet lukt, kan raadsonderzoek een optie zijn, aldus de Raad.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

Nu partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen over [de minderjarige] , zal het hof ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW bij de vaststelling van de zorgregeling een zodanige beslissing nemen als hem in het belang van [de minderjarige] wenselijk voorkomt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen niet in staat zijn met elkaar te communiceren. Zij hebben dan ook geen zorgregeling afgesproken. Desondanks is er wel contact tussen [de minderjarige] en de man. De man gaat in de week dat zijn werkrooster het toelaat (dit is één week in de drie weken) op dinsdag, woensdag, donderdag en/of vrijdag naar de school van [de minderjarige] . De man en [de minderjarige] spreken dan onderling af of en hoe lang zij op de desbetreffende dag contact hebben. Gebleken is dat het op deze manier vormgeven van het contact belastend is voor [de minderjarige] en voor spanningen bij hem zorgt. Het hof volgt de vrouw echter niet in haar betoog dat dit ertoe moet leiden dat [de minderjarige] thans volledig zelf dient te bepalen of en wanneer hij de man zal ontmoeten. Het hof acht [de minderjarige] te jong om een dergelijke verantwoordelijkheid alleen te kunnen dragen. Het hof is dan ook van oordeel dat, waar ouders thans niet in staat zijn om afspraken in het belang van [de minderjarige] te maken, een bestendige, in een beschikking vastgelegde regeling, die in ieder geval enig contactbehoud tussen [de minderjarige] en de man garandeert, in het belang van [de minderjarige] is. Deze door het hof bepaalde regeling zal beperkt zijn, nu [de minderjarige] thans veel spanning ondervindt van contact met zijn vader. In het licht van het vorenstaande ziet het hof aanleiding een zorgregeling te bepalen, waarbij [de minderjarige] en de man één dinsdagmiddag in de drie weken (in de week dat het werkrooster van de man het toelaat) maximaal drie uur met elkaar zullen doorbrengen. Nu [de minderjarige] inmiddels op de middelbare school zit, gaat het hof ervan uit dat (de advocaten van) partijen zullen afspreken waar en op welk tijdstip de man [de minderjarige] zal ophalen. Aan het einde van de zorgregeling zal de man [de minderjarige] terugbrengen naar de vrouw of grootmoeder (moederszijde).

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het ontbreken van communicatie tussen partijen en hun onverwerkte scheidingsproblematiek een negatieve weerslag hebben op [de minderjarige] en het verloop van de zorgregeling. Het is dan ook een positieve ontwikkeling dat zij zich ter zitting in hoger beroep, overeenkomstig het voorstel van de Raad, bereid hebben verklaard zich tot de gemeente Zaanstad te wenden om vanuit het Centrum Jeugd en Gezin hulp en begeleiding te krijgen bij de verwerking van hun scheidingsproblematiek en de gevolgen die dit voor [de minderjarige] heeft, en bij het opstellen en invullen van een zorgregeling en het verbeteren van de onderlinge communicatie.

In principaal hoger beroep:

4.7.

Vervolgens zijn de verzoeken van de vrouw in principaal hoger beroep aan de orde.

De voormalig echtelijke woning

4.8.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de voormalig echtelijke woning een huurwoning is, terwijl er in de bestreden beschikking van uit wordt gegaan dat sprake is van een woning in eigendom. Partijen zijn het er voorts over eens dat het huurrecht van de voormalig echtelijke aan de vrouw kan worden toegewezen. Het verzoek van de vrouw in hoger beroep zal daarom worden toegewezen.

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] € 507,- per maand bedraagt. Partijen twisten over het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] .

4.10.

Teneinde ieders aandeel in de kosten van [de minderjarige] te kunnen vaststellen, komt het aan op de draagkracht van de man en de vrouw. Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 130,- per maand bedraagt. Het hof zal de draagkracht van de man berekenen volgens de sinds 1 april 2013 geldende richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen en daarbij het netto besteedbaar inkomen (hierna ook: NBI) tot uitgangspunt nemen. Partijen zijn het erover eens dat het NBI van de man € 2.356,- per maand bedraagt.

De draagkracht zal vervolgens worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI – (0,3 x NBI + € 875], aangezien het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 875,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.

De man heeft betoogd dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met een bedrag van € 565,- per maand ter zake aflossing op een doorlopend krediet (ten bedrage van € 23.500,-) dat hij heeft afgesloten voor de aanschaf van een personenauto (merk Audi A5) in februari 2016.

De vrouw meent dat voormeld bedrag niet in mindering dient te komen op de draagkracht van de man. Daartoe stelt zij dat de keuze van de man om een luxe auto aan te schaffen voor zijn eigen rekening moet komen. Temeer daar de man nog steeds de beschikking heeft over de auto die hij tijdens het huwelijk bezat.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij de Audi slechts heeft aangeschaft omdat hij het een mooie auto vond en hij ‘maar één leven heeft’. Het hof stelt omtrent de door de man opgevoerde schuld en aflossingen vast dat gesteld noch gebleken is dat het om een niet vermijdbare last gaat, zodat hiermee geen rekening zal worden gehouden. De man dient deze last uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien dat voor de man niet mogelijk zou zijn, had hij - met een beroep op de aanvaardbaarheidstoets - volledig inzicht in zijn inkomsten en lasten dienen te verschaffen. Nu de man dat heeft nagelaten, zal het hof geen rekening houden met de door de man gestelde maandelijkse aflossing en het draagkrachtloos inkomen van de man daarmee niet verhogen.

Het hof berekent de draagkracht van de man op grond van bovenstaande en aan de hand van de genoemde formule op € 542,- per maand.

4.11.

Vervolgens dient het door de man te betalen aandeel in de kosten van [de minderjarige] te worden berekend. Nu partijen gezamenlijk volledig in de behoefte van [de minderjarige] kunnen voorzien, zal het hof een draagkrachtvergelijking maken.

Aan draagkracht heeft de vrouw € 130,- per maand beschikbaar en de man € 542,-. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan (542/672 x 507) € 409,- per maand. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de kosten van de verdeling van de zorg en opvoedingstaken tussen partijen. Deze kosten worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte van de minderjarige, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Het hof ziet aanleiding om, gelet op de vast te stellen zorgregeling voor de man van slechts maximaal 3 uur in de drie weken, in afwijking van de geldende richtlijn in redelijkheid een zorgkorting van 5% in aanmerking te nemen, hetgeen betekent dat de zorgkorting (5% van € 507,-) € 25,- bedraagt.

4.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat een door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] van € 384,- per maand in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Ingangsdatum

4.13.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen er toe dient om te bewerkstelligen dat de betalingsverplichting van de man reeds in zou kunnen gaan op de datum van indiening van het appelrekest, te weten 17 maart 2016, en niet pas op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te weten 7 april 2016. Het hof begrijpt uit de toelichting van de advocaat van de vrouw dat de vrouw heeft bedoeld om in (principaal) hoger beroep te verzoeken dat de ingangsdatum van de vast te stellen kinderbijdrage op 17 maart 2016 wordt bepaald. Het hof acht dit verzoek toewijsbaar, nu de man met ingang van die datum rekening heeft kunnen houden met een (verhoging van de) door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .

Uitkering tot levensonderhoud van de vrouw

4.14.

De vrouw stelt dat haar netto huwelijkse behoefte, op grond van de zogenaamde hof-norm van 60% van het voormalig netto gezinsinkomen, verminderd met de kosten van [de minderjarige] , € 1.767,- per maand bedraagt. Daarop brengt zij haar netto inkomen uit arbeid en uitkering van respectievelijk € 718,- en € 365,- per maand in mindering en komt zo tot een aanvullende behoefte van € 684,- netto, oftewel € 1.180,- bruto per maand. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw haar verzoek verminderd in die zin, dat de man volgens haar berekening in staat moet worden geacht een bijdrage in haar levensonderhoud te kunnen voldoen van € 496,- bruto per maand.

De man betwist de gestelde behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man. Hij meent dat de vrouw haar huwelijkse behoefte onvoldoende heeft onderbouwd. Het verwijzen naar de 60% norm is daartoe volgens hem onvoldoende, temeer nu de vrouw reeds gedurende een jaar een eigen huishouding voert zonder enige bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Verder maakt de vrouw onvoldoende gebruik van haar verdiencapaciteit en heeft hij onvoldoende draagkracht om bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud. Tot slot wijst de man erop dat uit de jusvergelijking blijkt dat de vrouw thans meer te besteden heeft dan de man.

4.15.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

De man heeft in hoger beroep gemotiveerd betwist dat de vrouw behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage van de man in haar levensonderhoud en expliciet gesteld dat de vrouw niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar de 60% norm. Gelet hierop, had het op de weg van de vrouw gelegen haar gestelde huwelijkse behoefte nader met stukken toe te lichten en te onderbouwen. Zij heeft echter geen overzicht van haar huidige en huwelijksgerelateerde behoefte of andere stukken in het geding gebracht waarmee zij de door haar gestelde behoefte nader heeft onderbouwd. Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw haar huwelijkse behoefte, tegenover de betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd.

Het is voor het hof derhalve niet mogelijk de eventuele aanvullende behoefte van de vrouw aan een bijdrage vast te stellen. Dit komt voor rekening en risico van de vrouw. Dit leidt ertoe dat het hof het verzoek van de vrouw om een uitkering tot haar levensonderhoud zal afwijzen. De overige stellingen van de man hieromtrent behoeven op grond van het hiervoor overwogene geen nadere bespreking.

Het verzoek tot voorlopige voorzieningen

In de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 02:

4.16.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.13. is overwogen met betrekking tot de ingangsdatum van de kinderbijdrage en gelet op hetgeen hiervoor onder 4.15. is overwogen met betrekking tot de verzochte onderhoudsbijdrage, heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

In beide zaken:

4.17.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 01:

in principaal hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarbij het voortgezet gebruik van de voormalig echtelijke aan de vrouw is toegewezen en de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] is vastgesteld, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand huurder zal zijn van de woning [b-straat] te [A] ;

bepaalt de door de man met ingang van 17 maart 2016 aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op € 384,- (DRIEHONDERDVIERENTACHTIG EURO) per maand, voor toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

in incidenteel hoger beroep:

bepaalt dat [de minderjarige] in het kader van de zorgregeling één dinsdagmiddag in de drie weken maximaal drie uur met de man zal doorbrengen, waarbij (de advocaten van) partijen zullen afspreken waar en op welk tijdstip de man [de minderjarige] zal ophalen en de man [de minderjarige] zal terugbrengen naar de vrouw of grootmoeder (moederszijde) (conform hetgeen hiervoor onder 4.5. is overwogen);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.187.689/ 02:

wijst af het verzoek van de vrouw tot het treffen van voorlopige voorzieningen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. C.E. Buitendijk en mr. W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. S. Brouwer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2016.